Moestuin met warm bad

Ooit was ik verslaggever bij een sporttoernooi. Ik lieg niet. Het medium waarvoor ik werkte was ’t Berkeblad, schoolkrant van het Christelijk Gymnasium Utrecht, en het toernooi was de GOTA. Dat stond voor Gymnasiale Ontmoeting Te Arnhem. Het was een reeks sportwedstrijden tussen gymnasiasten uit heel Nederland, die allang niet meer aan Arnhem was gebonden.

Drie deelnemers logeerden bij ons thuis. Ze kwamen uit Breda (zodat we ze nu nog steeds aanduiden als ‘de drie van Breda’). Aardige jongens, maar wel echte sporters. Daar had ik verder niets mee. Ik vond het wel leuk om er gehuld in een oude regenjas van m’n vader rond te wandelen, met een fototoestel om de nek en een opschrijfboekje in de hand.

Mirjam Remie, Het gymnasium (2022)

Ik moest er aan terugdenken toen ik het boek Het gymnasium las van Mirjam Remie. In dat boek geeft Remie een kijkje in de gymnasiale keuken. Ze laat ook een aantal bekende gymnasiasten aan het woord. Onder hen is Dominique van der Heyde, chef politiek bij de NOS, die het Arnhemse gymnasium bezocht. Haar grootvader was er rector en de initiator van de GOTA.[1]

Mijn eigen dierbare school komt er in het boek bekaaid vanaf. Alleen generatiegenoot en schoolvriendin Petra de Koning (ook politiek journalist, bij de NRC) komt aan het woord. Ze vertelt over de Rome-reis die zij en een aantal klasgenoten zelf maar organiseerden, bij gebrek aan scolaire activiteit in die richting. Ik was toen net van school af. Zelf ben ik nooit verder gekomen dan een paar kilometer over de grens met Duitsland, waar mijn klas de omgeving van Xanten bestormde alsof de Germaan na 2000 jaar alsnog moest boeten voor de schande die de legioenen van Varus was aangedaan.

Het was best een aardig boek. Veel herkenning, want al figureert het CGU er verder niet in, al die vooral categorale gymnasia lijken op elkaar. Overal dezelfde enigszins vrijgevochten sfeer.

Remie (in het hoofdstuk ‘Hoe vrijer, hoe beter’): “Natuurlijk is niet elke school zo ‘vrij’ en ‘rommelig’, in de woorden van mijn geschiedenisleraar. Het geldt bijvoorbeeld al meer voor de stedelijke gymnasia dan voor de christelijke. En het gold vroeger meer dan nu.” Ons christelijk gymnasium was overigens behoorlijk vrij en rommelig, toen ik daar rondliep.

Al lezende spookte wel de vraag door mijn hoofd voor wie dit boek is geschreven. De algemene boodschap lijkt te zijn: het zelfstandig gymnasium wordt (alweer) bedreigd door onderwijshervormingen, en dat is niet terecht — het is een schooltype als ieder ander met bestaansrecht, en het is vooral niet zo elitair als sommigen wel lijken te denken.

Maar ik kan me bijna niet voorstellen dat iemand die geen gymnasium in de rugzak heeft, dit boek leest en denkt: OK, goeie schoolsoort, die moeten we zeker behouden. Klinkt misschien een beetje elitair, en zo is het ook bedoeld.

Toen ik naar het gymnasium ging, had ik geen idee waar ik zou belanden. Ik kwam van een openbare lagere school, waar ik weliswaar één van de slimmere leerlingen was, maar voor mijn gevoel geen culturele of intellectuele hoogvlieger — voor zover je als elfjarige in staat bent om daar iets zinnigs over te zeggen met betrekking tot jezelf.

De eerste twee jaren waren voor mij watertrappen in diep en koud water. Ik bleef zitten, en dat werd mijn redding. Plotseling kwam ik in het warme bad dat het gym daarna voor mij bleef. Toen pas ontdekte ik de culturele moestuin die daar voor je werd aangelegd. Ik genoot daar zo van dat ik na drie jaar nog maar eens bleef zitten. Daar deed de school ook niet moeilijk over, toen, al zal dat tegenwoordig wel wat anders zijn onder de druk van rendementen die behaald moeten worden. Voor mij was het nog een extra jaar cultuur snuiven.

Dat ik eigenlijk een echte bèta was, daar deed niemand moeilijk over. Grieks liet ik vallen zodra dat kon, en Latijn bleef watertrappen in een net iets te diep meertje, al was het water wel wat aangenamer geworden. Ik klom er voor het eerst op een podium, eerst met cabaret en daarna toneel, ik zag er mijn eerste ‘arthouse’-films, ik leerde er echt lezen en schrijven. Ik heb er heel veel geleerd.

Al die tijd heb ik nooit het gevoel gehad dat ik bezig was toe te treden tot een zekere elite, terwijl dat natuurlijk wel zo was.

‘Elite’ heeft de connotatie dat het een gesloten bolwerk is waar je alleen binnenkomt als je de geheime code kent, een voorstelling waarvoor je pas kaartjes kunt krijgen als je al kaartjes hebt. Dat was het niet, in ieder geval niet bij het Christelijk Gymnasium Utrecht.

Alleen… Ik kwam er natuurlijk niet als tabula rasa binnen, een blanke lei. Pas achteraf stel je vast dat die culturele moestuin ook een zekere voedingsbodem moet hebben gehad. En die voedingsbodem kwam vooral van ouders die goed opgeleid waren, die je boeken lieten lezen en meenamen naar musea en concerten en theaters en die je wezen op de geschiedenis van het land waar je op vakantie was en al die dingen meer. Toch een soort elite.

Waarmee ik niet wil zeggen dat een gymnasiast alleen maar kan opbloeien als-ie op voorhand al een gymnasiast was. Ik denk dat het CGU, in mijn tijd in ieder geval, het soort school was dat iedereen toeliet tot de moestuin om er naar eigen gading alles te plukken.

Dat dergelijke scholen er moeten zijn, dat lijkt me een no-brainer. Maar ik weet niet of het boek van Remie veel mensen gaat overtuigen, anders dan de mensen die daar toch al van overtuigd waren. Het is de aanprijzing van een warm bad, voor mensen die daar al in gelegen hebben.

Mirjam Remie, Het gymnasium, het verhaal van een eigengereid schooltype, Amsterdam, 2022 (uitgeverij Prometheus)

Noten

  1. Van der Heyde heeft het over de Gymnasiale Olympiade, niet Ontmoeting. Maar al wat ik ervan heb kunnen vinden spreekt over die Ontmoeting, en zo herinner ik het me zelf ook. Bestaat de GOTA eigenlijk nog?

Gat op de wereld

Wat is een gat anders dan niets om de wereld door te zien?

Gisteren keek ik door een gat dat was gemaakt door Will Beckers en ik zag de skyline van Almere. Het gat heet De uitkijk en het staat op de rand van de Floriade, op een oever van Utopia Island. Als je door het gat kijkt, heb je je rug gekeerd naar een gebied dat is ingericht als urbaan landbouwgebied, en zie je een stad die is verrezen met zijn rug naar polderlandbouwgebied dat nog geen acht decennia geleden als zeer modern gold. Het gat verbindt heden met verleden.

(Tekst gaat door onder de afbeelding.)

De uitkijk van Will Beckers, Floriade 2022, Utopia Island

Het beeld is eenvoudig. Een gat gevlochten van wilgentenen — Beckers wordt ook wel the willowman genoemd[1] — dat naadloos past in de afschutting van natuurlijk hout die om het gebied is gevlochten.

Gaten zijn bijna per definitie eenvoudig. Wat is een gat immers anders dan niets dat je zelf invult? Vaak wordt het gat echter niet gedefinieerd door zijn eigen leegte maar door waar het uitzicht op biedt.

Vandaag werd de eerste ‘foto’ gepubliceerd van het zwarte gat in het centrum van ons melkwegstelsel. Het ontroerde mij, net zoals het gat van Will Beckers mij gisteren op de een of andere manier ontroerde, al zijn deze gaten van totaal andere dimensies.

(Tekst gaat door onder de afbeelding.)

Het zwarte gat in het centrum van het melkwegstelsel, Event Horizon Telescope (https://eventhorizontelescope.org/)

Als jongetje was ik net als veel jongetjes diep geïnteresseerd in dino’s — ik schreef daar al eens een blog over. Maar de dino’s maakten ergens na mijn twaalfde levensjaar plaats voor zwarte gaten. De exacte aanleiding is verdwenen in het zwarte gat dat geheugen heet. Er was iets op televisie, een verbeelding van wat een astronaut ziet die met de lichtsnelheid reist, van wat er met een ster gebeurt die zo zwaar is dat zijn sterven bestaat uit een begrafenis in zichzelf.

Een zwart gat heet zo omdat materie zo zwaar opeen gepakt raakt dat niets meer kan ontsnappen aan de zwaartekracht ervan, zelfs licht niet. Dino’s bestaan niet meer maar we kunnen nog zien wat er van ze is overgebleven. Zwarte gaten bestaan maar we kunnen ze per definitie nooit zien.

En dan toch een foto? Hoe dan?

Ik kan het (een beetje) uitleggen maar dat ga ik hier niet doen. Deels omdat dat veel te veel ruimte inneemt — een zwaar onderwerp dat ruimte inneemt vormt zijn eigen zwarte gat — en deels omdat me hier niet gaat om het zwarte gat als gat, maar om de verbeelding.

Als jongetje probeerde ik me voor te stellen hoe het zou zijn om een zwart gat te bekijken. Ik was niet de enige. Kunstenaars, schrijvers, filmmakers, ze hebben ze zich allemaal gewaagd aan het zwarte gat en er is er geen die mijn vraag heeft beantwoord.

Puur toevallig ben ik momenteel aan het lezen in Sailing Bright Eternity, een sciencefictionroman van Gregory Benford die zich afspeelt achter de zogenaamde waarnemingshorizon van het zwarte gat in het centrum van de melkweg. Benford is theoretisch fysicus, hij weet waarover hij praat. Hij weet het alleen niet zo goed te verwoorden.

Het dichtst bij kwam nog Gerard ’t Hooft, ook theoretisch fysicus en nobelprijswinnaar, van wie ik als student ooit een colloquium mocht bijwonen dat ging over wat er gebeurt met virtuele elementaire deeltjes-paren op de waarnemingshorizon, en waarom zwarte gaten op de verschrikkelijk lange termijn zullen verdampen ondanks dat er niets kan ontsnappen aan hun greep.

Het was geen poëtisch antwoord. Zeer goed verwoord, ’t Hoofd is niet voor niets een nobellaureaat, maar niet poëtisch.

Nu is er dan die ‘foto’.

Het is niet eens de eerste afbeelding van een zwarte gat. Drie jaar geleden maakten astronomen er al een van het zwarte gat in het centrum van sterrenstelsel M87.

De afbeeldingen lijken erg op elkaar. Maar dit is wel ‘ons’ zwarte gat. Het komt, om maar eens een populaire uitdrukking te gebruiken, dichtbij. En het verbindt voor mij heden en verleden op een kosmische schaal, zoals het gat van Beckers dat doet op menselijke schaal.

Ik kan het niet goed genoeg onder woorden brengen, en ergens voelt dat als een gemis, een gat.

Ik zoek nog naar invulling, want het zwarte gat zelf geeft die niet. Zoals Beckers vorm heeft gegeven aan een gat, zo hoop ik dat ook nog eens te kunnen.

Noten

  1. Er staan diverse kunstwerken van Beckers op de Floriade. Mij spraken ze enorm aan. Ik was trouwens sowieso aangenaam verrast door de Floriade. Ik was nog nooit naar een editie daarvan geweest, maar liet me meeslepen door mijn moeder en een neef van haar die als vrijwilliger betrokken is bij de ontwikkeling van Utopia Island. En ik heb er geen seconde spijt van gehad. Gaat het zien!

Hé Henny!

Ik moet iets bekennen. Ik heb Doe Maar nooit live gezien. Wel de diverse leden van Doe Maar, in verschillende groepen en hoedanigheden.

Toen Doe Maar groot werd was ik al een serieuze jongvolwassene. Doe Maar, dat was voor meiden. En knullen zoals mijn vijf jaar jongere broer Diederik, die ging naar Doe Maar.

Maar ok, ze hadden wel lekkere nummers. En toen mijn broer voor zijn verjaardag het album 4us kreeg en hij dat toch wat minder leuk vond nam ik het graag van hem over. Mij sprak die wat pessimistischer toon wel aan. Niet dat ik ervoor voelde om naar een concert te gaan…

En toen viel Doe Maar uit elkaar. Nooit gezien. Jammer dan.

En toen werd het augustus 1989, en trad Doe Maar — nee! traden de léden van Doe Maar op als The Magnificent Seven bij de Utrechtse studentensociëteit Veritas, als onderdeel van de universitaire introductieweek.

Mijn goede vriend, school- en studiegenoot Jan-Jaap was ‘iets’ bij Veritas, en zorgde ervoor dat ik en broer Diederik al binnen waren toen de deuren voor het concert opengingen. Vanuit een dakraam keken we toe hoe de Kromme Nieuwegracht volstond met toch eigenlijk wel weer het Doe Maar-publiek. Meiden en knullen.

Mijn broer was destijds al een beetje aan het rondsnuffelen in het muziektheater. Waarom weet ik niet meer, maar hij besloot dat hij wel even contact leggen zou met Henny Vrienten. Dat deed hij door, toen de band naar het podium liep, vrolijk “Hé, Henny!” te roepen naar de passerende bassist. Die reageerde daar niet op.

Toen de band afging voor een pauze herhaalde Diederik de truc. Met hetzelfde resultaat: geen reactie.

Pas de vierde keer, toen de band definitief het podium verliet, was het raak. “Hey!” riep Henny losjes terug. Alsof de spanning van het concert had plaatsgemaakt voor de losse after-party.

Diederik zou later nog vaak met Henny te maken krijgen, en dan als professionele lichtman (mijn broer, niet Henny natuurlijk), en ook met de andere leden van Doe Maar — met Ernst Jansz deelde hij behalve de verjaardag ook nu en dan een whiskietje.

Voor mij bleef Henny Vrienten op wat afstand. Ik ontdekte wel al snel dat hij als componist inmiddels een prachtig en zeer divers oeuvre aan het opbouwen was. Van heerlijke liedjes voor Sesamstraat en Klokhuis in de traditie van Harry Bannink tot sfeervolle en melancholische filmmuziek en alles ertussenin.

Ik zag hem live op het podium met Boudewijn de Groot en George Kooymans. Voor mijn gevoel waren dat artiesten uit een eerdere generatie, maar Kooymans was nog geen vier maanden oud toen Vrienten werd geboren…

En ik zag hem vele malen op tv, waar hij op mij altijd een enthousiaste, sympathieke en aangename indruk maakte. De aflevering met Henny Vrienten uit de Grote Harry Bannink Podcast is doordrenkt van diezelfde warmte.

Nu is het over, en ga ik Henny Vrienten nooit meer live zien. En gek genoeg doet me dat wat.

Een groot muzikant is van ons heen gegaan.

“Maar gelukkig hebben we de muziek” is een heel schrale troost.

Wat Kan, dat Moet!

Er was niets op tv, en dus zetten we een dvd op van Wim Kan.

We, dat zijn mijn moeder en ik. Wij zijn elk van een generatie waarvoor Wim Kan een ijkpunt was. De Grote Drie van het cabaret, dat waren Wim Kan, Wim Sonneveld, en Toon Hermans.

Ik behoor dan weer tot de generatie die geen van die drie nog echt in het theater heeft gezien. Ik had Kan kúnnen zien — mijn vijf jaar jongere broer ging nog met mijn moeder naar één van de laatste voorstellingen van Wim Kan in 1983, maar ik was daar niet bij,

Dat was toen.

Wie weet nu nog wie Wim Kan was?

Wim Sonneveld staat nog altijd in de Top 2000 met Het Dorp, en altijd om en nabij de 50ᵉ plek. Dat is bepaald niet onverdienstelijk, maar ik hoop dat hij in het collectief geheugen nog iets meer is dan dat.

Toon Hermans stond tot en met 2013 in de Top 2000 met 24 Rozen. Nooit hoger dan plek 706, dus wel ruim achter collega Sonneveld. Zijn versjesboekjes zijn wel nog steeds te krijgen, al is het lastig om erachter te komen hoe populair ze zijn.

Maar Wim Kan?

Mijn moeder heeft een dvd-boxje met drie schijven, waarschijnlijk door mijn vader ooit het huis in gesleept. Samengesteld door Bert Haanstra. (Bert Haanstra, iemand? Nee, ik mag toch werkelijk hopen dat Bert Haanstra nog onderdeel is van het collectief geheugen. Anders is het wel heel slecht gesteld met Nederland…)

Schijfje 1 bevat opgenomen maar niet uitgezonden conferences uit januari 1969 en mei 1973 over actuele zaken. Zeg maar: oudjaarsconference maar dan niet met oudjaar (en niet uitgezonden).

Nou was Wim Kan niet onbekend met het fenomeen oudjaarsconference. Tussen 1954 en 1966 hield hij er zes voor de radio, die zeer gewaardeerd werden. Eind 1973 was de eerste op televisie. Het werd een record, zowel in kijkcijfer als in waardering. Naar de volgende in 1976 keken 7,4 miljoen mensen — Nederland telde toen zo’n 12 miljoen inwoners — en ik was er één van en kan het me nog herinneren.

Maar in de coulissen stond de concurrentie al klaar, en die was niet mals. Freek de Jonge daalde in 1980 neer als mijn god op het toneel, met sneller harder completer cabaret dat totaal-theater was geworden. Ik ging in 1983 naar iets anders dan Wim Kan, al kan ik werkelijk niet meer bedenken wat.

Wim Kan, dat was de oude garde. Bejaard, en ook al snel daarna dood. Passé.

Dus ik was wel benieuwd wat ik er nu nog van zou vinden.

Begin jaren ’70 lagen de snelheden in alle opzichten behoorlijk lager dan tegenwoordig. Een aflevering van Q & Q (iemand?) duurde 25 minuten, maar die zou je nu gemakkelijk naar 15 tot max 20 minuten snijden en dan zou het nog kunnen worden weggezet als ‘gezapig’. Dus wat kon Kan, toen?

Nou, Kan was een kanon, toen.

Op hoog tempo, en messcherp. Inclusief snijdende dialoogjes met het publiek (“Ja u zit wel te lachen… Wat is uw naam?”). Nu zou je het stand-up noemen, maar destijds had je alleen Kan, dus toen noemde je het Kan. Kan-up.

En tijdloos. Ook toen waren er langdurige en onbegrijpelijke onderhandelingen over een nieuwe regering. De namen zijn veranderd maar het gekonkel niet. (De Jong, Den Uyl, iemand… — die zijn toch nog niet weg uit het collectief geheugen, in ieder geval Den Uyl. Of ben ik al zo oud?!?)

Ik heb zitten schuddebuiken van het lachen om grappen die na ruim 50 jaar nog actueel blijken te zijn.

Destijds was er een gezegde van Kan zelf: wat Kan kan, kan Kan alleen. Ik zeg nu (en zegt het voort!): Kan kan nog steeds, en het kan helemaal geen kwaad om het nog eens heel goed te bekijken.

Wat Kan, dat Moet!

24/7, of, oneerlijke verdeling

We maken ons tegenwoordig nog wel eens druk over de continue maatschappij. Alles is overal 24/7 beschikbaar. Wil je om 3.14 in de nacht nog een pizza voordat je met je dronken kop in de nachttrein stapt? Kan.

Ik moest wel een beetje lachen om een radioreclame van een financieel bedrijf dat er duidelijk trots op was “24/5 beschikbaar” te zijn.

Ha, watjes! Slechts vijf dagen in de week. Maar OK, gedurende die vijf dagen dan wel weer 24 uur. Arme helpdeskmedewerkers, want ik gok dat die het vooral zijn die geacht worden beschikbaar te zijn. De accountmanager komt z’n bed niet uit als jij om 3.14 problemen hebt met het betalen van je pizza. Het is oneerlijk verdeeld in de wereld.

Ik moest terugdenken aan mijn jeugd, toen de werkende wereld gewoon ophield op vrijdagmiddag om vijf uur. In Nederland — want ik herinner me ook mijn verbazing dat je in Frankrijk op zondagochtend vers stokbrood kon kopen.

Op zondag zat Nederland op slot. Er reden wel wat treinen en bussen en zo, maar beduidende minder dan op andere dagen van de week. En ’s nachts in ieder geval helemaal niet. Wanneer begon het nachtnet in Nederland? In mei 1986, lees ik op Wikipedia, en in eerste instantie vooral om late en vroege reizigers van en naar Schiphol te bedienen. Niet om dronken studenten de halve nacht door te kunnen laten slempen in andere steden.

Ik moest terugdenken aan Star Trek, waarvan ik als jongetje de eerste serie bekeek (op zondagmiddag, bedenk ik nu — dat dan dus wel).

Ik keek ernaar met een kussen binnen handbereik. Als het te spannend werd kon ik dat voor m’n gezicht duwen. Als ik die afleveringen nu terugzie blijken ze weliswaar onderhoudend, maar bepaald niet tenenkrommend spannend te zijn. Dat zal eerder met mijn leeftijd te maken hebben dan met de opkomst van de 24-uurseconomie, vermoed ik…

Wat ik me pas later ging realiseren is dat de continue maatschappij in Star Trek al een feit was. Immers, in de ruimte is het altijd de hele dag dag, of de hele dag nacht al naar gelang je standpunt. De Enterprise, en later de Voyager, zijn altijd in bedrijf. En dus is ook de bemanning altijd in touw.

Ten minste, bedacht ik pas onlangs, dat heb ik altijd aangenomen. Je ziet tenslotte altijd precies dezelfde bemanning. Er is één kapitein, één 1ᵉ officier, één dokter, één adviseur. Eén van alles. Sowieso uit strategische overwegingen niet zo handig, maar ook arbo-technisch niet slim.

Tenzij… Tenzij er een schaduwbemanning is, die ten minste de helft van de tijd het schip runt, maar die wij nooit zien! Een hele groep mensen die baldly go where no one has gone before zonder dat ze daar ooit de credits voor hebben gekregen.

Star Trek: The Night-Shift. Dáár hoor je nou nooit eens iemand over.

Het is nog altijd oneerlijk verdeeld in de wereld, zelfs in de toekomst…

Rauw, hees en teder

Ongeveer precies dertig jaar geleden verscheen het album Open van The Scene. Ik kocht het zodra het in de winkels lag.

The Scene, vond ik toen en vind ik nu nog steeds, is de beste Nederlandstalige rockband die er ooit is geweest.

Album Open van The Scene, maart 1992

Ik ontdekte The Scene een jaar of wat eerder, toen ik al kokende in mijn studentenkeuken op de radio het nummer Rigoreus voorbij hoorde komen: “En de klok zegt tik, tik / Tikt al mijn uren weg / Voor wie wacht komt alles steeds te laat.” Dat was waarschijnlijk in De Avondspits, het programma van dj Frits Spits, die ongemeen enthousiast kon worden als hij iets echt goed vond.

Eerlijk is eerlijk: ik weet niet meer of Frits Spits enthousiast was over The Scene, of over Rigoreus — de titel is verkeerd gespeld en daar zou taalmeester Spits over gevallen kunnen zijn. Ik was in ieder geval wel enthousiast. Kippenvel, dat was het, rigoureus en onverwacht.

Er waren toentertijd, begin jaren ’90, drie rockbands die in de moedertaal aan de weg timmerden. Nederland is nu eenmaal niet zo groot.

De Dijk was het populairst. Lekkere bluesrock die ergens een beetje aan The Rolling Stones deed denken, maar dan wat gezapiger. Ik was niet zo van The Stones, en ook niet zo van De Dijk.

Dan had je de Tröckener Kecks. Beetje hipper, beetje meer sophisticated, beetje alternatiever. De Kecks mocht ik wel.

En je had The Scene. Harde, rauwe rock. Op het eerste gehoor vrij rechtoe-rechtaan. Tot je echt naar de teksten ging luisteren.

Sodeju, dat was gewoon poëzie…

De Dijk, dat was ‘ik hou van jou, nu is het over, ik ben verdrietig’.

De Kecks, dat was ‘ik kijk in de spiegel en ik zie aan mijn ogen dat het over is’.

The Scene, dat was ‘iets houdt me vast en drukt me langzaam op mijn rug’.

Bam.

Gewoon poëzie, en dan ruig en ritmisch. Rauw, hees en teder.

Grappig genoeg werden de albums van The Scene in die tijd geproduceerd door Rick de Leeuw, frontman van de Tröckener Kecks. De albums van de Kecks werden intussen geproduceerd door Thé Lau, frontman van The Scene. Waarin een klein landje groot kan zijn.

Ik was niet zo’n concertbezoeker maar voor The Scene maakte ik graag een uitzondering. Met Pasen 1992 stond ik op Paasrock in de roemruchte Azotod in De Meern, waar ik nederpunkers De Heideroosjes zag (tja), De Dijk (nou vooruit, OK) en The Scene (wow).

Na Open volgden nog drie geweldige albums: Avenue de la Scene, de concertregistratie The Scene, en Arena. Dat laatste album was volgens velen niet zo toegankelijk, maar er staan prachtige nummers op.

Het hielp ook dat mijn lieve broer en toenmalig huisgenoot Diederik plotseling de lichtman van The Scene werd.

Op een zaterdagochtend zei Diederik: “Heb je wat te doen vandaag? Ik ga naar de fanclub-dag van The Scene, ga mee.” Ik was niet zo van de fanclubs, maar OK, niets te doen, The Scene altijd leuk, we zien wel.

De toegang was geen probleem want ik was de broer van de lichtman, maar omdat ik me een beetje bezwaard voelde om voor uitvreter door te gaan werd ik ter plekke lid van de fanclub Behind The Scene. Voor een tientje, meen ik.

Van tevoren was ik nog een beetje bang voor dweperige toestanden, maar niets van dat al. Er werd lekker aan de bar gehangen, en toen de band arriveerde voegden die zich even gemakkelijk aan de bar. Er werd afscheid genomen van toetsenist Otto Cooymans (een beetje een dingetje). Er werden cd-singles uitgedeeld van de eerste en achteraf ook laatste pogingen om de Duitse markt te veroveren (Diese Welt/Gefühl). En er was natuurlijk een optreden, met nummers van het net verschenen of nog te verschijnen album Marlene. Het was voorjaar 1998.

De kenner weet dan dat The Scene op dat moment al op weg was naar de uitgang. Na Marlene verscheen er geen Scene-album meer, afgezien van beste-vans en remakes met een enkel nieuw nummer. Schrijver-zanger en drijvende-kracht-achter Thé Lau deed nog wat solo-albums en toen kreeg hij kanker en ging dood. Mooier kunnen we het niet maken — zelf deed hij dat in ieder geval niet.

Een klein oeuvre bleef er achter. Maar het is wel het beste rock-repertoire dat er in het Nederlands is voortgebracht. Rauw, hees en teder.

736 | 168 | ~85000

Vandaag veranderden de laatste corona-maatregelen in adviezen. Nou ja, in een vliegtuig moet je nog wel een mondmasker op, maar verder is dat het dan.

Wie had dat gedacht, twee jaar en anderhalve week geleden…

Ik niet. Al had ik bij het verlaten van m’n werkplek op donderdag 12 maart 2020 tegen collega’s al wel een pessimistische verwachting uitgesproken: dat het wel eens wat langer zou kunnen gaan duren dan de twee weken die we op dat moment voorlopig zouden gaan thuiswerken. Tot en met de zomer leek me waarschijnlijker, met misschien daarna nog wat naweeën.

En om die tijd te overleven begon ik op 17 maart stukjes te schrijven. Dagen van corona noemde ik ze aanvankelijk, maar omdat dat wel erg naargeestig klonk veranderde ik het motto na een week in Kroon op de dag.

Eerst schreef ik dagelijks een stukje. Later, toen we weer wat ademruimte kregen maar ook vanwege allerlei persoonlijke omstandigheden die niets met corona te maken hadden, wekelijks of nog minder.

Het werden er met deze meegeteld 168, uitgesmeerd over 736 dagen. Bij elkaar ongeveer 85000 woorden. Dat is een aardig boekje — al zou ik ze er zeker niet allemaal in opnemen, en er ook nog wel even met een kritische blik overheen gaan.

En is het nu afgelopen?

Tja…

Ik ben van nature dus geen optimist. En ik ben er niet van overtuigd dat corona zich nu heeft teruggetrokken in de hoek met het bordje ‘onhandig maar geen echt probleem’.

Bovendien: Kroon op de dag is best een aardige titel voor een blogje.

Dus ik ga er nog maar even mee door, en hopelijk niet omdat het moet (want dan is corona weer uit z’n hoek gekropen) maar omdat het kan.

Plaatjes en verhalen

Ik schreef eerder al over het theatercollege Poëzie onder de microscoop, dat voortkwam uit een verblijf van dichter Rosa Schogt als artist in residence in het lab van medisch bioloog Renée van Amerongen.

Van Amerongen doet onderzoek op het snijvlak van de ontwikkelings-, stamcel- en kankerbiologie. Ze kijkt onder andere naar hoe cellen in het borstweefsel zich ontwikkelen, en wat het mechanisme is dat een gewone lichaamscel laat ontsporen met borstkanker als gevolg.

Van Amerongen brengt eiwitten uit het genetisch materiaal van kwallen in in de cellen die ze onderzoekt, waardoor die oplichten als ze onder bepaalde omstandigheden worden waargenomen. Dat maakt het gemakkelijker om de cellen te volgen en te zien wat ze doen. Het levert ook mooie beelden op, die tijdens de presentatie worden getoond.

Schogt vertelt dat ze erg haar best heeft gedaan om het onderzoek in haar poëzie te vatten, waar ze wat mij betreft goed in is geslaagd. Over de beelden zegt ze: “Ik vond al die foto’s overweldigend mooi. Ik weet niet of ik het kunst vind, maar ik vind het heel erg mooi om naar te kijken.”

Iemand in het publiek heeft daar een meer uitgesproken mening over: “Ik vind jouw gedicht wel kunst, maar die beelden niet. Want die beelden, dat is gefilmd, dat beweegt… Jij maakt verbindingen naar iets anders. Dat is wat wij doen, dat is wat mensen maken, die maken kunst. Die beelden, dat is eigenlijk de waarneming.”

Is dat zo, vroeg ik me af. Is een beeld alleen kunst als er expliciet verbindingen worden gelegd met iets anders dan het kale beeld van de foto? Dan zouden de foto’s van Henri Cartier-Bresson of Vincent Mentzel geen kunst zijn, en daar ben ik het in ieder geval al niet mee eens.

Natuurlijk, de beelden die Van Amerongen maakte waren eerst en vooral bedoeld als waarnemingen, onderzoeksobjecten. Maar ze hebben ook impliciete betekenis die verder kan gaan dan alleen maar een waarneming aan het reproductiemechanisme van een cel.

Die betekenis komt altijd van een mens, of het beeld nou expliciet bedoeld is als kunst of omdat er een verhaal in je opkomt bij het bekijken van het beeld.

Het beeld zelf is nooit meer dan het beeld. Fotonen die van een oppervlak komen en in je visuele systeem een reactie teweeg brengen, niets meer en niets minder. Pas in het hoofd van een mens wordt het kunst, zodra een beeld een verhaal oproept.

Schogt maakt haar versie van het verhaal expliciet in haar gedicht en daarom alleen al zou ik zeggen dat de beelden dus inderdaad voor haar kunst zijn geworden — ‘overweldigend’ is hier voor mij het sleutelwoord — maar zij vertelt slechts één mogelijk verhaal. Voor iemand die op enige manier te maken heeft met borstkanker zijn er vast nog wel andere verhalen die de beelden oproepen.

Zeggen dat de beelden geen kunst zijn want ‘eigenlijk waarneming’ doet de waarneming tekort.

Kunst begint met waarneming.

Zeker, niet iedere waarneming is kunst.

Het zou kunnen dat Vincent Mentzel een interpretatie in zijn hoofd heeft als hij een foto maakt van een politicus. Het is de vraag of de kijker die interpretatie precies zo maakt. Maar dát de foto’s van Mentzel verhalen oproepen maakt ze tot kunst, ongeacht wat de fotograaf oorspronkelijk bedoelde.

En uiteraard is niet ieder beeld voor iedereen even verhalend.

In 1995 maakte de Hubble Space Telescope één van de beroemdste foto’s in de geschiedenis van de astronomie (hieronder afgebeeld). Het beeld kreeg zelfs een eigen bijnaam: The Pillars of Creation. Het zijn drie reusachtige pilaren van interstellair stof, die zijn overgebleven uit een nog veel grotere stofwolk nadat jonge sterren met hun agressieve straling daar grote delen uit hebben weggeblazen. Ze zijn elk zo’n vijf lichtjaren hoog, dat wil zeggen dat een lichtsignaal er vijf jaar over zou doen om de pilaar te beklimmen.

Tekst gaat door na de afbeelding.

De Pillars of Creation in de Adelaarsnevel (M16), waargenomen door de Hubble Space Telescope[1]

Voor mij heeft die foto meerdere verhalen te vertellen. Hij zegt me iets over de enorme ruimte die er zich buiten onze aarde bevindt, over de geweldige en gewelddadige processen die zich daar afspelen. Ik zie er ook bijzondere vormen in. De ‘kop’ van de meest linkse pilaar zou een bizar ruimtewezen kunnen zijn, een mythologisch monster dat zich teweerstelt tegen de jonge sterren die het belagen.

De plaat heeft sowieso een aansprekende compositie. Je zou je kunnen voorstellen dat het een abstract schilderij is.

Kunst, dus. Ook al is het ‘gewoon een waarneming’.

Noten

  1. Deze foto is een scherpere opname uit 2014. De Adelaarsnevel bevindt zich op een kleine 7000 lichtjaar van onze aarde. De foto is overgenomen van https://hubblesite.org/contents/media/images/2015/01/3471-Image.html

Schermen

Vorige week was ik virtueel aanwezig bij wat ik nu even een theatercollege noem: Poëzie onder de microscoop. Dichter Rosa Schogt was in 2021 artist in residence in het lab van medisch bioloog Renée van Amerongen (UvA) en schreef gedichten naar aanleiding van het onderzoek. Ik ken Rosa persoonlijk, ik ben geïnteresseerd in zowel poëzie als wetenschappelijk onderzoek, dus ik was heel benieuwd.

“Is het lab een plaats voor poëzie?” vraagt de tekst op de website van Spui25[1], waar je het gebeuren trouwens ook nog kunt terugzien (doen!).

“Ja, waarom niet?” zou ik zeggen. Maar ik ben misschien niet helemaal maatgevend in dezen. Daar ga ik dus nog een blogje over schrijven.

Mijn gedachten dwaalden echter al meteen bij aanvang af. Ik schoot namelijk al in de lach nog voordat de bijeenkomst goed en wel van start was gegaan. Het grote scherm, waarmee het publiek dat daadwerkelijk in de zaal zat werd bediend, deed het niet… Nee, dat is natuurlijk niet om te lachen. Ik lachte dan ook niet omdat het leuk was, maar omdat ik het zo herkende.

Al meer dan vijftien jaar ben ik organisatorisch betrokken bij lezingen van het Natuurkundig Gezelschap te Utrecht [2]. Dat is de oudste nog bestaande natuurwetenschappelijke kring van het land, opgericht in 1777. Vroeger organiseerde het Gezelschap huiskamerbijeenkomsten voor en door de gegoede burgerij, waar hoogleraren letterlijk hun kunstjes kwamen demonstreren. Het waren een soort theatercolleges. De leden van het Gezelschap schaften de apparatuur aan, die de academici dan in bruikleen konden inzetten bij de universiteit. De derde geldstroom avant la lettre.

Die tijden zijn lang voorbij. Het instrumentarium van het Gezelschap verhuisde een kleine eeuw geleden naar het Utrechtse Universiteitsmuseum-in-wording en vormde er een belangrijk fundament van de collectie. De demonstraties zijn vervangen door lezingen van wetenschappers, in de plaats van de huiskamer is een collegezaal gekomen, en de ‘burgers’ in die zaal zijn academisch vaak niet minder onderlegd dan de sprekers. Het moderne instrumentarium bestaat nu meestal uit een laptop, aangesloten op de al aanwezige beamer in de zaal. Lichtbeelden zijn het medium — als alles het doet. En dat is zelden meteen het geval.

Het publiek bestaat vooral uit natuurkundigen, met een paar wis- en scheikundigen voor de diversiteit. Mensen met enig verstand van moderne technologie, zou je zeggen. Maar een presentatie laten beginnen blijkt telkens weer meer dan raketwetenschap. Hoe intelligent en technisch vaardig spreker en publiek ook zijn, er is toch altijd weer een volgorde van handelingen die de enig juiste is, maar nooit de eerste die wordt uitgevoerd, of de tweede.

Eerst de laptop aansluiten op het kastje waar ook de beamer naar luistert, dan pas de laptop áánzetten, dan de beamer aan. Nee, éérst de laptop aanzetten en de presentatie klaarzetten, en dán pas verbinding met de beamer maken. Of, nee, éérst de beamer aanzetten (die moet immers ook nog opwarmen), dan de laptop aan, dan— Nee? Nee…

Gelukkig komen de sprekers, die het fenomeen vaak ook van hun thuisbasis kennen, ruim op tijd om een en ander in te regelen. Zodat we meestal ook echt kunnen beginnen op de aangekondigde tijd van acht uur. Die thuisbasis is ook wel eens dezelfde zaal omdat ze zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht, maar dat geeft geen garantie op een probleemloze start.

Eenmaal was de spreker een Utrechtse sterrenkundige (wiens naam ik zal verzwijgen) die van tevoren had aangekondigd dat hij een nieuwe laptop had, en of het misschien handig was als we alles eerst even testten voordat hij aan zijn verhaal zou beginnen?

Geen probleem, mailde ik hem terug, ik was juist om die reden altijd een kwartier van tevoren al in de zaal.

Hij niet. Hij kwam pas een paar minuten voor aanvang binnen. De laptop, zei hij enigszins buiten adem, was een splinternieuwe. En het was ook voor het eerst dat hij een presentatie met de computer gaf. Bij het laatste grote sterrenkundig congres waar hij een spreker was, had de organisatie alleen voor hém nog een overhead-projector moeten regelen. Alle andere sprekers werkten inmiddels met laptops. Hij nu dus ook.

De laptop bleek te draaien op linux. Als de lezer geen idee heeft wat dat is: laten we zeggen dat het geen Windows is, en ook geen Apple, dat er vele varianten van zijn, dat deze sterrenkundige had gekozen voor een exotische variant, en dat dat in zichzelf geen bijzondere keuze is want natuurkundigen hebben een ingeboren neiging om te kiezen voor een systeem dat andere mensen níét hebben.

De laptop weigerde categorisch op enige manier te communiceren met de beamer. Welke volgorde van aanzetten en aansluiten van de componenten ik ook probeerde, niets werkte.

De sterrenkundige stond er werkloos naast, ik was tenslotte een organisator en daarmee de techneut van dienst. Ik suggereerde dat hij misschien wat inleidende woorden kon spreken, maar nee, daarvoor was toch echt de eerste slide van de presentatie nodig, en die zat vooralsnog in een zwart gat waaruit geen ontsnapping mogelijk leek.

Waarop ik, om geen interstellaire stilte te laten vallen, dan maar met luide stem uitleg gaf bij wat ik aan het doen was. Ik heb nooit last gehad van podiumangst, dat hielp.

Het publiek, met daarin ook een aantal reguliere ‘gebruikers’ van de zaal, riep hulpvaardig allerlei aanwijzingen, die geen van alle werkten.

Uiteindelijk lukte het tegen half negen om de presentatie op het grote zaalscherm in beweging te krijgen. Vraag mij niet hoe — het werkte. Technologie blijft een vorm van magie.

Veel poëzie zat er niet in de avond, hoewel plaatjes van verafgelegen sterrenstelsel altijd indrukwekkend zijn. Maar ik wil graag denken dat ik het publiek in ieder geval een vorm van entertainment heb geboden die zeldzaam was in deze context.

Toch een soort theatercollege.

Rond geloof

Bij 2Doc Kort zag ik de korte documentaire Vier vrienden op een platte aarde[1]. De titel zegt het helemaal: vier vrienden trekken erop uit om aan te tonen dat de aarde niet rond is maar plat.

Nou ja, twee van de vier (naamloze) vrienden zijn overtuigd. De een had zelfs een epifanie: op een dag hoorde hij dat de zon veel dichter bij de aarde staat dan ons altijd wordt verteld; hij stapte naar buiten en zag dat het zo was.

Een derde zegt, in afwezigheid van de anderen, dat hij ‘redelijk overtuigd’ is dat de aarde bolvormig is. Maar ja, om tegen je vrienden te zeggen dat ze niet sporen is ook weer zo wat, dus hij gaat mee op expeditie. Van de vierde krijg je niet echt hoogte. Hij doet enthousiast mee, laten we het daar op houden.

Het geloof in een platte aarde is de laatste jaren bezig aan een come-back. De Flat Earth Society[2] is een levendig gezelschap, waar je trouwens beter niet mee in conflict raakt. Ooit dacht ik dat dit mensen waren die knipogend gingen uitzoeken hoe ver je kunt komen met een wereldbeeld waarin de aarde plat is, niet rond. Een beetje zoals de aanhangers van het Flying Spaghetti Monster[3] laten zien hoe bizar religie kan zijn. Maar flat earthers maken geen grappen.

De vier vrienden hebben een experiment bedacht. Met een sterke laser, die een van de leiders ergens in Azië heeft laten maken, zullen ze vanaf het strand in Frankrijk een licht projecteren op de witte kliffen bij Dover. Eén van de leiders — zo noem ik het voortrekkende tweetal nu maar — zal daar ter plekke zal zijn. Als de aarde plat is, dan moet dat zonder problemen lukken. “Hoe gaan de wiskundigen dat verklaren?” vraagt de ene leider vol vuur. “Niet!” Als dit experiment slaagt zullen de flat earth-nieuwsgroepen er bol van staan.

Een van de leiders verzucht dat zijn overtuiging wel wat heeft gekost. Het goede contact dat hij altijd had met zijn zuster is er door vergaan. Ze denken dat je gek bent, stelt hij, maar dat is eigenlijk een afweermechanisme. Zijn kompaan knikt serieus zwijgend bij die woorden. Het zijn de anderen, niet zij, die ergens niet sporen.

Allebei de leiders zijn ervan overtuigd: er klopt helemaal geen ene bal van wat ons is geleerd. Letterlijk. Fysiek kan het geen bal zijn waarop wij leven.

Daar werd ik stil van.

Ik ben fysicus. Geen briljante, dat geef ik grif toe, maar ik weet veel meer van natuurkunde dan het overgrote deel van de wereldbevolking. Dat is geen opschepperij, dat is een feit. En alles wat ik ervan weet is: de wereld waarop wij leven moet een bol zijn. Zelfs als je er niets van kunt zien, dan moet het een bol zijn.

Waarom weet ik dat? Hóé weet ik dat? Dat echt goed uitleggen zou geen blog maar een reeks boeken opleveren, en dan nog is het maar de vraag of jullie, mijn niet-natuurkundige lezers, het tot in detail zouden begrijpen.

Klinkt dat arrogant? Misschien, maar zo liggen de zaken.

Een van de leiders van het viertal werkte voor Defensie. Hij reed onder andere als chauffeur van medische konvooien door Bosnië, door gebied dat door sluipschutters werd beheerst. Hij zag er een oude vrouw op straat vermoord worden.

Zou hij mij, een erkend dienstweigeraar, meegenomen hebben op zijn missies? Ik denk het niet. Zou hij mij het commando van zijn missie hebben toevertrouwd? Ik mag hopen van niet — dat zou heel onverstandig zijn geweest.

Het zou heel onverstandig zijn omdat ik helemaal niets weet van militaire missies. Mine would be the road to disaster.

Ik heb me daarentegen langdurig verdiept in de natuurkunde. Hoewel het in deze documentaire niet wordt gezegd, denk ik dat deze mannen net zo veel afweten van natuurkunde als ik van militaire missies. Toch storten ze zich kop over bol in deze natuurkundige missie. Dodelijk sluipschuttervuur zou hun deel geweest zijn in de eerste minuut van de actie, ware het niet dat fysici zich in het algemeen van andere middelen bedienen.

Waarom weet ik zo zeker dat onze aarde een bol is, ook al kun je dat niet op het eerste gezicht zien? Omdat Isaac Newton een kleine 350 jaar geleden opschreef hoe zwaartekracht werkt.

Dingen met een massa trekken andere dingen met een massa aan, daar komt het op neer. Een ding met massa trekt ook zichzelf aan. Gewoonlijk zie je daar niet veel van, maar als het ding heel groot is en zijn massa navenant ook, dan plooit het ding zich in een vorm waarin al zijn massa zo dicht mogelijk bij elkaar zit. Het maakt niet uit of het ding van steen is, van ijzer of diamant of willekeurig welk zwaar of hard materiaal. Desnoods wordt het materiaal met geweld vervormd, maar uiteindelijk plooit het zich in de optimale vorm.

Die optimale vorm is een bol.

Je kunt dat uitrekenen. Eerstejaars natuurkundestudenten doen dat meestal in een werkcollege Klassieke Mechanica, met een beetje hand waving omdat ze de benodigde wiskunde nog niet helemaal beheersen.

Je kunt het ook gewoon zien, boven ons hoofd. De maan is een bol, iets dat zelfs geharde flat earthers erkennen omdat het heel lastig is om de schijngestalten van de maan te verklaren als de maan geen bol zou zijn.

De massa van de aarde is vele malen die van de maan. Als de maan al een bol is, dan moet de aarde dat zeker zijn. Ook als je het niet kunt zien.

Het zou natuurlijk kunnen dat Newton fout zat en zwaartekracht niet werkt zoals hij het beschreef. Maar alles wat we zien in het heelal werkt wél zoals Newton het beschreef[4].

OK, zeggen de flat earthers. Maar hoe wéét je dat de aarde zo’n grote massa heeft?

Aha, zeg ik dan met de mond van de universele natuurkundige, omdat dingen op aarde zwaartekracht ondervinden. Het is de appel die Newton uit de boom zag vallen. Daaraan kun je uitrekenen hoe groot de massa van de aarde is. Een sommetje voor het eerstejaars werkcollege, zonder hand waving.

Kan zijn, zeggen de flat earthers, maar dat is een versnélling, want kracht is versnelling — “Newton, weet je wel!”. En die zou ook kunnen komen doordat de aarde, die helemaal niet zo zwaar is want eigenlijk een heel dunne platte pannenkoek, met een constante versnelling omhóóg beweegt. “Einstein, weet je wel, en frame of reference en alles!”

Ja, zeg ik dan (met de diepe zucht van de universele natuurkundige), maar een constante versnelling leidt onherroepelijk tot een snelheid die in de buurt van de lichtsnelheid komt. En dan zou je allerlei dingen moeten zien die we niet zien — Einstein, weet je wel.

Lang verhaal, dat nog veel langer zou moeten zijn om het echt uit te leggen. Eh… lang verhaal kort, wilde ik zeggen: natuurkundig klopt er helemaal geen bal van, van die platte aarde.

Maar natuurkunde is niet iets waar onze vier vrienden veel kaas van hebben gegeten.

Het experiment mislukt, want het laserlicht lijkt het Kanaal niet lekker over te komen. Het richten is lastig, er zijn schepen die passeren, en er is bovendien een beetje mist. En wat doet die mist, vragen de vier zich af. “Wordt die laser dan uit elkaar getrokken of zo?” vraagt iemand.

Je zóú dat kunnen uitrekenen, denk ik, bij voorkeur van tevoren. En er trekken begrippen als coherent en monochromatisch licht door mijn hoofd, want dat is waar ík bij een laser aan denk. Dat zal mijn gemiddelde lezer weinig zeggen, en deze mannen evenmin. Voor deze vier is een laser een sterke zaklamp. En de vorm van aarde is iets waarover je best van mening mag verschillen.

Al is voor de leiders wel duidelijk dat er ‘geen bal’ klopt van de dingen die we erover moeten leren.

En waarom zouden we daarover dingen moeten leren die niet kloppen, denk ik dan. Maar daarover blijven we bij dit viertal in het duister tasten, zoals zij dat blijven doen over hun experiment.

Wat mij betreft is er geen discussie over de vorm van de aarde. En dat komt niet door de vorm van de aarde, maar door de wetenschap die we natuurkunde noemen en die bij afleiding iets zegt over de vorm van de aarde. Dat kun je leuk vinden of niet, maar dat is wat mij betreft hoe de aarde in elkaar steekt.

Je kunt en moet discussiëren over het conflict in Bosnië, en over de legitimiteit van de sluipschutter die een oude vrouw doodschoot.

Maar de aarde is rond.

Alleen zijn er steeds meer mensen die denken dat hun aarde niet rond is. Nooit geweest. En schijt aan mensen die er echt iets vanaf weten. Dat baart mij ronduit zorgen, als natuurkundige maar vooral als mens.

Noten

  1. https://www.npostart.nl/2doc-kort/07-02-2022/VPWON_1334355
  2. https://en.wikipedia.org/wiki/Modern_flat_Earth_beliefs#International_Flat_Earth_Research_Society
  3. https://www.spaghettimonster.org/
  4. Dat is niet helemaal waar. De relativiteitstheorie van Einstein, zo’n honderd jaar oud, is een upgrade van de zwaartekrachtwet van Newton. Dat heeft veel interessante en ingewikkelde en subtiele gevolgen voor hoe het heelal ‘werkt’. Voor de bolvorm van een grote massa maakt het echter niet uit — tenzij de massa extreem groot wordt, maar dan hebben we het over vele malen de massa van de zon, die op zijn beurt vele, vele malen de massa van de aarde heeft. Ook volgens Einstein zijn de maan en de aarde ‘gewoon’ een bol.