Vrijmarkt

Acht jaar lang woonde ik middenin het Utrechtse vrijmarktgebied. Op de begane grond. Aan de straatkant.

Acht keer heb ik de nacht van 29 op 30 april elders doorgebracht. Vaak bij mijn ouders, maar ook een keer bij een goede vriendin die net buiten het centrum woonde.

Aan mij was de vrijmarkt niet besteed.

Ik zag ieder jaar dagen van tevoren al mensen plekjes uitzoeken en bezet houden waarvan ik dacht: waarom daar? Waarom überhaupt? En als ik dan op de vooravond van de vrijmarkt de spullen zag die ze uitstalden, dacht ik: maar dat had je vorig jaar ook al liggen — of was dat bij je buurman?

Ik hou sowieso niet zo van dicht op elkaar gepakte mensen. ‘Veld’ bij een stadionconcert is ook niet mijn favoriete plek, noch de Oudegracht op een ouderwetse zonnige zaterdagmiddag. Wat dat betreft is de vademij mij niet helemaal onwelkom, al is die om andere redenen toch niet gewenst.

Eenmaal heb ik me laten verleiden om met vrienden de vrijmarkt tijdens de nacht te bezoeken. Daarna heb ik de boot vriendelijk (ik houd van mijn vrienden) maar zeer beslist afgehouden.

Ik ben er nog wel een paar keer met mijn vader, overdag, doorheen gedrenteld. Volgens de kenners is er dan al niets meer te halen, laat staan te beleven. Toch heb ik er nog wel gescoord.

Ik kocht er voor een rijksdaalder een cricketbat. Het handvat zat er schuin aan en de windsels leken op een oude binnenband van een fiets. Maar het was een cricketbat, en voor tweevijftig toch een aardig ornament.

En ik kocht er voor tien gulden een kloek exemplaar van The Cambridge Guide to English Literature, in de categorie ‘altijd handig’. Totdat ik iets wilde opzoeken over E.M. Forster en ontdekte dat het hele katern van pagina 307 (middenin Henry Fielding) tot en met 338 (middenin John Gay) ontbrak. Daarentegen zaten de pagina’s 339–370 er dubbel in.

Nee, aan mij was de vrijmarkt nooit besteed. Al gun ik hem anderen natuurlijk van harte.