Veren

Te klein voor veren, te groot voor dons. Ze kijkt het nest rond, ziet de takjes en de andere dingen waarvan het is gemaakt, die zij niet begrijpt. De kruimels op haar bed, tekens van ouderliefde.

Heel dichtbij zingt haar moeder. Verder weg de roep van andere moeders. Sommigen klinken als haar moeder en toch zijn ze anders. Iedere moeder is anders en toch hetzelfde.

En heel heel ver weg haar vader, op weg naar huis met het avondmaal. Eten uit een luik, waar de kevers en houtwormen donker en mals zijn. Ze spert haar mond vast open.

Moeder roept naar vader roept naar moeder komt dichterbij, landt tussen ritselende takken. Te weinig ruimte in dit kleine nest. Ze spert haar mond nog verder open. Daar is het eten. Het spartelt.

Vader vliegt alweer, op weg naar zijn werk. Moeder is stil, nu zij ook even stil is na het eten.

Ze kijkt over de rand van het nest. Haar vleugels willen verder, maar zonder veren kan zij niet.

Daar beneden liggen haar broertjes en zusjes.

Niet echt natuurlijk.

Ze zijn al verdwenen, meegenomen op grote benen of weggehaald door andere vaders op zoek naar werk.

Ze sluit haar ogen. Als ze het kon benoemen, zou ze kunnen ontwaken in een droom.

Ergens in het bos, tussen alle moeders, roept die ene moeder die geen kinderen heeft en toch het meest vertrouwd klinkt.

Op een dag zal ze ontwaken in de droom en hetzelfde leven leven.

Maar nu nog niet. Eerst moet er nog gegeten worden en gegroeid. Eerst moeten veren worden omgezet in vlucht.

Geschreven in het kader van de cursus Creatief Schrijven van Schrijven in Utrecht.