De prater

In de wachtkamer van dokter, tandarts of ambtenaar valt de mensheid grofweg uiteen in twee delen. Er zijn praters en zwijgers.

De zwijgers groeten bij binnenkomst misschien de overige aanwezigen en kiezen dan (in willekeurige volgorde) een zitplaats en een blad uit de leesmap. Een enkele zwijger informeert eventueel nog wie er vóór hem aan de beurt is, om daarna zijn identiteit eer aan te doen totdat dokter, tandarts of ambtenaar hem of haar komt ophalen.

Soms is de zwijger vergezeld van partner, kind, ouder of begeleider. In het algemeen is deze metgezel ook een zwijger en worden er zelden onderling woorden gewisseld. Een hoogst enkele keer hebben die woorden dan betrekking op de situatie of de reden van het bezoek aan dokter, tandarts of ambtenaar. Eerder zal het gaan over een passage in het blad uit de leesmap, of over iets triviaals: te verwachten mankementen aan de auto, de eetlust van de hond, de vochtigheid van het gazon, of een nog aan te schaffen noodzakelijk ingrediënt van het avondeten.

Voor de andere bezoekers aan de wachtkamer blijft de zwijger in essentie een gesloten boek.

De prater daarentegen heeft in het algemeen binnen enkele minuten na binnenkomst inzage gegeven in het volledige dossier. De prater doet dat tegenover niemand in het bijzonder, al zal eenieder die zelfs maar een wenkbrauw optrekt onmiddellijk worden aanvaard als de gesprekspartner van dienst.

Meestal is een onoplettende zwijger hiervan het slachtoffer. De prater praat niet graag met andere praters.

De prater wordt ook zelden vergezeld. Dat is inherent aan de aard van de prater: wie praat in het algemeen heeft niemand nodig om in het bijzonder tegen te praten.

De prater is een routinier in het bezoeken van dokter, tandarts of ambtenaar. “Wat een drukte,” zegt de prater. “Anders is het nooit zo druk om deze tijd.”

Met deze uitspraak slaat de prater twee vliegen in één klap.

Het primaire doel van de opmerking is het vestigen van gezag. Wat de prater eigenlijk zegt is: hier zit iemand met ervaring, die deze wachtruimte dagelijks bezoekt.

Daarnaast is het een uitnodiging voor een reactie van één van de andere wachtkamerbezoekers. Dat is slechts van secundair belang — de prater heeft immers niemand nodig om méé te praten, alleen maar iemand om tégen te praten. Liefst meerdere mensen, maar als het niet anders kan zelfs de lege ruimte. De opening voor een reactie is slechts een lokmiddel, het is het takkendek boven de valkuil.

De arme ziel die de opening aanvaart — “Ja, het heerst nogal hè.” — wordt door de prater onmiddellijk verbaal omhelsd.

Het is de omhelzing van de wurgslang. Vanaf nu maakt het niet meer uit wat de verse gesprekspartner te berde brengt. De prater kan er altijd overheen, en zal dat ook altijd doen. “Wat zegt u? Jaaa, dat heb ik ook gehad hoor. Verschríkkelijk. Als je dat voor het eerst hebt weet je niet waar je het zoeken moet. Ik ken het. Maar de krampen die ik daarná kreeg…”

De ellipsis is een stijlkenmerk van de prater. Met de ellipsis lijkt de prater opnieuw een opening te bieden aan de gesprekspartner. Die kan echter zelden meer dan zichzelf nog dieper in het drijfzand worstelen: “Werkelijk, als ik vragen mag?”

De gesprekspartner mág vragen, sterker, hij móét vragen.

Voor de gesprekspartner is er nog maar één redding. Dat is het verschijnen van dokter, tandarts of ambtenaar. Daar zit voor de opgeluchte gesprekpartner ook wel iets positiefs aan: de verlossing is al begonnen vóór het consult.