De fantastische antropoloog

Zo’n veertig jaar geleden nam ik een boek van Jack Vance mee uit de bibliotheek. In ruil daarvoor nam Vance mij mee naar Tschai, de waanzinnige planeet.

Jack Vance, Planet of Adventure, 1968–1970

Het verhaal van Tschai was in opzet eenvoudig. Een ruimtevaarder probeert na een crash weg te komen van een planeet die wordt bevolkt door vier verschillende soorten intelligente levensvormen. Dat gaat natuurlijk niet zonder slag of stoot, want al die vreemde wezens zijn elkaar, en de held, niet zonder meer vriendelijk gezind.

Ik was gewend aan de avonturen van Old Shatterhand en Winnetou, van Karl May. Die waren spannend maar soms ook wel vermoeiend, want zelfs de nog jonge lezer in mij vond dat de nadruk wel vaak lag op de voortreffelijkheid van de titelhelden, zowel in fysiek als moreel opzicht (al zou mijn jonge ik dat destijds niet zo verwoord hebben).

Je hebt schrijvers die in staat zijn om hun lezers mee op avontuur te nemen. Jack Vance bleek zo’n schrijver te zijn. Waar Karl May een verzonnen (maar van de realiteit afgeleide) wereld gebruikte als kapstok voor zijn eigen morele filosofietjes, bedacht Vance een heel nieuwe wereld en plaatste er zijn lezers middenin. Om er vervolgens als een geestdriftige reisleider voorop te gaan, bij ieder nieuw vergezicht weer even enthousiast en eigenlijk ook een beetje verbaasd over wat-ie per slot van rekening toch zelf had bedacht.

Waar Karl May zei: “Kijk naar mij,” zei Jack Vance: “Kijk om je heen!”

Dat was aanstekelijk. Daar kwam nog bij dat Vance niet zonder humor schreef, iets waarvan je Karl May onmogelijk kon beschuldigen.

Het is moeilijk om Jack Vance in een specifiek hokje te duwen. In de bibliotheek kreeg hij standaard het SF-stickertje opgeplakt, wat ook wel een beetje voor de hand lag: vreemde planeet, gestrande ruimtereiziger. Veel van zijn SF-werk is echter geen ‘harde’ SF, net zo min als zijn Fantasy-werk ‘hard-core’ Fantasy is. Sommige van zijn verhalen zijn dromerige psychologische sprookjes, andere rechttoe rechtaan avonturenverhalen. Maar altijd spreekt er die verwondering uit over de wereld waarop je nu weer terecht bent gekomen.

Het SF/Fantasy-label heeft er wel voor gezorgd dat Vance niet de waardering kreeg die hem in mijn ogen zeker toekomt. Auteur Michael Chabon verklaarde ooit in de New York Times:

“If ‘The Last Castle’ or ‘The Dragon Masters’ had the name Italo Calvino on it, or just a foreign name, it would be received as a profound meditation, but because he’s Jack Vance and published in Amazing Whatever, there’s this insurmountable barrier.”1

Daar zit inderdaad precies het probleem. Vance is één van die (toegegeven, zeldzame) schrijvers die de grenzen van genres moeiteloos passeert, maar dat zijn wel grenzen waarvoor niet snel een paspoort wordt afgegeven. Tolkien was hoogleraar filologie, en dus is zijn Fantasy ook acceptabel als literatuur. Vance studeerde wel (onder andere natuurkunde) maar werd daarna een ‘Jack of all trades’ — die geen literatuur kán voortbrengen.

Gelukkig heeft dat Vance er nooit van weerhouden om door te blijven schrijven. Toen hij in 2013 overleed, 96 jaar oud, liet Vance een indrukwekkend oeuvre na. Dat bovendien door een grote schare enthousiaste fans nieuw leven werd ingeblazen in de vorm van een integrale heruitgave, de Vance Integral Edition. Die op zijn beurt stukje bij beetje wordt uitgegeven in DRM-vrije e-boeken.2

Dus voorlopig kan ik nog wel even op reis met Jack.

Noten

  1. Carlo Rotella, The Genre Artist, NYT Magazine, 15 juli 2009
  2. Zie https://www.jackvance.com/