Blauwe Schicht

Ik heb niets met auto’s. Nooit gehad. Als jongetje speelde ik wel met autootjes, maar zonder enig begrip van merken en types. Ik had twee neefjes die onderling eindeloze gesprekken konden voeren die voor mijn gevoel uit niet veel meer bestonden dan het om de beurt opnoemen van een type auto en daar dan instemmend of afkeurend op reageren. Ik begreep daar niets van.

Ik had ook niet echt iets met de auto’s die ons gezin achtereenvolgens vervoerden. Al moet ik toegeven dat ik wel een bandje voelde met de Volkswagen 1600 (station), die we geruime tijd hadden. Hij was van een donkergroene kleur die ‘olmengroen’ heette, en alleen al die kleuraanduiding had iets magisch — niet dat ik daar, ook toen al kleurenblind, een duidelijk beeld bij had, maar misschien ook wel juist daarom.

Hij had bovendien de motor achterin, onder het laadvloertje, zodat er onder de ‘motorkap’ een lege ruimte was waar bagage in kon. Toen mijn vader die klep aan het einde van de vakantie in Frankrijk opentrok om er de rest van de bagage in te bergen, ontlokte dat een verbijsterde reactie aan passerende Fransen. Ze keken nog eens goed, keken nog eens naar de achterklep (die al volgestouwd was met bagage): “Pas de moteur?!?” Mijn vader beaamde dat met een stalen gezicht: “Pas de moteur.”

Mijn oom Roelof, vader van één van de autoneefjes en zelf berijder van niet de goedkoopste modellen BMW, noemde de 1600 eens een bakkerskar. Het werd een geuzennaam.

Mijn eerste eigen auto was een Volvo 66. Een Daf-model, die nog van mijn oma was geweest en daarna van mijn moeder. Een knalrode Daf met racestrepen. Een variomatic, dus met het ‘pientere pookje’ zoals het in de volksmond werd genoemd. Diezelfde mond sprak ook iets minder liefkozend over ‘truttenschudder met jarretel-aandrijving’. Hij kon even hard achteruit als vooruit, en vooruit moest-ie volgens de snelheidsmeter tot 160 kunnen, vanwaar wellicht die racestrepen. Dat heb ik nooit geprobeerd. Wel heb ik hem, in de afdaling naar het Gouwe-aqaduct, een keer flink op zijn staart getrapt. Voorbij de 130 begon de boel onaangenaam te trillen, dus daar heb ik het maar bij gelaten.

Ooit trok ik bij een stoplicht op naast een hitsig proleten-modelletje. Ik won. Bij het volgende stoplicht sloot hij achter mij aan. In mijn zijspiegel zag ik de bestuurder uitstappen en naar mijn portier lopen. Een jonge gast, blijkbaar opgewonden. O jee… Hij tikte op mijn raam, dat ik zover liet zakken dat het zowel beleefd als veilig was.

“Dat is een gewéldige auto,” joelde hij. “Die moet je nóóit wegdoen hoor!” Dat heb ik vriendelijk toegezegd.

Later vertelde ik het verhaal aan mijn garageman, een Daf- en VolvoDaf-specialist.

“O, maar als je wilt kan ik hem nog wel wat opvoeren,” zei hij. “Dan leg ik er een motor van een Volvo 360 in, die past precies en is veel sterker. Krijg je nog wel een extra balk op de bodemplaat, tegen vervorming, maar dan ga je ook van 0 tot 100 binnen de 10 seconden.” Dat heb ik toen maar vriendelijk afgeslagen.

Uiteindelijk heb ik hem toch weggedaan — aan de Daf-man — omdat ik er veel te weinig in reed, en de accu vaker leeg dan vol was. Dat was het begin van mijn Eerste Autoloze Tijdperk, dat een decennium zou duren.

Toen kocht ik een caravannetje, en omdat dat ook getrokken moest worden toch ook maar weer een auto. Het werd een Volvo S60 deze keer. Weer een automaat, maar met een 2,4 liter motor, dus van 0 tot 100 in veel te weinig seconden was geen droom meer — met of zonder caravan erachter, dat maakte hem echt niet uit. Eerlijk is eerlijk: ik heb dat nooit geprobeerd, maar hij reed echt als een zonnetje.

Ik doopte hem de Blauwe Schicht, vanwege de donkerblauwe kleur (olmenblauw?) en met een knipoog naar de Oude Schicht, het trouwe vehikel van heer Bommel. Een heel fijne auto, betrouwbaar, een rots in de branding. Minder opvallend dan de Volvo 66, maar dat leek hem nooit te deren. Hij heeft me een aantal keer veilig naar Frankrijk gebracht, en weer terug. Maar alweer: ik reed er uiteindelijk veel te weinig mee…

Toen de oude Volkswagen Touran diesel van mijn moeder te horen kreeg dat-ie per 1 januari aanstaande de oprit niet meer af mag omdat de hele gemeente een milieuzone wordt, ontstond er een kleine crisis. Mijn Volvo was geen goed alternatief, want die heeft een te lage instap voor mijn moeder.

Via onze huidige garageman, die zowel de Volvo als de VW in behandeling heeft, kwamen we tot een vergelijk: we kopen samen een auto, die bij mijn moeder op de oprit komt te staan. Het is een Toyota Verso geworden.[1] Die gaat ons ongetwijfeld nog een tijdje goed vervoeren, maar ja… Het betekent wel dat ik afscheid ga nemen van mijn trouwe Schicht.

En dat doet me toch meer dan ik verwachtte. Ik wist het al wel een beetje van mijn oude Volvo-Daf, waarbij ik ook een traantje moest wegpinken toen-ie mij verliet, en ik ben ook emotioneel wel een beetje incontinent, maar toch… Ik heb onlangs een hoop oude spullen mijn huis uit gedragen, waaronder de allereerste geluidsinstallatie die ik ooit zelf kocht en die echt veel meer kilometers heeft gemaakt dan beide auto’s bij elkaar, maar toch deed me dat niet veel. Terwijl ik nu toch het gevoel heb dat ik een goede vriend de deur wijs. Waarover je ook praat als een mens, niet een ding — een ‘hij’, niet een ‘het’.

Ik zal hem missen, mijn Blauwe Schicht. En dat terwijl ik niks met auto’s heb…

Noten

  1. Waarbij de boeken-nerd in mij zich meteen afvroeg: is er ook een Toyota Recto? (Antwoord: nee, die is er niet. Er is in Canada wel ooit een reclamecampagne geweest onder de titel Toyota Recto Toyota Verso, maar die ging gek genoeg over de Toyota Venza, en dan met name over de achteruitrijcamera die daar blijkbaar een belangrijke nieuwe snuf op was.)

Virtuele computervrouw

Wat was ik trots op mijn eerste digitale rekenmachine, een Casio FX-80. Ergens moet ik hem nog hebben liggen.

Goedkoop waren ze niet. 160 gulden of daaromtrent, zit in mijn hoofd. Dat was toen een hele smak geld, voor een apparaat dat je tegenwoordig standaard op je telefoon of computer meegeleverd krijgt als virtuele calculator.

Met dat ding bleek iets mis te zijn: de berekening van de sinus bevatte een fout. Het kan ook de logaritme geweest zijn, of een andere ingewikkelde functie. Hoe dan ook, je kon de rekenmachine inruilen voor een nieuw, verbeterd exemplaar.

Een paar jaar later zou ik leren dat dergelijke berekeningen aan de hand gaan van voorgeprogrammeerde tabellen, en in dit geval zat er dus een fout in zo’n tabel.

Aan het begin van de 19ᵉ eeuw ergerde een zekere Charles Babbage zich aan de fouten in tabellenboeken. Dergelijke naslagwerken had je nodig om soort-van-snel ingewikkelde berekeningen te doen van zoiets als een sinus of een logaritme.

Omdat er in die tijd nog geen rekenmachines bestonden die meer konden dan optellen en aftrekken, werden dergelijke berekeningen met de hand uitgevoerd door mensen die calculator werden genoemd, Latijn voor rekenaar. De resultaten werden in lange tabellen in boeken gepubliceerd. Daar kon nogal wat mis bij gaan. De drukker die van de tabellen zetsel moest maken kon een fout maken bij het overnemen van de getallen. Of erger: de calculator kon een fout maken in een berekening, en als dat aan het begin van een tabel gebeurde en de rest van de berekeningen was ervan afhankelijk, dan was de ellende niet te overzien.

Babbage[1] was een wiskundige, maar hij had ook connecties met de handel, waar dergelijke tabellen bijvoorbeeld werden gebruikt om samengestelde rentes snel te kunnen berekenen. En hij was bekend met het Jacquardgetouw, een industrieel weefgetouw waarmee ingewikkelde patronen automatisch geweven konden worden met behulp van een soort ponskaarten.

Kon je die techniek niet op de een of andere manier gebruiken om wiskundige berekeningen te ‘weven’. Dat was minder eenvoudig dan het weven van een stof, maar in essentie moest het kunnen. En dus bedacht hij dat wiskundige weefgetouw, de difference engine, de stamvader van de moderne computer. 

Daarmee was Babbage nog niet klaar. Hij bedacht ook een opvolger, de analytical engine, waarmee ook allerlei dingen mogelijk waren die je in elke hedendaagse computer vindt, zoals het opslaan en hergebruiken van resultaten. En omdat hij toch lekker bezig was bedacht hij ook nog een mechanisme waarmee de resultaten uit zijn machines kant en klaar werden opgeleverd in een soort zetsel, waardoor er ook bij de drukker niets meer mis kon gaan. Computer en printer ineen.

Hij bedacht ze. En hij bouwde kleine stukken ervan — Babbage was ook nog ingenieur, had ik dat al verteld? Maar een complete laat staan werkende engine kwam er nooit. Lang werd aangenomen dat het met de technologie van zijn tijd niet mogelijk was geweest om een volledige machine te maken, hoewel de correcte werking ervan inmiddels wel buiten kijf stond. Totdat een team van wetenschapshistorici en ingenieurs in 1991 voor het Londonse Science Museum een werkende machine bouwde met technieken die Babbage in zijn tijd zeker wél kende.[2]

De grondlegger van de computer heeft zijn werk nooit in de praktijk kunnen zien. In zekere zin was hij dus ook de grondlegger van de virtuele machine.

Maar hij was niet de grondlegger van het programmeren van computers. Die eer gaat naar een adellijke dame, met wie Babbage bevriend was.

Zij werd in 1815 geboren als Augusta Ada Byron, het enig wettig kind van de roemruchte dichter Lord Byron. De wereld kent haar vooral als Ada Lovelace — als de wereld haar al kent.[3] Ada was een intelligente dame, en toen zij als adolescent een interesse ontwikkelde in wiskunde, besloot haar moeder dat alles beter was dan de poëtische waanzin van wijlen haar ex-echtgenoot en regelde zij dat de jongedame privé-onderwijs in de wiskunde kreeg (de universiteit zat er nog niet in voor vrouwen).

Via die studie kwam Ada in contact met gelijke geesten, waaronder dus die ene Charles Babbage. Zij zag de mogelijkheden van zijn wiskundige machines en ontwierp er de eerste programma’s voor, waarmee zij de grondlegster werd van het programmeren.

Net als Babbage heeft zij de vruchten van haar intellectuele arbeid nooit kunnen plukken. Ze was niet alleen de pionier van het programmeren, maar tegelijk ook van het virtueel programmeren.

Wel is er in 1980 een computertaal naar haar vernoemd: ADA. De wrange ironie wil dat dat een computertaal is die aanvankelijk werd ontwikkeld door en voor het Amerikaanse Ministerie van Defensie. Een ministerie dat tegenwoordig het nieuws haalt door agressief gedrag in het buitenland, maar in het voorgaande jaar vooral door het verwijderen van alle verwijzingen naar alles wat niet blank-mannelijk is. Gelukkig wordt het voortbestaan van deze ADA niet meer bepaald door dom ‘patriottisme’, maar nu zou die naamgeving er waarschijnlijk niet meer door zijn gekomen.

Charles Babbage en Ada Lovelace verdienen allebei eer voor hun visionaire werk. En Ada misschien wel meer dan Charles: zij had niet alleen te kampen met een slechte gezondheid maar ook met een maatschappij waarin vrouwen nog per definitie minderwaardig waren, ook intellectueel. Dat ze in betere kringen verkeerde (ze droeg de titel gravin) en met een wiskundige trouwde zal enigszins hebben geholpen maar het moet zeker niet gemakkelijk zijn geweest om te bereiken wat ze bereikte. Ze maakte bovendien een virtuele dubbelslag: ze bedacht virtuele programma’s voor een machine die niet werkelijk bestond.

Als ik het aanbod kreeg om een uurtje met de geest van één van beiden te kunnen praten, dan zou ik zonder aarzelen kiezen voor Ada. Een contact met een virtuele computervrouw waarvoor niemand zich hoeft te schamen.

Noten

  1. Charles Babbage, 1791–1871. Zie Wikipedia.
  2. Zie Scientific American, februari 1993, voor een vermakelijk verslag van hun werk. De gereconstrueerde machine is ook in het Science Museum te zien, en wordt daar nu en dan gedemonstreerd.
  3. Ada Lovelace, 1815–1852. Zie Wikipedia.

De deal en zo

Ik begrijp dat een aantal Nederlandse influencers is gestrand in Dubai als gevolg van de aanval op Iran. Of, ‘gestrand’ is niet het juiste woord — ze kunnen er niet weg, dat is het meer. Ze zaten er al, en ze waren helemaal niet specifiek van plan om er weg te gaan. Maar nu moeten ze af en toe de schuilkelder in, en dat is natuurlijk wel vervelend.

In NRC wordt trading coach Enzo Konst geciteerd[1]:

„Beter om in Dubai gebombardeerd te worden met raketten dan in Europa zitten en gebombardeerd worden met 50 procent belasting”, meldt hij op TikTok in blote bast aan de rand van een zwembad.

Enzo is dus niet zozeer gestrand als wel gezwembad, maar veel zorgen maakt hij zich in ieder geval niet.

Ik betwijfel of Enzo zo optimistisch blijft als er een afzwaaier terecht komt in het ongetwijfeld peperdure resort waar hij van de zon geniet.

Tot vandaag kende ik Enzo niet. Hij blijkt een expert te zijn in het traden. Tenminste, dat vermoed ik als ik naar de plaatjes kijk die opduiken als ik zoek op ‘Enzo Konst’. Een jonge gast met een grote grijns en een goed onderhouden onverzorgd baardje. Hij staat voor en tussen allerlei teksten als ‘De beste manier om te leren traden’, ‘Hoeveel geld kun je verdienen met traden’, ‘Het verschil tussen traden en gokken’, ‘Wat is de beste strategie voor consistente winst’, en ‘6 tips om scam brokers te herkennen’.

Om die laatste moest ik hartelijk lachen. Ik denk dat ik er al eentje heb herkend: in zijn blote bast, bij een zwembad in Dubai.

Enzo is te vinden op een website met nog een paar andere hippe jongelui. “In de FXminds community vinden we kracht in eenheid en familiegevoel,” staat er boven de pagina die over FXminds zou moeten gaan, maar die alleen een etalage is met foto’s van de toffe gasten van FXminds.

Nogmaals: ik ken Enzo niet, ik heb nul kennis van wat hij en zijn maten allemaal beweren. Ik weet zelfs niet helemaal zeker wat traden is, behalve dat het online gebeurt en dat je er veel geld mee kunt verdienen (volgens de website[2]). Maar iemand die beweert dat-ie jou kan leren hoe je altijd succes hebt in de handel, die vertrouw ik voor geen stuiver.

Waarom zou een handelaar die werkelijk de kunst verstaat om er altijd goed uit te springen, die kennis met anderen delen? De oplichter in het Witte Huis schreef een boek over zijn successen, The Art of the Deal — zelf ging hij zes keer failliet als zakenman, dat zegt iets over zijn betrouwbaarheid en succes in the deal.[3] Nee, de ware meester kijkt wel linker uit. Die pakt wat-ie pakken kan en gaat dan in Dubai aan de rand van een niet nader te noemen zwembad liggen. Op TikTok houdt-ie zéker zijn mond, en als NRC hem toch weet te vinden dan houdt-ie zich wijselijk op de vlakte.

Enzo en zijn fijne vrienden bieden cursussen aan in het traden. Wat die moeten kosten staat nergens. Wel: “Aanmelden alleen via intake.” Yeah, rrright… Dat zal zijn om te taxeren of je wel geschikt bent. Geschikt ben je waarschijnlijk als je bereid bent flink te investeren in de persoonlijke coaching van de maatjes en zo.

Waarom wind ik me zo op over een geslepen gast die in Dubai ‘vastzit’ aan de rand van een zwembad? Niet omdat ik vermoed dat het een oplichter en een leugenaar is. De wereld is vol van oplichters en leugenaars die veel leed veroorzaken; in Iran zijn het er inmiddels een paar minder. Wel omdat ik vermoed dat als puntje bij paaltje komt, Enzo vooraan staat om weggehaald te worden uit Dubai — en die repatriëring gaat wél van míjn belastingcenten, blijkbaar niet van de zijne. Mocht er onverhoopt iets misgaan, dan zal Enzo niet aarzelen om daar ook weer geld uit te peuren. De beste strategie voor consistente winst, zoals ook de opperste maffiabaas weet: sue them till they bleed.

Nee, met Enzo kan ik weinig medelijden hebben. Net als trouwens met de gemiddelde influencer die nu vastzit in Dubai. Lui die hun centen voornamelijk binnenharken door anderen te laten betalen voor hun eigen nietserigheid, en die daar dan geen belasting over willen betalen.

Laat ze maar lekker in hun sop gaarkoken, en als er per ongeluk zo’n raket in de buurt ontploft: jammer joh. Als je het nieuws een beetje had gevolgd, had je geweten dat het in het Midden-Oosten wel eens snel wat minder aangenaam zou kunnen worden.

Maar ze volgen het nieuws niet. In het hetzelfde artikel dat mij Enzo Konst voorschotelde, wordt ook influencer Gio Latooy aangehaald. Die kende ik ook niet (dat wil ik zo houden). Hij had blijkbaar aan ChatGPT gevraagd of de oorlog al was uitgebroken. ChatGPT vond van niet.

Dan verdien je het om in Dubai gestrand te zijn.

Nou ja… Gio was er blijkbaar echt even op vakantie met vriendin en zoontje. Dus vooruit, dan mag je mee met de thuisvlucht. Wel voortaan iets beter op het echte nieuws letten, ja?

Maar Enzo komt er wat mij betreft niet in voordat-ie zijn belastingaangifte heeft afgerond. That’s the deal.

Noten

  1. Angstige momenten in Dubai – ook voor Nederlandse influencers en hun volgers, NRC online 2 maart 2026
  2. Ik ga Enzo en zijn makkers niet helpen met een verwijzing naar hun website. Vraag het ChatGPT of denk zelf na.
  3. Het boek werd uiteraard niet door de leugenaar-in-chief zelf geschreven, maar door journalist Tony Schwartz. Die wist wel waar Don de mosterd haalde.

Een onbetrouwbare vriend

Ik werd alweer getriggerd door de column van Floor Rusman, deze morgen in de NRC.[1] Die opent zij met de melding van een vriendin:

‘Ik heb iets nieuws ontdekt”, zegt een vriendin op het terras. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Iets nieuws! Wat zou het zijn?

Het blijkt ChatGPT te zijn, die inmiddels de steun en toeverlaat is geworden van de vriendin.

Het verbaast me, en ook weer niet.

Lees verder “Een onbetrouwbare vriend”

Noten

  1. Floor Rusman: ChatGPT ontneemt ons het nadenken, NRC zaterdag 23 augustus 2025

De Yankee en de redding

Ik las na elkaar twee boeken die hemelsbreed van elkaar verschilden — zo hemelsbreed dat ik de ene alleen maar sterk kan afraden, en de ander alleen maar dringend kan aanraden.

Toch was de schrijver van dat af te raden boek geen onbekende: Mark Twain. Ja, die van Huckleberry Finn. En nee, dat is niet het boek dat ik af zal raden. De schrijver van dat ander boek was Judith Koelemeijer. Ja, die van Het zwijgen van Maria Zachea. En nee, dat is niet het boek dat ik aan ga raden.

Lees verder “De Yankee en de redding”

Gewetenslintje

Koninklijke onderscheidingen, ik ben er nooit een voorstander van geweest. Niet vanwege de onderscheiding — het is prima en zelfs wenselijk dat de samenleving (‘de maatschappij’, ‘de overheid’) een pluim uitdeelt aan mensen die zich inzetten voor die samenleving en daarbij meer doen dan wat redelijkerwijs toch al van ze verwacht mag worden.

Lees verder “Gewetenslintje”

Droomschool

Mijn oude school staat te koop. Niet het instituut natuurlijk, het Christelijk Gymnasium Utrecht, maar het gebouw aan de Diaconessenstraat. Waar ik ooit als verlegen jongetje naar binnen ging om er acht jaar later een stuk wijzer en zelfverzekerder en met veel meer haar naar buiten te stappen. En hoewel ik vooral had besloten om sterrenkundige te worden, was ik er ook een echte gymnasiast geworden.

Lees verder “Droomschool”