Moestuin met warm bad

Ooit was ik verslaggever bij een sporttoernooi. Ik lieg niet. Het medium waarvoor ik werkte was ’t Berkeblad, schoolkrant van het Christelijk Gymnasium Utrecht, en het toernooi was de GOTA. Dat stond voor Gymnasiale Ontmoeting Te Arnhem. Het was een reeks sportwedstrijden tussen gymnasiasten uit heel Nederland, die allang niet meer aan Arnhem was gebonden.

Drie deelnemers logeerden bij ons thuis. Ze kwamen uit Breda (zodat we ze nu nog steeds aanduiden als ‘de drie van Breda’). Aardige jongens, maar wel echte sporters. Daar had ik verder niets mee. Ik vond het wel leuk om er gehuld in een oude regenjas van m’n vader rond te wandelen, met een fototoestel om de nek en een opschrijfboekje in de hand.

Mirjam Remie, Het gymnasium (2022)

Ik moest er aan terugdenken toen ik het boek Het gymnasium las van Mirjam Remie. In dat boek geeft Remie een kijkje in de gymnasiale keuken. Ze laat ook een aantal bekende gymnasiasten aan het woord. Onder hen is Dominique van der Heyde, chef politiek bij de NOS, die het Arnhemse gymnasium bezocht. Haar grootvader was er rector en de initiator van de GOTA.[1]

Mijn eigen dierbare school komt er in het boek bekaaid vanaf. Alleen generatiegenoot en schoolvriendin Petra de Koning (ook politiek journalist, bij de NRC) komt aan het woord. Ze vertelt over de Rome-reis die zij en een aantal klasgenoten zelf maar organiseerden, bij gebrek aan scolaire activiteit in die richting. Ik was toen net van school af. Zelf ben ik nooit verder gekomen dan een paar kilometer over de grens met Duitsland, waar mijn klas de omgeving van Xanten bestormde alsof de Germaan na 2000 jaar alsnog moest boeten voor de schande die de legioenen van Varus was aangedaan.

Het was best een aardig boek. Veel herkenning, want al figureert het CGU er verder niet in, al die vooral categorale gymnasia lijken op elkaar. Overal dezelfde enigszins vrijgevochten sfeer.

Remie (in het hoofdstuk ‘Hoe vrijer, hoe beter’): “Natuurlijk is niet elke school zo ‘vrij’ en ‘rommelig’, in de woorden van mijn geschiedenisleraar. Het geldt bijvoorbeeld al meer voor de stedelijke gymnasia dan voor de christelijke. En het gold vroeger meer dan nu.” Ons christelijk gymnasium was overigens behoorlijk vrij en rommelig, toen ik daar rondliep.

Al lezende spookte wel de vraag door mijn hoofd voor wie dit boek is geschreven. De algemene boodschap lijkt te zijn: het zelfstandig gymnasium wordt (alweer) bedreigd door onderwijshervormingen, en dat is niet terecht — het is een schooltype als ieder ander met bestaansrecht, en het is vooral niet zo elitair als sommigen wel lijken te denken.

Maar ik kan me bijna niet voorstellen dat iemand die geen gymnasium in de rugzak heeft, dit boek leest en denkt: OK, goeie schoolsoort, die moeten we zeker behouden. Klinkt misschien een beetje elitair, en zo is het ook bedoeld.

Toen ik naar het gymnasium ging, had ik geen idee waar ik zou belanden. Ik kwam van een openbare lagere school, waar ik weliswaar één van de slimmere leerlingen was, maar voor mijn gevoel geen culturele of intellectuele hoogvlieger — voor zover je als elfjarige in staat bent om daar iets zinnigs over te zeggen met betrekking tot jezelf.

De eerste twee jaren waren voor mij watertrappen in diep en koud water. Ik bleef zitten, en dat werd mijn redding. Plotseling kwam ik in het warme bad dat het gym daarna voor mij bleef. Toen pas ontdekte ik de culturele moestuin die daar voor je werd aangelegd. Ik genoot daar zo van dat ik na drie jaar nog maar eens bleef zitten. Daar deed de school ook niet moeilijk over, toen, al zal dat tegenwoordig wel wat anders zijn onder de druk van rendementen die behaald moeten worden. Voor mij was het nog een extra jaar cultuur snuiven.

Dat ik eigenlijk een echte bèta was, daar deed niemand moeilijk over. Grieks liet ik vallen zodra dat kon, en Latijn bleef watertrappen in een net iets te diep meertje, al was het water wel wat aangenamer geworden. Ik klom er voor het eerst op een podium, eerst met cabaret en daarna toneel, ik zag er mijn eerste ‘arthouse’-films, ik leerde er echt lezen en schrijven. Ik heb er heel veel geleerd.

Al die tijd heb ik nooit het gevoel gehad dat ik bezig was toe te treden tot een zekere elite, terwijl dat natuurlijk wel zo was.

‘Elite’ heeft de connotatie dat het een gesloten bolwerk is waar je alleen binnenkomt als je de geheime code kent, een voorstelling waarvoor je pas kaartjes kunt krijgen als je al kaartjes hebt. Dat was het niet, in ieder geval niet bij het Christelijk Gymnasium Utrecht.

Alleen… Ik kwam er natuurlijk niet als tabula rasa binnen, een blanke lei. Pas achteraf stel je vast dat die culturele moestuin ook een zekere voedingsbodem moet hebben gehad. En die voedingsbodem kwam vooral van ouders die goed opgeleid waren, die je boeken lieten lezen en meenamen naar musea en concerten en theaters en die je wezen op de geschiedenis van het land waar je op vakantie was en al die dingen meer. Toch een soort elite.

Waarmee ik niet wil zeggen dat een gymnasiast alleen maar kan opbloeien als-ie op voorhand al een gymnasiast was. Ik denk dat het CGU, in mijn tijd in ieder geval, het soort school was dat iedereen toeliet tot de moestuin om er naar eigen gading alles te plukken.

Dat dergelijke scholen er moeten zijn, dat lijkt me een no-brainer. Maar ik weet niet of het boek van Remie veel mensen gaat overtuigen, anders dan de mensen die daar toch al van overtuigd waren. Het is de aanprijzing van een warm bad, voor mensen die daar al in gelegen hebben.

Mirjam Remie, Het gymnasium, het verhaal van een eigengereid schooltype, Amsterdam, 2022 (uitgeverij Prometheus)

Noten

  1. Van der Heyde heeft het over de Gymnasiale Olympiade, niet Ontmoeting. Maar al wat ik ervan heb kunnen vinden spreekt over die Ontmoeting, en zo herinner ik het me zelf ook. Bestaat de GOTA eigenlijk nog?

Circonflexe

Onlangs overleed mijn vroegere leraar Frans, Job Schenkeveld. Ik had hem al een tijd niet meer gezien, hij was een beetje uit mijn gezichtsveld verdwenen.

Toen ik hem 45 jaar geleden leerde kennen was hij natuurlijk nog ‘meneer Schenkeveld’. Hij leerde mij en mijn klasgenoten de beginselen van de Franse taal aan de hand van een methode die On parle Français heette.

Ik heb geen warme herinneringen aan die boekjes. De lesjes waren een beetje saai, de illustraties bestonden uit krasserige schetsjes die in mijn ogen duidelijk niet bedoeld waren om afleiding te bieden. Ik was ook niet zo’n heel goede leerling. Talen lagen mij niet zo.

Maar de lessen van meneer Schenkeveld vond ik niet vervelend. Hij sprak met een enigszins nasale stem, die goed paste bij de nasale klanken die het Frans wel kende maar het Nederlands niet. “Un bon vin blanc,” dat was een goed zinnetje om die klanken te oefenen. Waarbij meneer Schenkeveld opmerkte dat de Fransen in het zuiden daar dan “ung bong ving blang” van maakten.

Dat wist ik al. Wij gingen ieder jaar op vakantie in Frankrijk, en vaak in het zuiden. Op één van onze vaste stekjes kwam de plaatselijke kruidenier dagelijks langs met een oude Citroën-bestelbus, zo’n grijs koekblik op wielen dat leek opgebouwd uit golfplaat. Hij heette Dédé, hij noemde zichzelf de snelste kruidenier van Frankrijk (of Europa of de wereld, dat weet ik niet meer), en hij had die Zuid-Franse ng-klank.

Dédé leek in niets op meneer Schenkeveld. Dédé liep op afgetrapte espadrilles en in bezwete blousjes of T-shirts, waar meneer Schenkeveld altijd netjes in pak was. Maar Dédé leefde dan ook in de bloedhitte van de Gard, waar hij in het dorpje Barjac zijn winkeltje had, terwijl meneer Schenkeveld te maken had met een gymnasium in aanmerkelijk koeler klimaat.[1] En het Frans-in-het-wild van Dédé klonk toch anders dan het Frans-in-de-klas van meneer Schenkeveld, nog afgezien van die ng-klanken.

Van verschillende kanten hoorde ik trouwens nog een typische Schenkeveld-anekdote, die bij mij naar een ver plekje in mijn herinneringen was afgedwaald. In het lesboek kwam deze zin voor: “Les chiens ne chassent pas les chats parce-que en France les chiens et les chats sont amis”. Meneer Schenkeveld kon die zin met de nodige ironie in zijn stem voordragen.

Hij hield van Frankrijk, dat was wel duidelijk. Het was herkenbaar, mijn ouders waren ook van die slag.

Meneer Schenkeveld was ook niet vies van de Franse stripcultuur. Ik leende hem eens een boek over Astérix. Dat raakte zoek in de lerarenkamer. Hij vond dat zó vervelend dat hij er nog jarenlang, als we elkaar weer eens tegenkwamen (en hij voor mij inmiddels niet langer ‘meneer’ maar Job Schenkeveld was geworden), zijn excuses voor maakte.

Met één ding sloeg hij de plank echt mis. Van hem hoefde we niet meer te leren waar de accent circonflexe geplaatst diende te worden, het ‘accent dakje’. Dat had zijn langste tijd wel gehad, meende hij, en het zou de eerstvolgende spellingshervorming wel niet meer overleven. Bien sûr!

Toen ik in de vierde klas bleef zitten en te maken kreeg met een nieuwe docent Frans, bleek dat een ernstig probleem. Ik miste vier jaar aan circonflexes. De nieuwe docent was onverbiddelijk: dat was mijn probleem, niet het hare, en ze weigerde zelfs maar een overgangsperiode te accepteren. En iedere gemiste circonflexe was een fout. Mijn cijfers Frans, die toch al geen ereplaats verdienden in de trofeeënkast van huize Ruules, kelderden nog verder. Ik was niet echt van plan geweest om Frans aan te houden, maar na deze nare ervaring (en trouwens niet alleen deze) liet ik het vak vallen als een baksteen.

Daar heb ik later wel spijt van gehad. Maar gelukkig namen mijn ouders mij nog steeds op sleeptouw naar Frankrijk, waar ik zelfs een zomer de receptie van een Franse camping bemande. Die weken Frans-in-het-wild bleken een heel stuk leerzamer dan vier jaargangen On parle Français, alle inspanningen van meneer Schenkeveld ten spijt — al had ik dankzij hem natuurlijk wel een solide basis.

Tegenwoordig kan ik me in Frankrijk heel behoorlijk redden. Franse stripverhalen koop ik nu alleen nog maar in het Frans, zo’n snob ben ik inmiddels. En ik moet zeggen dat het lezen van Le Seigneur des anneaux (jawel, The Lord of the Rings) mijn Frans ook zeker geen kwaad heeft gedaan.

Job Schenkeveld heeft me mijn schoolse afscheid van ‘zijn’ taal nooit kwalijk genomen, voor zover ik dat kan beoordelen. Hij vertaalde zelfs een stukje van een tekst van mij uit de schoolkrant voor een repetitie of schoolonderzoek in een hogere klas. Daar was ik toch wel een beetje trots op.

Ook in later jaren, als we elkaar weer eens tegenkwamen bij een reünie of het afscheid van een pensioengerechtigde collega, maakten we altijd even een praatje.

Helaas heeft hij de ondergang van de circonflexe niet mee mogen maken. Ik heb inmiddels wel geleerd waar ze zoal moeten staan.

Noten

  1. Lang nadat wij Barjac en Dédé bezochten, streek de kunstenaar Anselm Kiefer neer in Barjac. Ik stel me zo voor dat die zijn flesjes wijn bij Dédé kocht…

Vrije verspreiding

Ooit was ik de coördinator van de schoolkrant. Dat was de gedemocratiseerde aanduiding voor ‘hoofdredacteur’, want ‘hoofdredacteur’ suggereerde een machtspositie, maar een coördinator was slechts een primus inter pares. Een passende titel, op een gymnasium aan het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw.

Ik moest aan mijn schoolkrantdagen denken terwijl ik las in Alles komt goed van Rob van Essen. Daarin haalt één van de hoofdpersonen herinneringen op aan haar eigen schoolkrant en de bijbehorende redactiebegeleider, een leraar die blijkbaar een oogje in het zeil moest houden.

Onze schoolkrant heette ’t Berkeblad en werd enkel en alleen door leerlingen gemaakt. Wij vonden dat heel gewoon, maar dat was het allerminst. Dat ontdekte ik toen ik, in mijn rol als coördinator, werd benaderd door een landelijke organisatie van scholieren.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Omslag ’t Berkeblad. met een buste van rector Lucas Berk, februari 1982
(tekening van mijn hand)

Ik weet niet meer hoe dat contact tot stand kwam. Het internet bestond nog lang niet, telefoons zaten met op zijn minst een draad vast aan een muur en niet in broekzakken van scholieren. In mijn hoofd werd er gebeld naar de school, en werd ik door de conciërge of zijn hulp daarvan in kennis gesteld. Het kan ook zijn dat er iemand op bezoek kwam.

De contactpersoon was een meisje uit Amsterdam. Of wij op onze school behoefte hadden aan ondersteuning bij het maken van de schoolkrant? Nee, ik had niet de indruk dat wij dat nodig hadden.

Of we een goede verhouding hadden met de redactiebegeleiding? Daar moest ik even over nadenken, dat begrip kende ik namelijk niet.

Iemand uit het docentenkorps, iemand die een vinger aan de pols hield? Nee, die hadden wij niet.

Daar was zij op haar beurt even stil van. Echt niet? Nee, echt niet.

Maar dan zouden de leraren toch zeker wel eerst inzage krijgen in de schoolkrant voordat die werd verspreid? Nee, de schoolkrant werd verspreid als-ie klaar was, en dan werd er natuurlijk ook een stapeltje neergelegd in de lerarenkamer, maar dat was het dan ook wel.

Wij waren daarmee, zo begreep ik, een nogal bijzondere school, met een bijzondere schoolkrant. Daar kon ik het alleen maar mee eens zijn.

Wij hadden grote vrijheid, en de naamgever van de schoolkrant, rector Lucas Berk, vond dat een groot goed.

In mijn tijd heeft hij slechts éénmaal ingegrepen. De schoolkrant was laat op vrijdagmiddag verspreid. In het weekend werd ik thuis gebeld door de rector. In de krant stond een stukje van een (anonieme) leerling, waarin nogal grof werd uitgehaald naar een bepaalde leraar. Dat ging de rector te ver.

Ik las het stukje nog eens over. Tja, het was inderdaad gewoon een botte scheldpartij. Ik had me niet heel erg bemoeid met de pagina waar het stukje op stond (die was door een andere redacteur op stencil getypt) en had het dus ook slechts diagonaal bekeken voordat het nummer werd gedrukt. Maar zou ik het zelf hebben geplaatst als ik die pagina en het stukje zelf had getypt? Misschien, maar misschien ook wel niet. We plaatsten ook niet alle kopij die binnen kwam.

De rector drong aan. Hij hoefde niet te weten wie het geschreven had, maar het stukje moest eruit. Ik gaf toe. Op maandagochtend verscheen ik al vroeg op school om de nog rondslingerende exemplaren van de schoolkrant te verzamelen. De krant verscheen een paar dagen later opnieuw, met een lege plek waar eerst dat stukje had gestaan.

Ik was er niet trots op, maar ik was er ook niet heel erg van ondersteboven. Het wás een slecht stuk, alleen bedoeld om te kwetsen, en ik hád het zelf ook tegen kunnen houden.

Op andere momenten verdedigde de rector ons juist. Toen er een persiflage op het Onze vader werd gepubliceerd, onder de titel Onze rector, schoot dat een aantal ouders in het verkeerde keelgat — het was tenslotte wel het Christelijk Gymnasium Utrecht. Zij eisten dat de rector zou ingrijpen en de schoolkrant zou laten intrekken. De rector weigerde. Het stuk was misschien een beetje flauw maar niet schokkend, en de schoolkrant was het domein en de verantwoordelijkheid van de leerlingen die de redactie voerden. Hij wilde er desnoods op aandringen dat de klagers in een volgend nummer ruimte kregen om hun grieven te uiten, maar verder ging hij niet. Die reactie kwam er bij mijn weten nooit.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Omslag ’t Berkeblad. met een hoofdrol voor coördinator Liang, mei 1982
(tekening van mijn hand)

Grappig genoeg kreeg ik zelf kritiek op een voorpagina die ik had getekend. Ik had de toenmalige coördinator afgebeeld, mijn voorganger Liang, op een filmposter onder de titel ‘Het BBbeest’ — dat was namelijk het thema van dat nummer: ‘het beest’. Er waren mensen die vonden dat ik te ver was gegaan, je kon toch niet zomaar iemand als beest afschilderen. Maar het idee was van Liang zelf gekomen. En ik was best trots op het portret, dat ik met pen en penseel in oostindische inkt had gemaakt naar een pasfoto die Liang me had gegeven.

Ik was sowieso best trots op onze schoolkrant. En op onze rector, die dat allemaal maar goed vond.

Lies en Marie

Mijn vader, die docent was aan beide hts’en in Utrecht, zei altijd dat er binnen een school maar een paar mensen écht belangrijk waren: de conciërge en de kantinebeheerder. Collega’s of directeuren konden je het leven lastig maken, maar als je de conciërge of de kantinebeheerder tegen je had hield het écht op.

Dit is het vierde deel in een meerluik.

Scholen, ook kleine, moeten schoon gehouden worden. Lies en Marie waren de werksters die dat in mijn tijd op het Christelijk Gymnasium Utrecht deden.

Lies en Marie waren wat minder zichtbaar dan conciërge meneer De Groot, assistent meneer Den Braber of amanuensis meneer Blomberg, want vaak actief buiten reguliere schooltijd. Maar ze waren onmiskenbaar Lies en Marie.

Ze waren zeer herkenbaar dankzij hun Utrechtse tongval, die toch wel een beetje opviel binnen de gymnasiale muren — ook al stond de school niet ver van de Zeven Steegjes waar Utregs de voertaal was.

Ze waren ook niet op hun mondje gevallen. “Hallo liefies, wille jullie de stoeltjies eve op de toafels zette? Dan kenne we beter veeche!”

Hoewel het CGU in de aard geen elitaire school was en ook sommige leerlingen bepaald geen Algemeen Beschaafd Nederlands spraken, vrees ik dat andere leerlingen, en wellicht ook sommige leraren, nu en dan een beetje hun neus ophaalden voor Lies en Marie.

Maar ja, de school moest wel schoon.

Lies en Marie waren een soort twee-eenheid. Zag je Lies dan was Marie nooit veraf, en omgekeerd. Toen één van hen een tijdje in het ziekenhuis lag — was het Lies of Marie? — was de ander in haar plotselinge eenzaamheid merkbaar uit het lood geslagen.

We stuurden namens de schoolkrant een kaartje naar de zieke.

Toen mijn eindexamenklas zijn laatste schooldag vierde, zetten we Lies en Marie in het zonnetje. Ze kregen allebei ten overstaan van de hele school een ‘medaille’ opgespeld en een bos bloemen. Op de foto’s die ik van dat evenement heb is helaas de tekst op de hartvormige medailles niet leesbaar, maar het is vast iets positiefs. Lies en Marie staan er glunderend bij.

Op de foto’s zien Lies en Marie er trouwens een stuk jonger uit dan in mijn herinneringen. Het is dan ook alweer 37 jaar geleden, ik ben waarschijnlijk inmiddels ouder dan zij toen waren.

Soms zou je je geheugen moeten kunnen oppoetsen.

Meneer Blomberg

Mijn vader, die docent was aan beide hts’en in Utrecht, zei altijd dat er binnen een school maar een paar mensen écht belangrijk waren: de conciërge en de kantinebeheerder. Collega’s of directeuren konden je het leven lastig maken, maar als je de conciërge of de kantinebeheerder tegen je had hield het écht op.

Dit is het derde deel in een meerluik.

Bij natuurkunde horen experimenten. Vertel mij wat: ik was als student natuurkunde vijf jaar lang practicumassistent en bracht de eerstejaars de fijnere kneepjes van het vak bij. Toch hield ik altijd wat afstand tot het experimentele werk. En ik had het van geen vreemde.

Mijn leraar natuurkunde was Arend-Jan van Dam, die ook een zekere… laten we zeggen ‘afstand’ hield van het praktische werk. Zeker als er elektriciteit aan te pas kwam, dan was Arend-Jan geen held. Ik had daar begrip voor.

Gelukkig beschikte Arend-Jan over een amanuensis. Dat was meneer Blomberg. Een heel aardige en betrouwbare man.

Meneer Blomberg was altijd onberispelijk gekleed in grijze pantalon en donkere blazer. En hij had altijd een vriendelijke glimlach op het gezicht. Als meneer Blomberg fronste wist je dat er echt iets niet in orde was.

Meneer Blomberg heette Steven, maar hoewel ik regelmatig met hem te maken had, en we een goede band hadden, bleef hij voor mij altijd meneer Blomberg. Best raar. Hij trok ook vaak op met die andere hulpkracht, die ik zonder problemen Sjaak noemde, en toch bleef hij meneer Blomberg.

Als er een experiment moest worden uitgevoerd tijdens de les natuurkunde, dan was het podium aan meneer Blomberg, terwijl Arend-Jan vanaf de zijlijn, en in ieder geval op veilige afstand als er elektriciteit aan te pas kwam, de fysica van commentaar voorzag.

Het Christelijk Gymnasium Utrecht was een kleine school toen ik daar rondliep en het fysisch kabinet was niet heel ruim gevuld. Een luchtkussenbaan (voor het verhelderen van de valversnelling), een glazen stolp met vacuümpomp (ook valversnelling), een elektriseermachine — dat was wel zo’n beetje het panopticum.

Voor de luchtkussenbaan moesten er elektronische ogen worden afgesteld die een versnellend karretje bij passage detecteerden. Daar was altijd wat mee. Dan deed het eerste oogje het wel maar het tweede niet, of het tweede oogje deed het wel maar het derde niet. Of ze deden het allemaal niet. En als de oogjes het wel deden, was er iets aan de hand met de stopwatch. Of het gewichtje ontspoorde dat de zaak via een katrolletje aansleurde en dat tenslotte de crux was van het experiment, want dat gewichtje onderging zwaartekracht en dus de feitelijke valversnelling.

Meneer Blomberg knutselde geduldig net zo lang tot alles precies volgens plan werkte, en daarna was het aan Arend-Jan om met de gemeten waarden aan te tonen dat de valversnelling een kwadratisch verband hield met de tijd, zoals Newton drie eeuwen eerder had beschreven.

En dan die elektriseermachine. Hét experiment was natuurlijk om iemand op de bijbehorende isolerende plaat te laten staan met een elektrode in een hand. Dan startte meneer Blomberg de aandrijving en begonnen de elektronen te stromen, zich onzichtbaar maar onfeilbaar volgens de Maxwell-vergelijkingen verspreidend over de oppervlakte van de proefpersoon. En omdat deeltjes met gelijke lading elkaar afstoten, zouden de haren van de proefpersoon zo ver mogelijk bij elkaar vandaan moeten gaan staan. Lachen

Ik had lange haren, van alle jongens in de natuurkundeklas in ieder geval ruimschoots de langste. En dus werd ik aangewezen als vrijwilliger om plaats te nemen op de plaat. Ik liet het maar gebeuren, mijn zorg over elektriciteit was kleiner dan die van Arend-Jan.

Ik had destijds niet alleen lange haren, ik had ze bovendien in dikke zware pijpenkrullen — Shirley Temple kon niet in mijn schaduw staan, al zeg ik het zelf. Ik wist uit eerdere experimentele ervaring dat de zwaartekracht het in mijn geval ging winnen van de elektromagnetische kracht. Om mijn haren omhoog te krijgen had je echt onaangenaam gevaarlijke stromen nodig, of een vacuüm en veel geduld.

Er gebeurde niets.

De opgebouwde spanning was niet zomaar weg, dat wist ik wel. Arend-Jan wist dat ook heel goed. Dus toen ik me naar hem toe draaide met uitgestrekte hand deed hij snel nog een stap achteruit. Meneer Blomberg wist het ook. Die moest daar hevig om glimlachen.

Meneer Blomberg was ook de technicus van dienst bij schoolvoorstellingen en andere gebeurtenissen die versterking of verlichting verdienden.

Bij het afscheid van rector Lucas Berk werd er een symposium georganiseerd, met als thema de vraag of het zelfstandig gymnasium kon worden opgeheven (nee natuurlijk). Dat vond vanwege de enorme belangstelling niet plaats in de aula van de school maar in de Janskerk. Een grote ruimte, dus meneer Blomberg deed zijn plicht als geluidschuiver.

De voorlaatste spreker was (als ik het me goed herinner) de rector van het Haarlemmer gymnasium. Die verkondigde met overtuiging maar ook met zachte stem dat de klassieke talen wel konden vervallen, mits daarvoor in de plaats een courante vreemde taal zou komen. Modern Grieks bijvoorbeeld, of Russisch.

Dat waren opmerkelijke woorden. Meneer Berk, die het afsluitend betoog hield, beende naar het spreekgestoelte, kromde op de hem kenmerkende wijze de schouders, en donderde: “Grieks en Latijn afschaffen? Dat nóóit!!!”

Ook zonder versterking had hij de kerk met gemak tot in de verste uithoeken kunnen bereiken. Maar meneer Blomberg had de microfoon vanwege de vorige spreker voluit gezet. Vermoedelijk besefte hij te laat wat er ging gebeuren, en ook al deed hij nog zo zijn best om alle registers dicht te trekken, hij redde het niet. De installatie piepte en kraakte, letterlijk.

Ik denk dat het een van de weinige keren is geweest dat ik hem even zag fronsen.

Op de traditionele eindexamenfoto’s, waar de leerlingen van de zesde klas met alle docenten op het bordes van de school werden vastgelegd, stond meneer Blomberg bijna altijd op hetzelfde plekje. Bij sommige opvolgende eindexamenfoto’s lijkt het zelfs of hij gewoon is blijven staan in het tussenliggende jaar: zelfde plek, zelfde houding, zelfde kleding, zelfde vriendelijke glimlach.

Zelfs toen ik hem een paar jaar geleden bij een lustrum weer terugzag was hij weinig veranderd. Al vertelde hij me dat het verlies van zijn vrouw, niet zo heel lang daarvoor, hem zwaar was gevallen. En toch was daar nog steeds die vriendelijke glimlach bij het weerzien.

Een heel aardige en betrouwbare man.

Naschrift

Nadat ik de bovenstaande blog had geschreven herinnerde mijn leraar biologie, Frans Vernooy, me eraan dat Steven Blomberg ook een belangrijke rol had bij de roostering voor het aankomende schooljaar, samen met de conrector Fred Schouten. Meneer Blomberg was een getalenteerd dammer (en naar ik begreep ook kampioen van Utrecht). Met zijn tactisch inzicht schoof hij op twee grote planborden net zo lang met fiches tot het zaakje klopte. Een enkele keer vroeg hij in alle bescheidenheid aan een docent of de roosterwens iets anders ingevuld mocht worden. Zoals Frans zegt: “Tot grote tevredenheid en vreugde van de docenten was het rooster bekend nog voor zij op vakantie gingen.” Het bevestigt nog maar eens de aard van de man.

Naschrift 2

Mei 2021. Inmiddels heeft ook Steven Blomberg zelf mijn blog gelezen. Hij kon zich helemaal vinden in de tekst en de herinneringen die deze oproept, maar wilde ook wel opmerken dat hij nooit damkampioen van Utrecht (stad of regio) was geweest — waarvan akte. Helaas, constateerde hij, was er steeds minder animo voor dammen, zodat veel lokale damverenigingen inmiddels ter ziele waren. Hij was dan wel geen kampioen, maar de damsport lag hem duidelijk nog na aan het hart.

Meneer De Groot

Mijn vader, die docent was aan beide hts’en in Utrecht, zei altijd dat er binnen een school maar een paar mensen écht belangrijk waren: de conciërge en de kantinebeheerder. Collega’s of directeuren konden je het leven lastig maken, maar als je de conciërge of de kantinebeheerder tegen je had hield het écht op.

Op het gymnasium was meneer De Groot de conciërge. Het waren de late jaren ’70 en vroege jaren ’80, naarmate je in hogere klassen kwam werd het steeds gebruikelijker om leraren te tutoyeren en met alleen de voornaam aan te spreken. Niet alle leraren, er waren altijd een paar twijfelgevallen. Maar meneer De Groot bleef hoe dan ook meneer De Groot.

Meneer De Groot was ook onveranderlijk meneer De Groot. Ik denk niet dat ik hem in de acht jaar die ik op school doorbracht in iets anders heb gezien dan een grijs pak, eventueel met een bruine stofjas eroverheen voor het zwaardere werk.

Meneer De Groot was in een eerder leven melkboer geweest.[1] Toen ik aankwam op het Christelijk Gymnasium bewoonde hij met zijn vrouw de conciërgewoning die naast de school lag.

Verse eersteklassers ontmoetten meneer De Groot voor het eerst meestal bovenaan de trap die naar de fietsenkelder leidde. Daar gaf hij aanwijzingen over hoe de afdaling te volbrengen. Het was een steile trap met een stenen fietsgoot, die eindigde in een haakse bocht naar rechts. Er was een truc om met één hand om de stuurbuis en een hand aan het stuur veilig naar beneden te komen, een techniek waar ik nog vaak plezier van heb in de Utrechtse publieke fietsenstallingen. Maar het was niet iedereen gegeven, er moest altijd wel een eersteklasser bijeengeraapt worden die ergens halverwege de macht over het stuur was kwijtgeraakt. Meneer De Groot plakte ook banden als dat nodig was, al was het wel de bedoeling dat je dat na verloop van tijd zelf ging doen (mijn vader had het mij geleerd, en ik had al snel ook mijn eigen plaksetje bij me).

Zodra de bel voor het eerste uur tweemaal had geklonken, na tien over acht, draaide meneer De Groot de achterdeur boven de fietsenkelder op slot. Wie dan nog naar binnen wilde moest langs de voordeur en dus langs zijn ‘hok’ tegenover de rectorskamer. En ‘te laat’ betekende ‘de volgende ochtend om acht uur’. Maar ik behoorde tot de braven, ik was er sowieso iedere dag wel om acht uur.

Naarmate mijn verblijf op het gym vorderde, kreeg ik meer contact met meneer De Groot. Het begon toen ik toetrad tot de kantinecollectief. Dat was een groepje leerlingen die tijdens de middagpauze bij toerbeurt de kantinebalie beheerden (onder leiding van de conrector). Dan moest je nu en dan ook nieuwe voorraad halen, die was opgeslagen in de kelder waar je alleen maar via het conciërgehok kon komen en waarvan de deur uiteraard op slot zat. Je moest dus eerst meneer De Groot zien te vinden, die nadrukkelijk gramstorig bij de kelderdeur bleef wachten tot je je vracht naar boven had gebracht. Maar als je je eenmaal betrouwbaar had betoond, kreeg je de sleutel zonder gemopper mee en zocht je het verder zelf maar uit.

Daarna werd ik redactielid van de schoolkrant, en later zelfs hoofdredacteur (pardon, coördinator — we waren wel gedemocratiseerd hè…). Op maandagochtend had ik de eerste twee uur vrij en ik gebruikte die tijd om in het redactielokaaltje aan de schoolkrant te werken. Ja, ik had in m’n bed kunnen blijven, maar op deze manier kon ik ook naar de maandagochtendopening waar de hele school bij aanwezig was. Dat vond ik op de een of andere manier belangrijk. ‘De sfeer proeven’, zoiets. En omdat ik er dan toch was, hielp ik meneer De Groot daarna met het uitruimen van de aula als iedereen weer naar z’n les was. Als beloning kreeg ik van meneer De Groot een beker thee of chocolademelk uit de drankenautomaat, die ook in het redactielokaaltje stond. En zo nu en dan kreeg ik zomaar een drankje uit de automaat, omdat ik daar toch zat te typen. “Zo, Roelof,” zei meneer De Groot dan als hij binnenliep, “bekertje chocomelk?”

Er waren geloof ik wel schoolgenoten die zo’n ‘innige’ relatie met de conciërge een beetje raar vonden. Ik zag dat niet zo. Meneer De Groot was ouderwets, het etiket ‘ouderling’ paste hem wel. Maar ik had geen hekel aan de man, en hij niet aan mij, ondanks het enigszins hippie-achtige uiterlijk dat ik toentertijd begon te ontwikkelen. Waarschijnlijk behoorde ik ook in zijn ogen tot de braven. En waarom zou je elkaar niet nu en dan een beetje helpen? Was dat trouwens niet de christelijke gedachte?

Later kreeg ik vooral met meneer De Groot te maken vanwege cabaret- en toneelactiviteiten. Dan moest er een podium opgebouwd worden, geen licht karwei. Eén zo’n gelegenheid was een literaire avond, waar ik met schoolvriend Eric een cabaretvoorstelling zou verzorgen. Normaal was voor de literaire avond een minimaal podium nodig met een eenvoudige katheder voor de voordrachten. Wij hadden om het volledige podium gevraagd. Voorzitter van de cultuurclub Heinerich moest toch even onderhandelen met meneer De Groot. Die vond het volgens mij een beetje overdreven, zo’n heel podium voor een optreden van twee man. Maar we kregen ons complete podium. Toen het af was zei Eric met bedachtzame blik: “Het is wel groot hè? Kunnen jullie de helft weer weghalen?” Heinerich trok wit weg, meneer De Groot liep rood aan, en Eric haastte zich: “Neenee, geintje! Het is prima zo!”

Echt hoogte heb ik nooit helemaal gekregen van meneer De Groot. Al kende ik na verloop ook zijn voornaam, hij bleef meneer De Groot. Ik vermoed dat hij behoorde tot een generatie waarvoor het standsverschil tussen een conciërge en een gymnasiast nog substantieel en betekenisvol was. Ik denk wel dat hij oprecht begaan was met in ieder geval een deel van de leerlingen, en met de school in algemene zin.

Toen mijn vierde klas op excursie ging naar Xanten, net over grens met Duitsland en daarvoor een weekend op een lokale camping bivakkeerde, bleken meneer en mevrouw De Groot daar ook te verblijven. Wel op een ander deel van de camping. Dat was maar goed ook. Ons excursieweekend werd afhankelijk van de waarnemer (scholier of begeleider) the stuff of legend of the weekend from hell. In mijn herinnering had meneer De Groot er later niet meer over te melden dan dat het allemaal “niet zo netjes” was geweest.

Het was niet van invloed op mijn geregelde bakje chocolademelk, maar ik behoorde dan ook tot de braven.

Het was ook de enige keer dat ik meneer De Groot niet in zijn grijze pak heb gezien. Denk ik.

Dit is het eerste deel van een meerluik.

Noten

  1. Was hij in die hoedanigheid ook de melkboer van de legendarische goochelaar Fred Kaps, die op Kanaleneiland woonde? Het zou zomaar kunnen.

Emmy

Gisteren hoorde ik in De Taalstaat een oude bekende voorbijkomen. NRC-redacteur Petra de Koning kreeg afgelopen week de Anne Vondelingprijs toegekend vanwege haar werk als politiek journalist. Dat werk ken ik natuurlijk als NRC-lezer, maar ik ken Petra ook nog van het Christelijk Gymnasium in Utrecht. Ze deed een jaar na mij examen, het was toen een kleine school en de vriendengroepen liepen gemakkelijk over meerdere jaargangen heen.

In De Taalstaat noemt ze onze toenmalige lerares Nederlands Emmy Brinkman als een belangrijke inspiratiebron.1

Emmy deed mij altijd aan mijn moeder denken: lief, toegewijd, met aandacht voor de leerlingen, niet iemand die op de voorgrond staat. Ik ging graag naar haar lessen.

De mappen in het project ‘gericht schrijven’, waarover ik in mijn blog al eerder schreef, maakte ik onder haar begeleiding. Dat ik er eentje over strips maakte leverde aanvankelijk wat aarzeling op bij Emmy. Maar ik denk dat toen ze zag dat ik er oprecht mee omging, ze het onderwerp ook waardeerde. Dus toen ik vroeg of ik een serieus stripboek mocht opvoeren voor mijn eindlijst deed ze daar niet moeilijk over, hoewel het in vrijwel alle opzichten niet voldeed aan de voorwaarden (het was ook nog eens vertaald).

Ik weet niet of ik, zoals Petra, kan zeggen dat ik heb leren schrijven van Emmy. Ze heeft er zeker aan bijgedragen, door haar kreeg ik veel meer interesse in het Nederlands als taal. We moesten eens in groepjes een kort verhaal schrijven dat als doktersroman kon worden aangemerkt. Ik schreef met twee anderen Jacky en de Jaguar. Emmy keurde het lachend af: het begon goed als doktersromannetje, maar het ontspoorde als literatuur in de laatste alinea’s. Ze legde ook uit waar hem dat in zat.

“Schrijven is niet makkelijk,” zegt Petra in de Taalstaat. Dat kan ik alleen maar beamen. Bij mij heeft dat besef pas de laatste jaren diepte gekregen, toen ik me er echt mee ging bezighouden. Wat dat betreft had ik misschien nog wat beter moeten opletten, bij Emmy in de klas.

Noten

  1. Het interview is hier terug te luisteren, vanaf 9:46.

De eerste keer

De eerste keer was 22 september 1983. Een donderdag. In een oude schoolagenda heb ik op die dag genoteerd: “Toneel, lokaal van Joop”. Het was mijn eindexamenjaar. Mijn cabaretactiviteiten lagen stil, want mijn vaste maatje Eric was al van school. Dus nu wilde ik het wel eens proberen met toneel.

Een toneelstuk is zeker op een gymnasium een verplicht nummer. Een groepje leraren, waaronder deze Joop, leraar klassieke talen, en Han waarover ik al eerder schreef, wilden meer. Ze hadden cursussen gedaan. En Joop had een ‘verlanglijst’ van stukken die hij graag wilde doen.

Bovenaan het lijstje stond Agamemnoon, van Aischulos, de opening van de trilogie die we kennen als de Oresteia. Klassiek drama. De Griekse opperbevelhebber Agamemnoon keert na tien jaar als overwinnaar terug uit de Trojaanse oorlog. Aan zijn zijde Kassandra, die voorspellende gaven heeft maar door niemand wordt geloofd. Wars van haar waarschuwingen loopt Agamemnoon rechtstreeks in de armen van zijn vrouw Klytaimnestra, die het tijdens zijn afwezigheid heeft aangelegd met zijn neef Aigisthos. Veel liefde is er niet tussen de familieleden: Aigisthos heeft nog een appel te schillen met zijn neef en steekt de koning dood terwijl die een bad neemt. De familievete is een langlopende zaak. Agamemnoon en Aigisthos zijn al de vierde generatie die leiden onder de vloek die de goden afriepen over hun onaangename overgrootvader, Tantalos.

Met Tantalos zou ik later ook nog te maken krijgen, toneelmatig, maar dat duurt nog even.

Agamenoon dus. Ik vermoed dat er op die 22ᵉ september een eerste bijeenkomst was rondom het stuk. Waarschijnlijk hebben Joop en Han daar hun plannen ontvouwd. En die waren ambitieus. De hele gymzaal zou worden omgetoverd tot toneelvloer, met op drie plekken podia verbonden door loopbruggen. (Wij hadden niet een heel grote gymzaal hoor.)

Er waren zes individuele rollen te vergeven, en er moest een ‘koor’ optreden zoals dat ook in de klassieke tekst wordt opgevoerd: de burgers van Argos, die de handelingen van commentaar voorzien. Maar we begonnen niet meteen met het stuk. Eerst werden er oefeningen gedaan en improvisaties. Daarna waren er ‘audities’ voor de rollen.

Ik kreeg de rol van de bode, die vooruit is gestuurd om het thuisfront te verwittigen van de terugkeer van de koning. Wow! Dat was nog eens wat anders dan de sketches die ik tot dan toe had gedaan. En in de tweede helft van het stuk werd ik onderdeel van het koor.

Omdat ik zo half mei van mijn examenverplichtingen af was, kon ik extra veel tijd in het stuk en alles eromheen steken. Ik maakte het programmaboekje, waarvoor ik lekker in de klassieke geschiedenis kon duiken. Heerlijk! We hadden repetitieweekends. Geweldig! We renden door de school op momenten dat daar niemand anders was. Groots!

Van de uitvoeringen zelf herinner ik me niet veel meer, behalve een soort van permanente gelukzaligheid. Mijn blik was sowieso wazig, want ik speelde zonder bril. (Ik had van tevoren nog een halfuurtje heen en weer gelopen over de podia, omdat de loopbruggen hoger waren dan de vloertjes die ze verbonden, en zonder bril was het toch een beetje gokken waar de overgang zat…)

Toen het voorbij was wist ik zeker: hier wil ik meer van!

Conrad

In de eerste twee jaar op de middelbare school was ik niet zo goed in Engels. Mensen die mij kennen zal dat misschien verbazen, but I was a total disaster.

Aan Anneke, de docent, lag het niet, die deed haar best. Ze gaf uit principe nooit lager dan een vier, dat was immers al erg genoeg. Ik haalde ook alleen maar vieren voor Engels, en mijn vieren waren van de opgewaardeerde soort. In de tweede bleef ik zitten, onder andere op Engels.

Toen kreeg ik Han. Hoe Han het precies deed weet ik niet, maar op de een of andere manier viel alles ineens op zijn plaats. Han was een rustige docent, ze was meer een verteller dan een trainer, meer een luisteraar dan een beoordelaar. Binnen een jaar gingen mijn cijfers voor Engels naar achten of hoger, en op die hoogte zouden ze tot en met het examen blijven.

In de vierde bleef ik weer zitten, dit keer niet op Engels. Ik kreeg een nieuwe docent voor Engels. Han bleef: ze gaf ook Latijn, en dat kwam goed uit want mijn Latijn kon ook wel een zetje gebruiken. Het ‘Engelse wonder’ herhaalde zich niet helemaal, mijn Latijnse achterstand viel niet meer volledig in te halen. Maar dankzij Han heb ik Latijn zonder al te veel kleerscheuren over de eindstreep weten te krijgen.

Mijn nieuwe lerares Engels, Marjan, leverde mij intussen wel wat kopzorgen. Die was toch meer van het reguliere onderwijs en dat was ik ontwend, in ieder geval bij Engels. Dan moest je uitleggen waarom je in een bepaald geval een bepaalde werkwoordsvorm moest gebruiken. Geen idee. Ik wist vaak niet eens hoe al die vormen heetten, laat staan welke je waar moest gebruiken. Ik kon me ook toen al niet herinneren dat Han daar ooit iets over had gezegd, al zal ze dat wel hebben gedaan. Ik vóélde gewoon dat je in bepaalde gevallen bepaalde vormen moest gebruiken. En ik deed het blijkbaar goed, want ondanks de wat moeizame relatie scoorde ik ook bij Marjan zelden onder een acht.

Toen kwam het eindexamenjaar. Als je er bij een vak goed voor stond dan kon je ergens in het voorjaar een vrijstelling krijgen en hoefde je de lessen niet meer te volgen. Die werden dan immers vooral besteed aan de voorbereiding op het eindexamen, dat je waarschijnlijk toch wel ging halen. Een vrijstelling voor Engels was een no-brainer.

Maar het knaagde wel een beetje. Ik deed helemaal mijn best niet voor Engels, maar dankzij het fundament dat Han had gelegd ging ik lachend op de eindstreep af. Ik voelde me een beetje schuldig tegenover Marjan. Dus toen die aankondigde dat ze ook een ‘leesklasje’ ging doen, zag ik daarin een mooie gelegenheid om mijn goede wil te tonen. We zouden op basis van vrijwilligheid in een paar weken tijd een boek lezen dat je ook op je eindlijst mocht zetten. Nou was die lijst wat mij betreft ook geen probleem, maar vooruit.

Het boek was The Secret Agent van Joseph Conrad, een schrijver van wie ik tot dan toe niet had gehoord. Alle goede voornemens ten spijt kwam ik er niet aan toe om het eerste hoofdstuk te lezen voor de eerste bijeenkomst van het leesklasje. Met enige schaamte mompelde ik me door de bespreking heen. So much for good intentions… Dus voor de tweede bijeenkomst nam ik me voor om een flinke inhaalslag te maken.

Conrad bleek een moeilijke maar intrigerende schrijver. Voor ik het wist, en ruim voor de tweede bijeenkomst, had ik het boek uit. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Nu beschikte ik bovendien over informatie die de andere deelnemers nog niet hadden, zodat ik bij de bespreking op mijn tong moest bijten om niets te verklappen.

Na afloop heb ik mijn ‘zonde’ maar opgebiecht bij Marjan. Uiteraard hoefde ik niet meer aan het leesklasje deel te nemen. En wat ik van het boek vond? Tja, dat vond ik geweldig. Joseph Conrad ging op mijn eigen lijstje van schrijvers waar ik meer van wilde lezen.

Het eindexamen Engels was een walk-over. Bij de boekbesprekingen zat Han als tweede examinator naast Marjan. En tot mijn schaamte (again) moet ik bekennen dat ik eigenlijk vooral met Han heb zitten praten. Over The Lord of the Rings, dat zowel mijn als haar favoriete boek was. En over de duistere wereld van Conrad. Van alle examens voelde dit het minst als examen, veel meer als een gesprek tussen twee gelijken.

Han is helaas veel te jong overleden. Het idee dat je met een oud-leraar gewoon nog eens een goed gesprek zou kunnen hebben was niet op tijd in me opgekomen. En inhalen kan niet meer.

Van Conrad heb ik nadien meer gelezen, met als hoogtepunt Heart of Darkness. Een dun boekje, maar wát een inhoud… Dat ik intussen ook de film Apocalypse Now had gezien, die er los op gebaseerd is, zal geholpen hebben. Maar ik had er graag nog een keer een goed gesprek over gehad met Han.

Bezieling

Ik heb vakantie, soort van, en dus ben ik op deze druilerige dag maar eens wat oude foto’s gaan scannen.

Mijn moeder heeft jarenlang foto’s opgeplakt op stevig papier en in ringbanden gestopt. Als kind keek ik daar graag naar. Ik had er een paar meegenomen om foto’s te scannen. Vooral van die gebeurtenissen waar ik zelf bij betrokken was, zo ijdel ben ik dan ook wel weer.

Het album dat ik vandaag heb aangepakt beslaat de eerste helft van 1977. Ik zat toen in de eerste klas van het gymnasium, waar ik nog niet echt mijn draai had gevonden. De wereld waarin ik was beland was heel anders dan die van de lagere school.

Eén van de vakken die ik wel leuk vond was tekenen. Ik had les van mevrouw Reinkingh-Visser, die blijkbaar ook als kunstenares enige naam had gemaakt. Wist ik veel. Het was een wat oudere dame, altijd netjes gekleed. Ze was niet onvriendelijk, maar ook een beetje gereserveerd. En ze bracht ons de beginselen van de kleurenleer en het perspectief bij, en verschillende tekentechnieken.

In het fotoalbum van mijn moeder zitten vier tekeningen in oostindische inkt en eentje in potlood. De inkttekeningen waren duidelijk bedoeld om te oefenen met vlakvulling en licht/donker. Er is een tekening van een draak die zich uitstrekt bovenop een bergtop. Ik dacht dat mevrouw Reinkingh me daarvoor destijds nog een complimentje heeft gegeven.

Een tekening die mij meer aanspreekt is van een vogelverschrikker op een akker. Het perspectief is een beetje raar, platgeslagen bijna, alsof ik het beeld door een telelens heb gezien. Maar wat me aanspreekt is het gezicht van de vogelverschrikker. Het is duidelijk een pop, maar wel een pop die er lol in heeft. Hij lacht, ook al zit er een vogeltje op zijn hoed. Zelfs uit zijn ogen, die van knopen zijn gemaakt, spreekt een zekere aanwezigheid. Hij heeft een ziel gekregen.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Detail van mijn vogelverschrikker (1977)

Ik wilde destijds onder andere striptekenaar worden. De potloodtekening stelt een postkoets voor die wordt overvallen. Ik denk dat ik net in die tijd de volwassen westernstrips als Blueberry begon te ontdekken. Ik tekende ook wel eens wat van Marten Toonder na. Het gezicht van de vogelverschrikker past daar wel bij.

Mevrouw Reinkingh bleef altijd op enige afstand, hoewel ik later nog wel een paar complimentjes van haar kreeg. Er werd op school wel gefluisterd dat ze ooit getrouwd was geweest met de schilder Moesman, die van die naakte vrouw op de fiets met een viool onder de snelbinder, en dat mevrouw Reinkingh… Dat was onzin. Toen Moesman Het gerucht schilderde was zij 18 en waarschijnlijk nog niet eens begonnen met haar tekenopleiding. Ze trouwden pas twaalf jaar later.

Mevrouw Reinkingh was veel bekender onder haar eigen naam, Erika Visser. En onder haar eigen naam was zij een begaafd portretschilderes. De tekenlessen die ze ons gaf zullen voor haar waarschijnlijk maar bijzaak zijn geweest. Aan het einde van haar leven kreeg ze in het Rosa Spierhuis nog een relatie met Marten Toonder, die haar een ‘portrettist van zielen’ noemde.

Mijn tekencarrière is nooit van de grond gekomen. Ik was toch beter met woorden dan met beelden. Maar misschien is er toch een heel klein vonkje van Erika Visser op mij overgesprongen, toen ik mijn vogelverschrikker een ziel gaf.