Hemelvaart

Maar ik doe niet aan Hemelvaart.
Vandaag doe ik de Tuin der Lusten.
Of, nou ja, de tuin van vrienden.
Glaasje, hapje, anderhalve meter,
en een stukje fietsen als bonus.
Het kan slechter dus ik klaag niet.

Appel

Ik begon aan de studie natuurkunde en intussen hield ik me nog steeds bezig met toneel.

Ik deed mee aan een eindexamenproductie voor de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar, zoals de opleiding in Utrecht toen (nog net) heette. Het was een kinderstuk, gebaseerd op De augurkenkoning kan de pot op.

Bij Theater Kikker volgde ik spelcursussen.

Via de Uitwijk, het sociaal-culturele centrum van de universiteit, deed ik een cursus ‘De achterkant van het toneel’ (of zoiets — de exacte titel is me ontschoten). Daar werd meer inzicht gegeven in de herkomst van ons moderne toneel. We gingen ook op excursie. Naar de Stadsschouwburg, waar de Nationale Opera aan het opbouwen was, zodat we mooi konden zien hoe dat eraan toeging.

Maar het hoogtepunt was een visite aan Toneelgroep De Appel in Den Haag. Daar mochten we een dagje rondlopen terwijl regisseur Erik Vos bezig was met de repetities van Marat/Sade van Peter Weiss. Oftewel, in de volledige titel: De vervolging van en de moord op Jean-Paul Marat opgevoerd door de verpleegden van het krankzinnigengesticht van Charenton onder regie van de heer De Sade. Het hele Appeltheater werd daarvoor getransformeerd tot het gesticht, waarin de acteurs/patiënten min of meer vrijelijk konden rondbewegen.

We waren er op een dag dat er een scène werd gedaan met Sacha Bulthuis en Aus Greidanus. Wat ik me vooral herinner, omdat het diepe indruk op me maakte, was de manier waarop regisseur en acteurs worstelden met het materiaal. Er werd van alles uitgeprobeerd, vaak op aanwijzing van Vos, maar niet zelden ook op voorstel van één van de acteurs: “En als we het nou eens zo proberen?”

Ik had inmiddels via de cursus wel begrepen dat dat bepaald niet overal de norm was. Dat er genoeg gezelschappen waren waar de regisseur de touwtjes strak in handen had. Waar ‘nu een stap naar voren’ ook echt op dat moment precies één stap naar voren was, en niet twee stappen een fractie van een seconde later. Mij leek dat vreselijk, en nu begreep ik ook waarom. Wat ik hier zag was spelen, niet opvoeren.

Toen we weken later de uiteindelijke voorstelling bezochten, was er van de opzet die we tijdens de repetitie hadden gezien niets meer over. Ik moest zelfs moeite doen om de scène te herkennen. Er was dus nog een boel werk verzet.

Sacha Bulthuis leeft niet meer, en De Appel is dood. Te gronde gegaan aan kortzichtig ‘cultuurbeleid’ van mensen die dit soort activiteiten elitaire hobby’s noemen. Terugdenkend aan de ervaringen die ik had bij De Appel besef ik weer hoe broos ons cultuurlandschap is, en hoe het momenteel ligt te verdorren.

Overigens ontdekte ik bij het onderzoek voor dit stukje dat er destijds in 1986 een bekende naam op de speellijst stond van Marat/Sade. Jon van Eerd, vooral bekend als acteur in blijspelen en als theaterproducent die zich nu ook druk maakt over de steun (of het gebrek daaraan) voor de culturele sector. Ik moet heel eerlijk zijn: ik kan me hem niet herinneren. Maar ik heb hem dus gezien, toen.

Kathedraal

Vanochtend weerspiegelde de zon in ruiten van auto’s die aan de voet van mijn flat staan geparkeerd. Precies de goede hoek, precies de juiste weerkaatsing. De tussenhangende boomtakken zorgden voor structuur en diepte. Zo kreeg ik ineens een bijzondere projectie op het plafond van mijn woonkamer. Een fantastische kathedraal, een cadeautje van licht.

Een kathedraal van licht (1).
Een kathedraal van licht (2).

Problemen

Eens in de zoveel tijd heb ik zo’n moment dat ik een boek uit heb en niet weet met welk boek ik verder zal gaan. Boeken genoeg in dit huis, maar wélk boek is geschikt voor het moment? Ik ben eigenlijk nog bezig in een verhalenbundel van Hilary Mantel, The Assassination of Margaret Thatcher. Erg goed geschreven. Maar daardoor ook wel inspannend lezen…

Vaak neem ik dan even een tussendoortje, iets wat licht verteerbaar is en snel wegleest. Een kinderboek, of een stripverhaal zoals Lucky Luke. Maar dat gaat op den duur ook weer tegenstaan.

Ik las vorige week De politiemoordenaar, het voorlaatste deel uit de serie romans van Maj Sjöwall en Per Wahlöö rond rechercheur Martin Beck — Sjöwall overleed eind april, vandaar. Goede verhalen zijn dat. Maar om meteen door te stomen naar het laatste deel, dat staat me dan weer tegen.

Op mijn tafel ligt The Principle of Relativity, een boekje met de artikelen van Einstein en anderen die het begin van de relativiteitstheorie markeerden. Ooit gelezen tijdens m’n studie, nu even opgeslagen voor een ander blog-stuk waar ik aan werk (en nog niet zo tevreden over ben), en ineens weer zin om ze opnieuw te lezen. Maar weer niet zo geschikt voor het slapengaan. Ik moet trouwens ook nog een achterstand in Scientific Americans wegwerken.

Of begin ik aan The Dark Forest? Dat is het tweede deel van een SF-trilogie van de Chinese schrijver Cixin Liu. Geen vrolijkmakende thematiek: de Aarde wordt bedreigd door onaangename buitenaardse wezens. Maar wel spannend…

Of toch De avond is ongemak, de roman van Marieke Lucas Rijneveld die is genomineerd voor de International Booker Prize. Het boekje Leegstand van Aafke Romeijn ligt ook nog te lonken…

Problemen problemen problemen…
Ik geef toe, luxeproblemen, maar toch…

Test

Dertig jaar geleden had ik een vriendinnetje met wie ik in de zomer naar Londen ging. Daar woonde familie, dicht tegen het centrum aan. We zwierven door de stad. We ‘borrelden’ met goedkope smeerkaas en cider in Hyde Park. We bezochten Pollock’s Toy Museum, het leukste speelgoedmuseum dat ik ooit heb gezien.

Bij Foyles kocht zij een boek over cricket voor haar vader die daarin geïnteresseerd was. Cricket, dat was die sport op de BBC waar je soms doorheen zenderzwom. Mannen in gebroken-witte sweaters die op de maat van ondoordringbare regels een geheimzinnig spel speelden. Dat het leefde in Engeland was wel duidelijk. Terwijl wij die zomer door de stad schuimden hoorden we in winkels en op terrassen de radio. Nieuw Zeeland en India waren in het land.

“Ik leer het jou nog wel,” beloofde mijn vriendin. Dat had ze ook gezegd van klaverjassen, maar ze had het na een paar pogingen hoofdschuddend opgegeven.

Eenmaal thuis installeerde ze me op een dag voor de televisie in het studentenhuis waar ze woonde. Het was de tweede dag van de eerste wedstrijd tussen Engeland en India ‘op Lords’.

Zo’n wedstrijd, leerde ik, duurt vijf dagen en heet een Test, en anders dan de naam suggereert is het een wedstrijd op het allerhoogste niveau. Ik ontdekte ook dat er twee slagmannen in het veld staan, die niet per se hoeven te lopen als ze de bal hebben geraakt, en trouwens ook wél kunnen lopen als ze de bal níét hebben geraakt, en daar in beide gevallen ook nog punten mee kunnen verdienen. Dat de werper of bowler steeds zes ballen werpt vanaf de ene kant van het veld, waarna een andere bowler er zes vanaf de andere kant doet, en dat zo’n setje van zes een over heet. Dat die vreemde zwabberige armgebaren van de umpire allemaal een betekenis hebben, dat er van die umpire trouwens ook twee in het veld staan die bij elke over van rol wisselen, en dat de umpire altijd gelijk heeft.

Ik leerde ook al snel dat als een batsman honderd runs oftewel een century scoort, of een veelvoud daarvan, hij een staande ovatie krijgt. Een van de slagmannen in het veld, de captain van het Engelse team, deed dat namelijk. Hij kwam op 200 runs. Dat is, zo verzekerde mijn vriendin mij, héél véél. Mij zei het allemaal niets, maar op de een of andere manier raakte ik geïntrigeerd. Hoe kun je nu níet geïntrigeerd raken door een sport die leg before wicket kent als een manier om een slagman uit te schakelen?

De captain van het Engelse team heette Graham Gooch en ondanks zijn ietwat treurig uiterlijk zou hij die dag in totaal 333 runs scoren. Een triple Nelson, al zou ik dat pas later leren. En in de tweede innings deed hij er nog even 123 runs bij, waarmee hij een nog altijd ongeëvenaard record van 456 individuele runs in een Testmatch neerzette. Ik leerde later ook dat Lords de heilige grond is van het cricket, en dat het veld er schuin afloopt met een hoogteverschil van ruim 8 voet of tweeënhalve meter. Dat Engeland er in de twintigste eeuw nooit een match won tegen Australië, de erfvijand met wie al sinds 1883 wordt gestreden om de Ashes, een urntje ter grootte van een vuist. Ik leerde een scorekaart in een oogopslag lezen en statistieken interpreteren op een manier waar het RIVM nog een puntje aan kan zuigen. En ik leerde honderden totaal zinloze maar uiterst intrigerende trivia.

Ik kan niet zonder enige trots zeggen dat ik tweemaal een dag doorbracht op Lords tijdens een Test. Eenmaal zag ik er Engeland ingemaakt worden door Australië en eenmaal door Zuid-Afrika. De spannendste sportwedstrijd ooit die ik zag (op tv) was trouwens de finale van de Nat West Trophy in 1993 tussen Sussex en Warwickshire. Een bekende schrijver — was het Samuel Beckett? ik kan het helaas niet terugvinden — noemde cricket “the most divine way to waste your time”, of woorden van gelijke strekking.

Het vriendinnetje verdween uit beeld (we zien elkaar nog wel eens hoor) maar cricket bleef. Al verdween dat ook van regulier beschikbare televisiezenders. Man, wat zou ik nu graag weer eens een hele zondag voor de tv hangen tijdens een Test. Liefst één op Lords natuurlijk.

Psychedelica

Ik ben van 1964, dus de late jaren ’60 heb ik niet heel erg bewust meegemaakt. The Beatles, Jimi Hendrix, Woodstock, het is allemaal onopgemerkt aan mij voorbij gegaan. Pas een paar jaar later begon ik aan een inhaalslagje. Dat begon met Pink Floyd. En stripverhalen.

De jongste broer van mijn moeder had naast Asterixen en Lucky Lukes ook een paar bijzondere stripboeken in huis. Iris, van Thé Tjong King, bijvoorbeeld. Ik wist niet wat ik zag: prachtige kleuren, vreemde vormen. Van het verhaal begreep ik helemaal niets, maar dat kan heel goed aan het verhaal gelegen hebben of het ontbreken daarvan.

Tegen de tijd dat ik de middelbare school afsloot had ik mijn achterstand in de flower power aardig weggewerkt. Ik deed eindexamen als hippie en had Pink Floyd compleet op tape (ook alweer dankzij mijn oom), ik had Syd Barrett en Jimi Hendrix en The Doors omarmd, concerten van Melanie en Ravi Shankar bijgewoond, Easy Rider en Woodstock gezien, en ik had een algemene interesse in psychedelica.

Ik moet nu wel bekennen dat ik een heel nette hippie was. Roken deed ik niet, drinken nauwelijks, en de pilletjes die ik slikte bevatten enkel vitamine C. In het begin van mijn studietijd deed ik een paar keer mee met een stickie, maar terwijl het gezelschap om mij heen gierend van de pret in zwijm viel wilde het roze wolkje bij mij niet landen. Dus dan zette ik maar weer een plaat van Hendrix of Pink Floyd op.

Nee, ik moest het hebben van muziek, wierook, en psychedelische grafiek.

(Tekst gaat door onder de afbeelding.)

Philippe Druillet, Lone Sloan / Delirius

Bij De Slegte tikte ik twee stripalbums op de kop van Philippe Druillet, een Franse tekenaar die in de vroege jaren ’70 furore maakte met Lone Sloane, Yragael, en Urm. De titels kende ik al uit de secundaire literatuur en nu had ik ze gewoon in de kast staan.

Eerlijk is eerlijk: van verhalen was nauwelijks sprake, alles stond in het teken van de fantastische tekeningen. Overvolle, barokke tekeningen, bizarre kleuren, volkomen ontspoorde kadreringen. Het was soms al een puzzel om de juiste volgorde van de plaatjes te vinden, laat staan om te begrijpen waar ze over gingen. Maar mooi was het wel.

(Tekst gaat door onder de afbeelding.)

Psychedelica van eigen hand, 1983.

Ik heb zelf nog enige pogingen tot getekende psychedelica gedaan. Het ziet er wat stijf uit allemaal, maar de bedoeling was wel duidelijk. ‘Love Sweet Dreams’ staat er onder de ene tekening. Jaja, wat de Beatles konden met Lucy in the Sky with Diamonds, dat kon ik ook! Op de andere plaat staat het soort van onbegrijpelijk proza dat hoorde bij die tijd. Mijn Engels was trouwens ook niet vlekkeloos.

Psychedelica van eigen hand (2), 1983.
Psychedelica van eigen hand (in revisie), 1985.

Rubo

Een tijdje terug had ik beloofd om te vertellen hoe onze hond Rubo aan zijn naam kwam. Want laten we eerlijk zijn, het is niet een veelvoorkomende naam.

Dat zat zo.

Wij waren in de herfstvakantie te gast bij een oom van mijn vader, die een boerderij aan de rand van Assen had. Bij dergelijke verblijven in Drenthe brachten we dan vaak ook bezoekjes aan andere familieleden van mijn vader, die dik gezaaid waren in die regio.

Eén van die familieleden was een neef (of achterneef, daar wil ik vanaf zijn) die toevallig juist een nest jonge hondjes had. Duitse staande korthaar, dat is de officiële aanduiding voor het type. Maar ik zag een stel heel knuffelbare hondjes. De rest van de vakantie heb ik vooral mijn moeder de oren van het hoofd gezeurd: “Mam, mogen we een hondje? Mam? Krijgen we nu een hondje? Mam?”

M’n ouders gingen overstag, we mochten een pup uitkiezen. Het werd een reutje met een grappig wit afgetekend ‘zadel’ in zijn verder chocoladebruine vacht. En toen kwam het probleem, want de neef van mijn vader fokte voor het stamboek. En dat knuffelbare hondje moest ingeschreven worden in het stamboek. Hij moest een naam hebben.

Duitse staanders kwamen wel meer voor in de familie. Die heetten dan bijvoorbeeld Nimrod, afgekort tot Nimmie, naar de bijbelse figuur die volgens de tradities een machtig jager was. Of Diana, naar de Romeinse godin van de jacht. Maar dat soort namen stond ons niet zo aan. ‘Bekende’ hondennamen als Pluto, Rakker of Fikkie vielen ook af. Het moest iets zijn dat bij ons paste, en bovendien een goede hondennaam kon zijn.

De oplossing lag uiteindelijk in het combineren van de eerste letters van onze achternaam met die van de neef, die Boelens heette. Ru+Bo=Rubo. Dat was ook meteen een goed roepbare naam.

Goed, probleem 1 was opgelost.

Probleem 2: de hond moet in het stamboek niet alleen een roepnaam hebben, maar ook een ‘achternaam’. De vader van Rubo heette Prix von der Insel. Hmmm… Zijn moeder heette Frida van de Jachtweide. Kijk, dat klonk al wat minder martiaal. En zo werd Rubo dus als ‘Rubo van de Jachtweide’ ingeschreven in het officiële stamboek. Voor wat betreft Rubo stopte de stamboom daar ook. Zijn vader en moeder hebben elders nog wel nageslacht voortgebracht. In het verleden ben ik Rubo op internet nog tegengekomen als het doodlopende takje in de familie Insel-Jachtweide, maar dat spoor is inmiddels verdwenen.

Ik denk niet dat Rubo er een nacht minder om geslapen heeft. Hij was eerst en vooral Rubo. En zoals dat gaat met honden: die gaan lijken op hun baasjes. Enigszins wars van uiterlijk vertoon, enigszins eigenwijs, behoorlijk nieuwsgierig, familiedier zonder al te uitbundig te worden.

Volgens één van mijn opa’s stond Rubo voor ‘Ruules BewakingsOrganisatie’. Maar Rubo was een jachthond, geen waakhond. Hij had waarschijnlijk vriendelijk meegeholpen met het naar buiten dragen van onze dure spullen, mocht het ooit zover gekomen zijn. Eén keer is hij met mijn vader meegeweest op jacht, bij weer een andere oom in Drenthe. Daar deed hij het goed, hebben wij begrepen. Dat zat er dus toch wel ingebakken, dat jachtinstinct. Van vuurwerk verblikte of verbloosde hij trouwens ook niet.

Nee, een waakhond was hij zeker niet. Als ik weer eens laat thuis kwam, richtte hij de kop even op uit zijn mand die in de keuken stond. Dan had hij een half verwijtende, half gerustgestelde blik, de plaatsvervangende ouder die toch blij is dat het kind weer thuis is.

Nog jaren na zijn dood, als ik in het donker de achterdeur opendraaide, dacht ik er onwillekeurig aan: nu wordt Rubo wakker.

Moes

Vanochtend rende ik de deur uit om even snel de wekelijkse boodschappen te doen. Struikelde ik over een pakketje dat daar was achtergelaten. O ja, mijn baas had bij een afdelingsoverleg twee dagen eerder zoiets geroepen als “morgen wordt er bij jullie aangebeld, dan moet je wel opendoen hoor!” Geen bel gehoord, gisteren, maar dat kan heel goed aan mijn bel liggen.

Dus pakketje (“hm, best zwaar…”) naar binnen geschoven en door naar de Appie. Het was rustig, bij de Appie. En ze hadden weer bloem. Ik gebruik niet veel bloem, maar net toen ik weer eens een pak dacht mee te nemen was er een bloemkrach. Grote mandarijnen hadden ze ook weer. Dat is toch wel mijn favoriet, de grote mandarijn. Dus ik kan er weer even tegen, qua fruit en bloem.

Wel een beetje jammer dat ik vorige week m’n fijne kleine beslagkom in stukken heb laten vallen. Nu heb ik voldoende bloem maar geen goede beslagkom. Ik hoop dat we niet midden in een kleinebeslagkommenkrach verkeren…

Thuis eerst maar eens dat pakket van m’n baas opengemaakt. Dat bleek vol fruit te zitten — bedankje aan de afdeling voor al het werk dat er is verzet de afgelopen weken om ons onderwijs en onderzoek draaiende te houden.

Qua fruit kan ik er nu dus écht weer even tegen. De appels heb ik al tot moes gekookt, dat zijn weer een paar porties voor de diepvries.

Nu begrijp ik ook ineens die foto van een fruitschaal die een collega gisteravond in een Teams-kanaal plakte.

Auditie

Toen ik van de middelbare school kwam moest ik direct in dienst. Ik had iets te veel tijd verspeeld met cabaret en toneelspelen en schoolkranten maken en klooien met computertjes en zittenblijven. En omdat ik ook enige bezwaren had tegen de militaire dienst, werd ik tewerkgesteld (ja, zo heette dat) als erkend gewetensbezwaarde. De vervangende dienst duurde langer dan de militaire dienst, zodat ik daar ook nog eens extra jaar aan dreigde te verspelen.

Iemand suggereerde dat er misschien een uitweg was: je kon een paar maanden eerder uit dienst als je aan een opleiding begon. Hm, dat klonk interessant. Maar welke opleiding zou er nu in januari beginnen? Niet de universitaire studie natuurkunde die ik op het oog had.

Ik ontdekte dat als je auditie deed bij de Toneelschool Amsterdam, en je door de eerste ronde kwam, je aan een soort vooropleiding begon. Echt heel serieuze ambities om naar de Toneelschool te gaan had ik niet. Ik vermoedde dat natuurkunde betere carrièrekansen bood. Bovendien: met toneel kon je ook in je vrije tijd bezig zijn, maar ik zag mezelf nog niet op een regenachtige zondagmiddag de diepere structuur van de kwantummechanica doorgronden alleen maar omdat ik toch even niets anders te doen had.

Auditie doen op de Toneelschool. Dat klonk ook eigenlijk wel spannend. Waarom niet?

Ik studeerde met hulp van Joop, één van de leraren die bij mijn echte toneeldebuut betrokken waren, een monoloog in uit de Agamemnoon. Dat was de helft van de auditie. De andere helft bestond uit een korte improvisatie die je ter plekke kreeg opgedragen door de toelatingscommissie.

Het zou stoer zijn als ik nu kon zeggen dat ik door drie bekende toneeldocenten was beoordeeld. Maar ik heb geen idee meer wie er in die commissie zaten. En ik vermoed dat de leden van de commissie, als ze nog in leven zijn (en dat gun ik ze van harte), ook geen idee meer hebben dat ze ooit een oordeel hebben geveld over een langharige knul die een beetje halfhartig auditie kwam doen.

Van de mensen die auditie deden konden er zo’n 40 aan de voorselectie beginnen en uiteindelijk 20 aan de opleiding. Achteraf hoorde ik dat er meer dan 180 aanmeldingen waren geweest dat jaar.

Ik geloof niet dat ik het heel erg slecht deed, dus het zal geen kwade opzet zijn dat ze op de afwijzingsbrief vergeten hadden mijn naam in te vullen bij de aanhef. De afwijzing vond ik jammer, maar niet heel erg. En achteraf zou ik er ook niet veel aan hebben gehad. De vooropleiding begon pas als mijn diensttijd al zo goed als afgelopen was. Was ik even vergeten na te kijken.

Het enige wat ik jammer vind is dat ik niet weet (en zo snel ook niet heb kunnen vinden) wie er in 1986 dan wél aan de toneelopleiding in Amsterdam begonnen, terwijl ik me in Utrecht op de beginselen van de natuurkunde stortte. Zaten daar nu bekende namen tussen?

En achteraf had ik wel gelijk: een toneeltekst blijkt op een regenachtige zondagmiddag gemakkelijker te doorgronden dan de kwantummechanica.

Kubus

Wie kent hem nog, de kubus van Rubik? Of moet ik zeggen: wie kent hem níét?

Het ding werd aan het begin van de jaren ’80 ineens waanzinnig populair. Overal doken handleidingen op waarmee je je kubus op orde kon draaien. Er bleek ook interessante wiskunde achter te zitten. Douglas Hofstadter schreef er in de Scientific American juichende stukken over en voorspelde de kubologie een bloeiende toekomst. Een paar jaar later hoorde je er niemand meer over. Sic transit gloria cubi…

Ik had er twee. Een echte, met het stempel van Rubik erop, en een nepper. De nepper was mijn favoriet. De blokjes zaten net iets minder strak tegen elkaar aan, zodat je veel sneller kon draaien. Want daar ging het uiteindelijk om: hoe snel je je kubus kon ‘oplossen’ als-ie in de war was gedraaid.

Met een beetje grafiet werd-ie nog rapper. Daar waren ook al hele discussie over: olie, vet, andere substanties? Ik vond grafiet het fijnste. Dat gaf je kubus wel een beetje vreemd luchtje, maar hij werd er veel minder snel glibberig van. Glibberige kubussen, die moest je vermijden. Het moest glijden, niet glibberen.

Ik weet niet meer wat mijn persoonlijk record was, maar het lag ergens tegen de halve minuut. Ik heb gelezen dat het je tienduizend uur oefening kost om ergens volledig ‘onbewust bekwaam’ in te worden. Dan heb je de handelingen geïnternaliseerd en doe je wat je moet doen zonder er bewust over na te denken. Tienduizend uur. Als je die uitsmeert over tien jaar, ben je nog altijd bijna drie uur per dag aan het oefenen.

Zo lang heb ik er niet over gedaan, en ik ben het inmiddels ook weer helemaal vergeten. Maar destijds kon je me midden in de nacht wakker maken en een verwarde kubus aanbieden, die ik dan gemakkelijk binnen de minuut weer op orde kon krijgen. Het kostte me waarschijnlijk meer tijd om m’n bril te vinden.

Ik organiseerde zelfs een keer een kubuswedstrijd op school, in een middagpauze in de kantine. Zelf deed ik daar natuurlijk niet aan mee. Ik zorgde ervoor dat al die kubussen precies dezelfde beginstand kregen, waarna de deelnemers er op los mochten. De beste drie mochten het met een andere wirwar nog een keer proberen voor de hoofdprijs. Geen idee meer wat die was, maar het zal ongetwijfeld iets kubus-gerelateerd zijn geweest.

Er was veel animo voor. Ik denk dat ik de dag tevoren met zo’n twintig kubussen naar huis ging om ze te prepareren. En hoewel ik toch al behoorlijk was ingewijd in de geheimen van de kubus, leerde ik daar toch nog iets nieuws: afwasmiddel was niet het juiste glijmiddel. Niet alleen werd de kubus er buitengewoon glibberig van en verschenen er hier en daar belletjes — met een beetje pech glibberde hij zelfs helemaal uit elkaar. Dat overkwam mij, en de volgende dag de eigenaar van de kubus. Er hing bovendien een uitgesproken citroengeurtje over de wedstrijd.

Maar we hebben er wel plezier mee gehad, met die kubus.

Kubus. Nepper, maar hij draait wel heel lekker. Hij glijdt…