Wat Kan, dat Moet!

Er was niets op tv, en dus zetten we een dvd op van Wim Kan.

We, dat zijn mijn moeder en ik. Wij zijn elk van een generatie waarvoor Wim Kan een ijkpunt was. De Grote Drie van het cabaret, dat waren Wim Kan, Wim Sonneveld, en Toon Hermans.

Ik behoor dan weer tot de generatie die geen van die drie nog echt in het theater heeft gezien. Ik had Kan kúnnen zien — mijn vijf jaar jongere broer ging nog met mijn moeder naar één van de laatste voorstellingen van Wim Kan in 1983, maar ik was daar niet bij,

Dat was toen.

Wie weet nu nog wie Wim Kan was?

Wim Sonneveld staat nog altijd in de Top 2000 met Het Dorp, en altijd om en nabij de 50ᵉ plek. Dat is bepaald niet onverdienstelijk, maar ik hoop dat hij in het collectief geheugen nog iets meer is dan dat.

Toon Hermans stond tot en met 2013 in de Top 2000 met 24 Rozen. Nooit hoger dan plek 706, dus wel ruim achter collega Sonneveld. Zijn versjesboekjes zijn wel nog steeds te krijgen, al is het lastig om erachter te komen hoe populair ze zijn.

Maar Wim Kan?

Mijn moeder heeft een dvd-boxje met drie schijven, waarschijnlijk door mijn vader ooit het huis in gesleept. Samengesteld door Bert Haanstra. (Bert Haanstra, iemand? Nee, ik mag toch werkelijk hopen dat Bert Haanstra nog onderdeel is van het collectief geheugen. Anders is het wel heel slecht gesteld met Nederland…)

Schijfje 1 bevat opgenomen maar niet uitgezonden conferences uit januari 1969 en mei 1973 over actuele zaken. Zeg maar: oudjaarsconference maar dan niet met oudjaar (en niet uitgezonden).

Nou was Wim Kan niet onbekend met het fenomeen oudjaarsconference. Tussen 1954 en 1966 hield hij er zes voor de radio, die zeer gewaardeerd werden. Eind 1973 was de eerste op televisie. Het werd een record, zowel in kijkcijfer als in waardering. Naar de volgende in 1976 keken 7,4 miljoen mensen — Nederland telde toen zo’n 12 miljoen inwoners — en ik was er één van en kan het me nog herinneren.

Maar in de coulissen stond de concurrentie al klaar, en die was niet mals. Freek de Jonge daalde in 1980 neer als mijn god op het toneel, met sneller harder completer cabaret dat totaal-theater was geworden. Ik ging in 1983 naar iets anders dan Wim Kan, al kan ik werkelijk niet meer bedenken wat.

Wim Kan, dat was de oude garde. Bejaard, en ook al snel daarna dood. Passé.

Dus ik was wel benieuwd wat ik er nu nog van zou vinden.

Begin jaren ’70 lagen de snelheden in alle opzichten behoorlijk lager dan tegenwoordig. Een aflevering van Q & Q (iemand?) duurde 25 minuten, maar die zou je nu gemakkelijk naar 15 tot max 20 minuten snijden en dan zou het nog kunnen worden weggezet als ‘gezapig’. Dus wat kon Kan, toen?

Nou, Kan was een kanon, toen.

Op hoog tempo, en messcherp. Inclusief snijdende dialoogjes met het publiek (“Ja u zit wel te lachen… Wat is uw naam?”). Nu zou je het stand-up noemen, maar destijds had je alleen Kan, dus toen noemde je het Kan. Kan-up.

En tijdloos. Ook toen waren er langdurige en onbegrijpelijke onderhandelingen over een nieuwe regering. De namen zijn veranderd maar het gekonkel niet. (De Jong, Den Uyl, iemand… — die zijn toch nog niet weg uit het collectief geheugen, in ieder geval Den Uyl. Of ben ik al zo oud?!?)

Ik heb zitten schuddebuiken van het lachen om grappen die na ruim 50 jaar nog actueel blijken te zijn.

Destijds was er een gezegde van Kan zelf: wat Kan kan, kan Kan alleen. Ik zeg nu (en zegt het voort!): Kan kan nog steeds, en het kan helemaal geen kwaad om het nog eens heel goed te bekijken.

Wat Kan, dat Moet!