Steen

Toen ik een jaar of zestien, zeventien was bracht mijn moeder een pak pizzameel van Koopmans mee uit de supermarkt. Dat was toen nieuw. We maakten ‘pizza’ en ik was verkocht. Al snel werd ‘de pizza’ mijn ding. Als mijn ouders weg gingen zei mijn moeder: “Maak jij pizza tegen de tijd dat we thuis komen?”

De ‘pizza’ werd een onderdeel van mijn kookrepertoire. Maar het bleef toch, goedbeschouwd, een platgeslagen brood met Italiaans aandoend beleg. Echt wel lekker, maar de ware pizza die je bij een Italiaan at was toch anders. Zelfs diepvriespizza’s waren toch meer pizza dan mijn pizza’s. Niet allemaal trouwens, er waren maar twee of drie diepvriespizza’s die mijn goedkeuring überhaupt konden wegdragen.

Aldus verdeelde ik mijn pizza-inname tussen die paar eetbare diepvriespizza’s en mijn zelfgebakken (maar toch minder echte) pizza’s. Ik verruilde Koopmans voor een Italiaans mengseltje van enkel bloem en gist. Dat scheelde al, maar het was het nog niet.

Toen las ik, nota bene in een Engels kookboek, de gouden tips: bloem en gist (ja…), pizzasteen (ah!), en vooral: hoge temperatuur (aha!!!). Het kookboek waarschuwde ook: niet iedere steen is goed, let op het materiaal. Je kunt een steen voor weinig geld krijgen, maar als je daar een keer zo’n diepvriespizza op gooit springt-ie uit elkaar. Een goede steen kost meer maar is ook bestand tegen grote temperatuurverschillen. Dat was toch wel handig, want ja, die diepvriespizza was toch ook wel gemakkelijk nu en dan.

Ok. Ik op zoek naar een pizzasteen. De kookwinkel in de stad had ze gewoon in huis. En de verkoper bevestigde wat het kookboek al had gezegd. Voor minder dan twee tientjes heb je een steen. Maar wil je er ook een diepvriespizza op kunnen leggen? Vergeet het maar. “Nee, dan ga je naar keramiek.”

Let op, liever lezers. Als een verkoper de woorden ‘dan ga je naar’ in de mond neemt weet je zeker dat de prijs ten minste verdubbelt.

Dus ging ik naar huis met een pizzasteen van Frans keramiek. Vijf tientjes kostte die. Maar daar kon ik dan wel een diepvriespizza op leggen, ook als-ie al een half uur had liggen voorverwarmen op 250°C. Ik kocht er voor bijna hetzelfde bedrag ook nog een schuif bij, zo’n platte plaat waarmee je de rauwe pizza zonder ongelukken op de hete steen kunt leggen.

Het was een gouden investering. Ongetwijfeld zijn er professionele pizzabakkers die betere pizza’s afleveren dan ik. Maar ik ben behoorlijk tevreden.

Diepvriespizza’s koop ik allang niet meer.

Pizza ai funghi

Haren (doen er niet toe)

Ik was erkend als gewetensbezwaarde. Volgende horde: een vervangende dienst krijgen.

Ik was inmiddels actief in het Utrechtse dienstweiger-gilde. Uit die hoek wist ik dat je zelf op zoek kon gaan, want anders kreeg je iets ‘aangeboden’ door het Ministerie van Sociale Zaken dat in dezen als een soort uitzendbureau fungeerde. Dan moest je maar afwachten wat je kreeg.

Voordat ik zelf iets had kunnen doen werd ik al gebeld. Door het Utrechtse GAB, het Gewestelijk Arbeidsbureau, de voorloper van het huidige UWV. Ze hadden een plek voor een erkend gewetensbezwaarde en of ik op gesprek wilde komen. Tuurlijk. Het GAB leek mij een nuttige besteding van mijn dienstplicht.

Op de verjaardag van mijn broertje begaf ik me naar de Dreeslaan in Utrecht, waar het Arbeidsbureau heel toepasselijk was gevestigd. (Tot de dag van vandaag weet ik niet of er een verband was tussen organisatie en lokatie.)

Ik werd er ontvangen door een mevrouw in een mantelpak. Ze legde me uit dat het werk voor een deel uit administratie zou bestaan en voor een ander deel uit baliewerk. Prima, geen probleem. Of ik bereid was om mensen die werkloos waren te helpen zoeken naar een baan? Zeker. Of ik ervaring had met administratie? Nee, maar ik had al wel wat computerervaring, en wat ik niet wist kon ik vast wel leren.

Het gesprek ging zo een minuut of tien voort, toen kwam de donderslag bij heldere hemel.

“Ben je bereid je haar af te knippen?” vroeg de mevrouw.

Ik was zo verbaasd over die vraag die ik niets anders wist te zeggen dan: “Nee.”

“Dan denk ik dat ons gesprek hier eindigt,” zei de mevrouw.

Pas toen ik even later op weg was naar de uitgang begon het tot me door te dringen. Ik was zojuist afgewezen voor een functie vanwege mijn uiterlijk. Niet omdat ik de juiste functionele kwalificaties miste, niet omdat ik geen zin had in de baan, maar omdat ik lang haar had.

Bij een verjaarsfeestje, niet veel later, wilde een ververwijderd aangetrouwd familielid (type ‘rechtse oom’) wel even uitleggen hoe dat zat: “Snap je dat niet? Je moet representatief zijn.” Nee, ik snapte dat niet. Iemand die bij het GAB kwam, die was toch op zoek naar een baan? Die wilde toch in de eerste instantie aan werk geholpen worden? En bovendien: bij de balie van het GAB kwamen toch ook werkzoekenden met lang haar? Wat was voor die mensen dan ‘representatief’?

Niet veel later werd ik weer gebeld, ditmaal door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. Ze hadden een plek voor een erkend gewetensbezwaarde en of ik op gesprek wilde komen.

Ehm… Ik vertelde van mijn eerdere ervaring, legde uit dat ik lang haar had en inmiddels echt niet meer bereid was dat af te knippen, dus als dat een belemmering was dan konden we elkaar de moeite besparen.

De meneer aan de andere kant van de lijn moest erg lachen. “We hebben hier een aantal dienstweigeraars rondlopen,” zei hij. “En we hebben van alles: lange haren, hanenkammen, alleen rokjes hebben we nog niet. Wat mij betreft maakt het niks uit. Kom maar langs!”

Ik ging op gesprek. De meneer die ik aan de telefoon had gesproken was de personeelsfunctionaris van de afdeling Financieel-Economische Zaken. Hij zag er zeer representatief uit: grijze pantalon, blazer, stropdas, gecoiffeerd. Mijn haren konden hem geen bal schelen.

Na een prettig gesprek wandelde ik weer naar buiten. Per 1 augustus 1984 kon ik mijn vervangende burgerdienst beginnen bij Buitenlandse Zaken. Met lange haren.

(Wordt vervolgd…)

Actueel

Ik kijk wat Koot & Bie en ik hoor Tedje van Es in plat Haags: “En ut is dus auk dat wè hieâh, in Corona, vas…”

Corona? Wat?!?

Dit is de ‘verkiezingstournee’ van de Tegenpartij, 1981… De heren F. Jacobse en Tedje van Es presenteren het verkiezingsprogramma van de Tegenpartij, Rugop ’81, in een zaal van hotel Corona, vandaar. De taal die ze uitslaan klinkt… bekend. Populistisch.

Nou ja, dat Koot & Bie actueler dan actueel waren, dat was natuurlijk geen nieuws, voor mij.

Toen het Simplisties Verbond eind jaren ’80 naar een wekelijks format ging, Keek op de week, waren er critici die vonden dat het nu wel een beetje snel en slap werd. Wat een kortzichtigheid!

Ik kijk nog met enige regelmaat een dvd van het Simplisties Verbond, en je kunt alleen maar vaststellen dat de heren boven elke actualiteit verheven zijn. De namen van de mensen zijn veranderd, maar hun gedrag niet.

Op deze dvd ook een sketch uit 1991. Terwijl Van Kooten & De Bie (zoals ze zich inmiddels al iets minder simplisties zijn gaan noemen) hun programma presenteren, meldt zich achter hen bij het ‘videoraam’ een man, de fiets aan de hand, ploeterend door de sneeuw. Het is meneer Van Oord.

“Heren, heren,” vraagt hij. Niet eens onvriendelijk, maar zijn boodschap is dat wel. Het Simplisties Verbond heeft namelijk een week eerder stelling genomen in het conflict tussen Israel en de Palestijnen. En die stelling bevalt meneer Van Oord in het geheel niet. Hij overweegt dan ook zijn lidmaatschap van de VPRO te beëindigen en betitelt het Simplisties Verbond alvast als de moderne NSB.

Dat schiet Van Kooten in het verkeerde keelgat. Hij springt woedend door het raam en gaat de heer Van Oord na een scheldkanonnade te lijf met sneeuwballen. De overgang van de live uitgezonden studiobeelden naar de eerder gefilmde straatscène is al meer dan briljant. Maar bovendien zien we hier de hedendaagse korte lontjes, de escalatie om niets. Dit is de essentie van Twitter, in beeld gebracht lang voordat de sociale media bestonden.

Koot & Bie ouderwets en uit de tijd? Allerminst! Wie dat beweert verdient een sneeuwbal in zijn nek!!! (Van die dingen, ja? Van die dingen!)

Medium

Fokke & Sukke vanavond in de krant waren een stuk scherper dan Fokke & Sukke vanochtend op de swipekalender. (Ik heb een Fokke & Sukke-scheurkalender maar dan op de iPad: een swipekalender.)

Toen RGvT de F&S-kalender samenstelden wisten ze natuurlijk ook niet wat ons te wachten stond. Dat blijft een nadeel, van dat soort kalenders en van wat ons te wachten staat.

Ik heb jarenlang de Zeurkalender van Peter van Straaten gehad. Die had als voordeel dat er niet eens de pretentie van actualiteit in zat. Maar op een zeker moment ging de Zeurkalender zichzelf herhalen, toen ben ik ermee gestopt.

Wie er trouwens ook flink naast zaten met het lopende jaar, dat waren de mediums. Van die mensen die (met ruime marges) vertellen wat ons te wachten staat. Ik kan me er niet een herinneren die aan het einde van het vorig jaar voorzag wat ons te wachten zou staan, hoe ruim je de marges ook neemt.

Het kan ermee te maken hebben dat ik überhaupt niet geïnteresseerd ben in mediums en ik dus ook niet op ze heb gelet aan het einde van het vorige jaar. Maar met wat on-line zoekwerk kun je nog wel wat terugvinden. Of eigenlijk: er valt niets terug te vinden, want ze zaten er gewoon faliekant naast. Ja, dat de Brexit een feit zou zijn — duh… Daar heb je geen marge voor nodig.

Nee, dan is de swipekalender van Fokke & Sukke nog altijd een veel beter medium, ook al zijn ze dan wat minder scherp.

Kapper

Dat was alweer even geleden, dat ik bij de kapper was. Nou valt het ook niet meteen heel erg op als mijn haar een beetje doorgroeit. Die krullen verhullen de ware lengte. En zo lang als het in mijn hippiedagen was, wordt het niet snel meer.

Eerlijk is eerlijk: ik ga ongeveer eens per kwartaal naar de kapper. De voorlaatste keer was vlak voor de lock-down. Dus ook als er helemaal geen corana-crisis was geweest, was ik toch wel ongeveer nu gegaan. Maar het voelde toch… anders.

Mijn kapper, Van der Vlist aan de Croeselaan (even reclame maken), was zeven weken dicht geweest. Toevallig was-ie ook nog aan het verbouwen geweest, dus ik zat ineens in de ‘nieuwe vleugel’.

Ach, eigenlijk hebben we gewoon lekker bijgekletst. Maar dat hadden we anders ook wel gedaan. En ik ben weer wat korter op het hoofd.

Ik ben alleen deze keer vergeten de Donald Duck te lezen… Het zijn nog steeds een beetje rare tijden.

Zondag sportdag

Zondag. Sportdag. Alleen heb ik m’n hele leven niet echt veel met sport gehad.

Van huis uit kreeg ik het ook niet mee. Bij ons ging de televisie uit als Studio Sport begon (of op een andere zender, toen de VPRO op zondag de vaste uitzendavond had).

Datzelfde vriendinnetje dat me aan het cricket bracht was wel zo’n fanatiekeling. Dan moest in de loop van de zondagmiddag de radio even uit als de uitslagen in het nieuwsbulletin voorbij kwamen, want dan had ze ’s avonds nog wat om naartoe te leven. Vaak kookte ik op zondag terwijl zij voor de tv hing.

Op school was ik ook niet zo van de gymnastiek. Individuele sporten, dat ging nog wel — een beetje. Maar teamsporten?

Ik was dat jongetje dat altijd als laatste werd gekozen bij voetballen of hockey of basketbal of softbal. Of als een-na-laatste, want dan was het mijn vriendje Ewout die de hekkensluiter was. Dan werden we ergens in het veld opgesteld waar we niet te veel in de weg liepen en ook anderszins geen schade konden aanrichten.

Bij het voetballen werden de meisjes naar een ander veld gestuurd, en hield de gymleraar zich vooral bezig met de jongens. Een klasgenote stelde voor dat Ewout en ik voortaan met de meiden mee zouden voetballen. We legden het voor aan de gymleraar, die ermee instemde op voorwaarde dat Ewout en ik dan wel altijd tegen elkaar zouden spelen. De rest van het seizoen heb ik een hoop lol gehad met voetbal, waarschijnlijk de enige periode in m’n leven dat ik er écht plezier in had.

Met het bord op schoot op zondagavond? Ook geen goed idee, maar dat heeft meer met mijn onhandigheid te maken. Ik zet het bord wel gewoon op tafel. En dan kijk ik niet naar Studio Sport.

Morse

Soms kom je in een boek of in een tv-serie een personage tegen waarvan je denkt: goh, met zo iemand zou ik graag eens een biertje drinken.

Inspector Morse was niet zo iemand.

Toen ik Morse leerde kennen, aan het eind van de jaren ’90 op televisie, was hij een nukkige man. Een belezen, intelligente, goed ontwikkelde, maar bovenal nukkige man. Een inspecteur die er bovendien onorthodoxe methodes op na hield, en daarmee de plank nu en dan behoorlijk missloeg. Niet zelden waren zijn eerste gedachten over de dader van een misdrijf willekeurige slagen in de lucht.

En toch… Natuurlijk was Morse ook een intrigerend personage. Dat moet wel, anders had hij nooit de bekendheid gekregen die hij kreeg. En natuurlijk had hij ook sympathieke kanten. Zijn mededogen met de verschoppelingen, zijn afkeer van holle opsmuk. Zijn liefde voor hoge cultuur naast (vooral in de boeken) zijn interesse in de lage cultuur.

Morse was een round character, een man die in de tijd veranderde. Een man waar nog verhalen áchter zaten.

De afleveringen van de tv-serie hadden een prettig langzaam tempo. Geen wilde achtervolgingen, geen flitsende actie, wel veel pratende of zwijgende mensen. Dat sprak me aan. Auteur Colin Dexter zei daar zelf eens over dat dat ook was wat de televisiemaatschappij op dat moment zocht, weg van de overdreven actie van Amerikaanse series. Of, zoals één van de betrokkenen het omschreef: “Dexter’s idea of any sort of thrill in a story was to get two aged Classics professors arguing about Aristotle in the Sheldonian.”

Dat Morse in de eerste afleveringen ook nog een plank vol Wisden Cricketers’ Almanacks bleek te hebben, voor liefhebbers zeer herkenbare boekjes (ik heb ook zo’n plank vol), maakte hem in mijn ogen nog sympathieker. Maar dat bleek een vergissing van de set dresser: Morse is op zijn best geen fan van die sport. De boekjes maakten geruisloos plaats voor platen en musicassettes (die in een latere aflevering bij een brand deels verloren gingen). Maar er bleef genoeg herkenbaars aan Morse over, zoals zijn liefde voor literatuur, cryptogrammen en Engelse bier. Door Morse kwam ik trouwens ook op het spoor van opera.

Toen ik de serie bijna compleet op video had opgenomen en heen en weer gespoeld, begon ik aan de boeken. De tv-bewerkingen bleken tot mijn plezier de boeken niet slaafs te volgen. Sommige boeken werden zelfs geschreven ná de tv-aflevering. Zo werd The Wolvercote Tongue uit 1987 in 1991 herschreven als The Jewel that was Ours. Colin Dexter hield de grote lijn van het verhaal in stand, maar veranderde dader, motief en modus operandi op een slimme manier. Twee Morse-verhalen uit parallelle universa.

Morse overleeft zijn literaire universum niet. Zowel in de boeken als in de tv-serie begeeft zijn hart het, na een niet al te gezond leven. Acteur John Thaw, die Morse briljant gestalte gaf, overleed niet lang na zijn laatste optreden, zodat we zeker weten dat een wederopstanding er niet in zit.

Als ik iemand uit het Morse-universum in het echt zou willen ontmoeten, dan zou het zijn geestelijk vader zijn.

Colin Dexter studeerde klassieke talen in Cambridge en werd vervolgens leraar. Eind jaren ’60 kreeg hij zodanig last van zijn gehoor dat hij het doceren moest opgeven en een ambtelijke baan bij de universiteit van Oxford aannam. Tijdens een vakantie begin jaren ’70 schreef hij zijn eerste Morse-boek, Last Bus to Woodstock, waarin de inspecteur en zijn adjudant nog nauwelijks in leeftijd schelen.

Dexter werkte nauw samen met de tv-bewerkers van zijn personages. In veel afleveringen heeft hij cameo’s. Als er in een scène in een bar ergens op de achtergrond een vriendelijk mannetje een glas bier heft, kun je er bijna zeker van zijn dat dat Colin Dexter is. Je ziet hem terug in het publiek bij de concerten waar Morse naartoe gaat, of als don in de galerijen van de colleges. Hij duikt tot aan zijn dood in 2017 ook op in de latere spin-offs, Lewis (over adjudant Robbie Lewis die na de dood van Morse zelf inspecteur wordt) en Endeavour (die het begin van de carrière van Morse toont). In die laatste serie verschijnt trouwens de dochter van John Thaw als de oudere verslaggeefster met wie de jonge Morse een bijzondere band heeft. Het Morse-universum is er een met vreemde verbindingen.

In interviews kwam Dexter op mij altijd over als een sympathiek mens. Een auteur die trots was op zijn creaties, en niet te beroerd om anderen met zijn speelgoed te laten spelen. Een gulle man. Iemand met wie ik graag een biertje had gedronken in een Oxfordse pub.

Goedgekeurd!

Ik was definitief goedgekeurd voor de militaire dienst. Dus nu moest ik ook maar waarmaken wat ik al eerder had geroepen: ik zou dienstweigeren.

De procedure in die tijd was redelijk overzichtelijk: je deed eerst een formeel beroep op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst, het rekest. Dat werd dan in behandeling genomen door de Beoordelingscommissie. Het hoefde strikt genomen niet, maar het was wel verstandig om ook een schriftelijke verklaring in te leveren, de toelichting. Dan kreeg je een gesprek met één commissielid, de enkelvoudige kamer, en kon je in principe al erkend worden. Was men nog niet overtuigd, dan volgde een gesprek met drie commissieleden, de meervoudige kamer. Eventueel kon je dan ook nog met een psychiater of een met een maatschappelijk werker praten. En als het dan nog steeds niet wilde lukken, kon je nog in hoger beroep bij de Raad van State, maar dan was je inmiddels al een tijd onderweg.

Waarom ik het nog allemaal zo goed weet is omdat ik nog jarenlang actief bleef bij de Utrechtse afdeling van de Vereniging Dienstweigeraars en het riedeltje regelmatig afstak tegen jongens die in dienst moesten.

Maar eerst was ik zelf aan de beurt. Ik diende mijn rekest in en schreef als toelichting een vlammend betoog (vond ik zelf) tegen mijn aanwezigheid in de Nederlandse krijgsmacht. Op 2 februari 1984, een donderdag, kon ik me verantwoorden bij de enkelvoudige kamer.

Je mocht een vertrouwenspersoon meebrengen. Ik vroeg eerst mijn vader, die zelf ook had geweigerd in een tijd dat dat nog helemaal niet zo voor de hand lag (en de procedure een stuk zwaarder was). Maar hij was docent en had verplichtingen die hij nu niet kon weigeren. Daarna vroeg ik het Han, mijn lerares Latijn, maar die had hetzelfde probleem als mijn vader. Daarna vroeg ik het Douwe, onze godsdienstleraar. Die had wel tijd, en zin bovendien.

Douwe was zelf ooit als beroepsmilitair begonnen, maar had (zoals hij het me zelf eens vertelde) in de late jaren zestig het licht gezien. Toen was hij theologie gaan studeren en PSP gaan stemmen.

Zo wandelden we op de 2ᵉ februari naar de Knoopkazerne, waar ik ook was gekeurd. Onderweg werden we nog aangesproken door een aanhanger van een sektarisch clubje, die ons op de man af vroeg of we wel eens over de wereldvrede nadachten.

“Elke dag, en zeker nu!” lachte Douwe en we liepen snel door.

In de Knoopkazerne werden we opgevangen door een ouder mannetje, waarvan ik vermoed dat hij nog bij de laatste lichting KNIL had gezeten.

“Hoe heet jij?” vroeg hij een beetje stijf terwijl hij ons naar een wachtkamer bracht. Ik stelde me netjes voor.

“En jij?” vroeg hij aan Douwe.

Douwe stak meteen enthousiast zijn hand uit. “Ik ben Douwe! En wie ben jij?”

Op zoveel vrolijkheid had het mannetje blijkbaar niet gerekend. Hij mompelde nog wel een antwoord, maar een naam kon ik er niet in horen. Hij installeerde ons met koffie in de wachtkamer, waar hij ons even later ook weer uit ophaalde.

Het commissielid was een mevrouw. Ik meen me te herinneren dat ze in het dagelijks leven rechter was, maar dat kan ook een hersenspinsel zijn. Ze was vriendelijk maar gereserveerd. Het mannetje bleek de griffier te zijn.

De dame controleerde mijn persoonsgegevens. Daarna vroeg ze aan Douwe wat zijn relatie tot mij was.

“Ik ben Roelofs godsdienstleraar en dominee,” zei Douwe glunderend.

De dame keek in mijn toelichting, waar ik in ongeveer de eerste alinea uitlegde dat ik niet gelovig was en dus voor mijn gewetensbezwaren geen beroep kon doen op heilige boeken. Ze zei er niets over.

Daarna volgde het gesprek. Ik vond het niet leuk, hoewel de dame vriendelijk bleef.

Wat ik zou doen als ik wist dat er een vliegtuig met een atoombom op de stad af koerste, en ik de beschikking had over geschut waarmee ik dat vliegtuig kon neerhalen, uiteraard ten koste van de bemanning van het vliegtuig?

Wat moest je daar nou op antwoorden… Later, toen ik zelf als vertrouwenspersoon meeging met andere weigeraars, zag ik het patroon van de gesprekken. Nu maakte het me boos. Ik zei naar waarheid dat ik het niet wist, en dat die situatie nu in ieder geval niet aan de orde was.

Maar wat áls?

Dat wíst ik dus niet. Dat was afhankelijk van zoveel factoren dat ik daar nu niet zomaar een antwoord op kon geven. Alleen maar dat ik, áls ik al gebruik zou maken van dat geschut, dat alleen op eigen verantwoordelijkheid zou willen doen, niet omdat iemand anders me daar opdracht toe gaf.

De dame knikte. Door naar het volgende absurde voorbeeld.

Het gesprek duurde geen twintig minuten, maar voor mijn gevoel hadden het ook uren kunnen zijn. Ten slotte vroeg ze aan Douwe of hij nog iets had toe te voegen.

Douwe zei dat hij mij kende als een oprecht en eerlijk persoon, zoiets, de precieze woorden weet ik niet meer want het borrelde nogal in mijn hoofd.

Ze gaf ons allebei vriendelijk een hand. Daarna bracht het mannetje ons weer naar de uitgang.

“Dat ging goed!” zei Douwe enthousiast toen we buiten stonden. Daar dacht ik heel anders over. Ik had geen pasklare antwoorden gehad, ik had vast niet voldoende duidelijk gemaakt wat ik bedoelde…

“Welnee joh,” zei Douwe. “Volgens mij heb je het prima verwoord. Dat zit echt wel goed hoor.” Douwe had eerder voorspeld dat ik met mijn slechte ogen, neus en rug vast wel werd afgekeurd, dus ik had mijn reserves.

Op 29 februari kreeg ik bericht van de Beoordelingscommissie. Ik was erkend als gewetensbezwaarde en mocht nu een vervangende burgerdienst vervullen. Wéér goedgekeurd!

(Wordt vervolgd…)

Soms

Soms is het getik van
regen op de boombladeren
hetzelfde als het getik
van de bladeren op elkaar.

Soms klinken auto’s die
op nat asfalt rijden
hetzelfde als auto’s
die op droog asfalt rijden.

Soms maakt het
niet uit of het regent
of niet.

Tribale serotonine

Tribale serotonine. Ik had er nog nooit van gehoord, totdat ik bij de lunch De Nieuws BV aanzette. Het ging, alweer, over die demonstratie in Amsterdam, en of dat nou echt niet anders had gekund. Zucht…

Ik heb het snel even gegoogeld, tribale serotonine. Vier hits, en allemaal onder verwijzing naar dr. Danielle Braun. Aha, dat was ook de dame die ik hoorde. Dat worden dan binnenkort dus vijf hits.

Volgens haar willen we allemaal graag die tribale serotonine voelen en klitten we daarom dus in groepsverband bij elkaar.

Om eerlijk te zijn: ik hou helemaal niet zo van bij elkaar klitten in groepsverband. Wat dat betreft waren de afgelopen maanden niet echt een heel groot probleem voor mij (dat we ook niet bij elkaar mochten klitten in heel kleine groepjes vond ik wél naar). Ik heb in mijn jonge jaren meegedaan aan een aantal grote demonstraties, maar ik voelde me nooit echt op mijn gemak. Grote popconcerten, druk bezochte festivals — bij mij komt de tribaleserotoninemeter zelden van de nul af.

Eén keer had ik ineens dat overweldigende gevoel. 23 oktober 1983, de grootste demonstratie ooit in Nederland: 550000 mensen bij elkaar in Den Haag tegen de kruisraketten. Maar daar gebeurde het nog niet.

Ik was er met een paar schoolvrienden naartoe met de trein. Ergens aan het einde van de dag, op weg naar het station, raakten we elkaar kwijt, zodat ik in mijn eentje de trein terug pakte — eenzaam maar bepaald niet alleen. De trein was propvol maar de sfeer was ontspannen. Er ontstond een Mexican wave, al moest dat begrip nog een paar jaar wachten op erkenning: mensen begonnen te juichen, en dat gejuich plantte zich als een golf voort door de trein. Het was geweldig, maar nog niet dat gevoel.

In Utrecht bleef ik nog een poosje op het perron wachten, in de hoop mijn vrienden uit een andere trein te zien springen. Een paar perrons verder kwam de volgende lading aan. Vanuit de verte hoorde ik weer dat geluid door die trein golven, nu voor mij heel duidelijk van links naar rechts en weer terug. En tóén had ik dat overweldigende gevoel. Misschien wel omdat er op dat moment niet teveel mensen om me heen klitten.