Merkwaardig

Wat is dat toch voor merkwaardigs tegenwoordig? Zodra de hoofdpersoon in een roman een enigszins getroubleerd leven leidt — wat altijd neerkomt op: drinkt en rookt te veel, eet verkeerd, en heeft geen of een problematische relatie — en er in ten minste één scène flink wat bloed spuit, mag het label ‘literaire thriller’ op de omslag. Liefst op een goud- of zilverkleurige sticker, met een uitroepteken. Met literatuur heeft het zelden van doen. Het thrillergehalte wil er ook nog wel eens bij inschieten; als je maag omdraait is het beschrevene goor, niet per se spannend.

Havank: alleen al vanwege de omslag wil je zo’n boekje toch lezen?

Ach, die goeie ouwe tijd, toen een detective nog gewoon ‘detective’ werd genoemd. De boekjes van Havank konden gemakkelijk zonder die schreeuwerige stickerflauwekul. In plaats daarvan werd de lezer al op voorhand getrakteerd op een gestileerd kunstwerkje van Dick Bruna. Alleen al daarom wilde je ze lezen.

Ergens is Havank in mijn leven gekomen. Voor mijn gevoel hadden we altijd wel een of twee ‘Havankjes’ mee op vakantie. Ik kan me niet anders herinneren dan dat ik tijdens de zomer zo’n avontuur van de Schaduw las. Want daar draaide het om, bij Havank: de Schaduw.

De Schaduw, dat is eigenlijk Charles C. M. Carlier, inspecteur en naarmate de serie vordert hoofdinspecteur en commissaris van de Franse Sûreté. Aanvankelijk heeft hij nog een bijrol als rechterhand van commissaris Silvère (naar wie uitgever Bruna de serie aanvankelijk ook noemde), maar al snel is het merkwaardige mannetje de spil waarom alles draait.

De serie was destijds een groot succes. Havank begon er in 1934 mee en stopte in 1964, voornamelijk omdat hij toen overleed. Het stokje werd overgenomen door Pieter Terpstra, die een aantal onafgemaakte manuscripten voltooide en vervolgens nog een twintigtal titels in even zovele jaren toevoegde. Daarna zakte de belangstelling voor de Schaduwiaanse kronieken bij het publiek een beetje weg. Tomas Ross schreef een jaar of tien geleden drie nieuwe titels op zijn conto, en tekenaar Daan Jippes voegde er nog twee stripalbums aan toe (waarin de hoofdpersoon Havank héét maar Carlier ís).

In mijn hoofd is de Schaduw een kruising tussen Hercule Poirot en James Bond: bepaald niet vies van (veel) eten en drinken en daardoor ook een beetje overgewichtig, maar tegelijkertijd niet te beroerd om in camouflagepak en op rubberzolen over de muren van het fort te klimmen, de onafscheidelijke gummiknuppel binnen handbereik. Wat dat betreft klopte de verbeelding van Daan Jippes wel.

De Schaduw voldoet nauwelijks aan de basisvoorwaarden om het tot ‘literaire thriller’ te brengen. Getroubleerd kun je C.C.M. Carlier niet noemen, hoewel er een duistere schaduw over zijn liefdesleven hangt. Weliswaar eet, drinkt en rookt Carlier in niet geringe mate, maar hij doet daar zelf niet moeilijk over en zijn omgeving evenmin. Echt bloederig zijn zijn avonturen ook al niet, hoewel er wel degelijk doden vallen, op soms onaangename manieren.

Literair? Hm, lastig. Het taalgebruik van Hans van der Kallen, de man die achter Havank schuilging, kun je op zijn minst bloemrijk noemen. Bovendien strooit de auteur kwistig met culturele verwijzingen in het algemeen en naar de klassieke oudheid en de Bijbel in het bijzonder. Dat was natuurlijk ook de charme van de verhalen.

Wel kun je stellen dat de verhalen eigenlijk steeds minder over ‘het misdrijf’ gaan, en het oplossen daarvan, en steeds meer een sfeerbeeld zijn van de personages en de wereld waarin zij zich bewegen. In die zin zou je het etiketje ‘literair’ er van mij wel op mogen plakken.

Thriller? Ja, dat mag je denk ik wel stellen. Hoewel je van tevoren, zoals bij vrijwel iedere reeks, wel weet dat het goed zal aflopen — in ieder geval de hoofdpersoon zal toch een volgend avontuur moeten halen — kan ik me toch wel wat benauwde uurtjes en avontuurtjes herinneren.

Al met al verdient de Schaduw wat mij betreft dus veel meer dat label dan al die flutboekjes die er nu mee prijken. Hij blijft merkwaardig. Hoogst merkwaardig.