Rauw, hees en teder

Ongeveer precies dertig jaar geleden verscheen het album Open van The Scene. Ik kocht het zodra het in de winkels lag.

The Scene, vond ik toen en vind ik nu nog steeds, is de beste Nederlandstalige rockband die er ooit is geweest.

Album Open van The Scene, maart 1992

Ik ontdekte The Scene een jaar of wat eerder, toen ik al kokende in mijn studentenkeuken op de radio het nummer Rigoreus voorbij hoorde komen: “En de klok zegt tik, tik / Tikt al mijn uren weg / Voor wie wacht komt alles steeds te laat.” Dat was waarschijnlijk in De Avondspits, het programma van dj Frits Spits, die ongemeen enthousiast kon worden als hij iets echt goed vond.

Eerlijk is eerlijk: ik weet niet meer of Frits Spits enthousiast was over The Scene, of over Rigoreus — de titel is verkeerd gespeld en daar zou taalmeester Spits over gevallen kunnen zijn. Ik was in ieder geval wel enthousiast. Kippenvel, dat was het, rigoureus en onverwacht.

Er waren toentertijd, begin jaren ’90, drie rockbands die in de moedertaal aan de weg timmerden. Nederland is nu eenmaal niet zo groot.

De Dijk was het populairst. Lekkere bluesrock die ergens een beetje aan The Rolling Stones deed denken, maar dan wat gezapiger. Ik was niet zo van The Stones, en ook niet zo van De Dijk.

Dan had je de Tröckener Kecks. Beetje hipper, beetje meer sophisticated, beetje alternatiever. De Kecks mocht ik wel.

En je had The Scene. Harde, rauwe rock. Op het eerste gehoor vrij rechtoe-rechtaan. Tot je echt naar de teksten ging luisteren.

Sodeju, dat was gewoon poëzie…

De Dijk, dat was ‘ik hou van jou, nu is het over, ik ben verdrietig’.

De Kecks, dat was ‘ik kijk in de spiegel en ik zie aan mijn ogen dat het over is’.

The Scene, dat was ‘iets houdt me vast en drukt me langzaam op mijn rug’.

Bam.

Gewoon poëzie, en dan ruig en ritmisch. Rauw, hees en teder.

Grappig genoeg werden de albums van The Scene in die tijd geproduceerd door Rick de Leeuw, frontman van de Tröckener Kecks. De albums van de Kecks werden intussen geproduceerd door Thé Lau, frontman van The Scene. Waarin een klein landje groot kan zijn.

Ik was niet zo’n concertbezoeker maar voor The Scene maakte ik graag een uitzondering. Met Pasen 1992 stond ik op Paasrock in de roemruchte Azotod in De Meern, waar ik nederpunkers De Heideroosjes zag (tja), De Dijk (nou vooruit, OK) en The Scene (wow).

Na Open volgden nog drie geweldige albums: Avenue de la Scene, de concertregistratie The Scene, en Arena. Dat laatste album was volgens velen niet zo toegankelijk, maar er staan prachtige nummers op.

Het hielp ook dat mijn lieve broer en toenmalig huisgenoot Diederik plotseling de lichtman van The Scene werd.

Op een zaterdagochtend zei Diederik: “Heb je wat te doen vandaag? Ik ga naar de fanclub-dag van The Scene, ga mee.” Ik was niet zo van de fanclubs, maar OK, niets te doen, The Scene altijd leuk, we zien wel.

De toegang was geen probleem want ik was de broer van de lichtman, maar omdat ik me een beetje bezwaard voelde om voor uitvreter door te gaan werd ik ter plekke lid van de fanclub Behind The Scene. Voor een tientje, meen ik.

Van tevoren was ik nog een beetje bang voor dweperige toestanden, maar niets van dat al. Er werd lekker aan de bar gehangen, en toen de band arriveerde voegden die zich even gemakkelijk aan de bar. Er werd afscheid genomen van toetsenist Otto Cooymans (een beetje een dingetje). Er werden cd-singles uitgedeeld van de eerste en achteraf ook laatste pogingen om de Duitse markt te veroveren (Diese Welt/Gefühl). En er was natuurlijk een optreden, met nummers van het net verschenen of nog te verschijnen album Marlene. Het was voorjaar 1998.

De kenner weet dan dat The Scene op dat moment al op weg was naar de uitgang. Na Marlene verscheen er geen Scene-album meer, afgezien van beste-vans en remakes met een enkel nieuw nummer. Schrijver-zanger en drijvende-kracht-achter Thé Lau deed nog wat solo-albums en toen kreeg hij kanker en ging dood. Mooier kunnen we het niet maken — zelf deed hij dat in ieder geval niet.

Een klein oeuvre bleef er achter. Maar het is wel het beste rock-repertoire dat er in het Nederlands is voortgebracht. Rauw, hees en teder.

736 | 168 | ~85000

Vandaag veranderden de laatste corona-maatregelen in adviezen. Nou ja, in een vliegtuig moet je nog wel een mondmasker op, maar verder is dat het dan.

Wie had dat gedacht, twee jaar en anderhalve week geleden…

Ik niet. Al had ik bij het verlaten van m’n werkplek op donderdag 12 maart 2020 tegen collega’s al wel een pessimistische verwachting uitgesproken: dat het wel eens wat langer zou kunnen gaan duren dan de twee weken die we op dat moment voorlopig zouden gaan thuiswerken. Tot en met de zomer leek me waarschijnlijker, met misschien daarna nog wat naweeën.

En om die tijd te overleven begon ik op 17 maart stukjes te schrijven. Dagen van corona noemde ik ze aanvankelijk, maar omdat dat wel erg naargeestig klonk veranderde ik het motto na een week in Kroon op de dag.

Eerst schreef ik dagelijks een stukje. Later, toen we weer wat ademruimte kregen maar ook vanwege allerlei persoonlijke omstandigheden die niets met corona te maken hadden, wekelijks of nog minder.

Het werden er met deze meegeteld 168, uitgesmeerd over 736 dagen. Bij elkaar ongeveer 85000 woorden. Dat is een aardig boekje — al zou ik ze er zeker niet allemaal in opnemen, en er ook nog wel even met een kritische blik overheen gaan.

En is het nu afgelopen?

Tja…

Ik ben van nature dus geen optimist. En ik ben er niet van overtuigd dat corona zich nu heeft teruggetrokken in de hoek met het bordje ‘onhandig maar geen echt probleem’.

Bovendien: Kroon op de dag is best een aardige titel voor een blogje.

Dus ik ga er nog maar even mee door, en hopelijk niet omdat het moet (want dan is corona weer uit z’n hoek gekropen) maar omdat het kan.

Plaatjes en verhalen

Ik schreef eerder al over het theatercollege Poëzie onder de microscoop, dat voortkwam uit een verblijf van dichter Rosa Schogt als artist in residence in het lab van medisch bioloog Renée van Amerongen.

Van Amerongen doet onderzoek op het snijvlak van de ontwikkelings-, stamcel- en kankerbiologie. Ze kijkt onder andere naar hoe cellen in het borstweefsel zich ontwikkelen, en wat het mechanisme is dat een gewone lichaamscel laat ontsporen met borstkanker als gevolg.

Van Amerongen brengt eiwitten uit het genetisch materiaal van kwallen in in de cellen die ze onderzoekt, waardoor die oplichten als ze onder bepaalde omstandigheden worden waargenomen. Dat maakt het gemakkelijker om de cellen te volgen en te zien wat ze doen. Het levert ook mooie beelden op, die tijdens de presentatie worden getoond.

Schogt vertelt dat ze erg haar best heeft gedaan om het onderzoek in haar poëzie te vatten, waar ze wat mij betreft goed in is geslaagd. Over de beelden zegt ze: “Ik vond al die foto’s overweldigend mooi. Ik weet niet of ik het kunst vind, maar ik vind het heel erg mooi om naar te kijken.”

Iemand in het publiek heeft daar een meer uitgesproken mening over: “Ik vind jouw gedicht wel kunst, maar die beelden niet. Want die beelden, dat is gefilmd, dat beweegt… Jij maakt verbindingen naar iets anders. Dat is wat wij doen, dat is wat mensen maken, die maken kunst. Die beelden, dat is eigenlijk de waarneming.”

Is dat zo, vroeg ik me af. Is een beeld alleen kunst als er expliciet verbindingen worden gelegd met iets anders dan het kale beeld van de foto? Dan zouden de foto’s van Henri Cartier-Bresson of Vincent Mentzel geen kunst zijn, en daar ben ik het in ieder geval al niet mee eens.

Natuurlijk, de beelden die Van Amerongen maakte waren eerst en vooral bedoeld als waarnemingen, onderzoeksobjecten. Maar ze hebben ook impliciete betekenis die verder kan gaan dan alleen maar een waarneming aan het reproductiemechanisme van een cel.

Die betekenis komt altijd van een mens, of het beeld nou expliciet bedoeld is als kunst of omdat er een verhaal in je opkomt bij het bekijken van het beeld.

Het beeld zelf is nooit meer dan het beeld. Fotonen die van een oppervlak komen en in je visuele systeem een reactie teweeg brengen, niets meer en niets minder. Pas in het hoofd van een mens wordt het kunst, zodra een beeld een verhaal oproept.

Schogt maakt haar versie van het verhaal expliciet in haar gedicht en daarom alleen al zou ik zeggen dat de beelden dus inderdaad voor haar kunst zijn geworden — ‘overweldigend’ is hier voor mij het sleutelwoord — maar zij vertelt slechts één mogelijk verhaal. Voor iemand die op enige manier te maken heeft met borstkanker zijn er vast nog wel andere verhalen die de beelden oproepen.

Zeggen dat de beelden geen kunst zijn want ‘eigenlijk waarneming’ doet de waarneming tekort.

Kunst begint met waarneming.

Zeker, niet iedere waarneming is kunst.

Het zou kunnen dat Vincent Mentzel een interpretatie in zijn hoofd heeft als hij een foto maakt van een politicus. Het is de vraag of de kijker die interpretatie precies zo maakt. Maar dát de foto’s van Mentzel verhalen oproepen maakt ze tot kunst, ongeacht wat de fotograaf oorspronkelijk bedoelde.

En uiteraard is niet ieder beeld voor iedereen even verhalend.

In 1995 maakte de Hubble Space Telescope één van de beroemdste foto’s in de geschiedenis van de astronomie (hieronder afgebeeld). Het beeld kreeg zelfs een eigen bijnaam: The Pillars of Creation. Het zijn drie reusachtige pilaren van interstellair stof, die zijn overgebleven uit een nog veel grotere stofwolk nadat jonge sterren met hun agressieve straling daar grote delen uit hebben weggeblazen. Ze zijn elk zo’n vijf lichtjaren hoog, dat wil zeggen dat een lichtsignaal er vijf jaar over zou doen om de pilaar te beklimmen.

Tekst gaat door na de afbeelding.

De Pillars of Creation in de Adelaarsnevel (M16), waargenomen door de Hubble Space Telescope[1]

Voor mij heeft die foto meerdere verhalen te vertellen. Hij zegt me iets over de enorme ruimte die er zich buiten onze aarde bevindt, over de geweldige en gewelddadige processen die zich daar afspelen. Ik zie er ook bijzondere vormen in. De ‘kop’ van de meest linkse pilaar zou een bizar ruimtewezen kunnen zijn, een mythologisch monster dat zich teweerstelt tegen de jonge sterren die het belagen.

De plaat heeft sowieso een aansprekende compositie. Je zou je kunnen voorstellen dat het een abstract schilderij is.

Kunst, dus. Ook al is het ‘gewoon een waarneming’.

Noten

  1. Deze foto is een scherpere opname uit 2014. De Adelaarsnevel bevindt zich op een kleine 7000 lichtjaar van onze aarde. De foto is overgenomen van https://hubblesite.org/contents/media/images/2015/01/3471-Image.html

Schermen

Vorige week was ik virtueel aanwezig bij wat ik nu even een theatercollege noem: Poëzie onder de microscoop. Dichter Rosa Schogt was in 2021 artist in residence in het lab van medisch bioloog Renée van Amerongen (UvA) en schreef gedichten naar aanleiding van het onderzoek. Ik ken Rosa persoonlijk, ik ben geïnteresseerd in zowel poëzie als wetenschappelijk onderzoek, dus ik was heel benieuwd.

“Is het lab een plaats voor poëzie?” vraagt de tekst op de website van Spui25[1], waar je het gebeuren trouwens ook nog kunt terugzien (doen!).

“Ja, waarom niet?” zou ik zeggen. Maar ik ben misschien niet helemaal maatgevend in dezen. Daar ga ik dus nog een blogje over schrijven.

Mijn gedachten dwaalden echter al meteen bij aanvang af. Ik schoot namelijk al in de lach nog voordat de bijeenkomst goed en wel van start was gegaan. Het grote scherm, waarmee het publiek dat daadwerkelijk in de zaal zat werd bediend, deed het niet… Nee, dat is natuurlijk niet om te lachen. Ik lachte dan ook niet omdat het leuk was, maar omdat ik het zo herkende.

Al meer dan vijftien jaar ben ik organisatorisch betrokken bij lezingen van het Natuurkundig Gezelschap te Utrecht [2]. Dat is de oudste nog bestaande natuurwetenschappelijke kring van het land, opgericht in 1777. Vroeger organiseerde het Gezelschap huiskamerbijeenkomsten voor en door de gegoede burgerij, waar hoogleraren letterlijk hun kunstjes kwamen demonstreren. Het waren een soort theatercolleges. De leden van het Gezelschap schaften de apparatuur aan, die de academici dan in bruikleen konden inzetten bij de universiteit. De derde geldstroom avant la lettre.

Die tijden zijn lang voorbij. Het instrumentarium van het Gezelschap verhuisde een kleine eeuw geleden naar het Utrechtse Universiteitsmuseum-in-wording en vormde er een belangrijk fundament van de collectie. De demonstraties zijn vervangen door lezingen van wetenschappers, in de plaats van de huiskamer is een collegezaal gekomen, en de ‘burgers’ in die zaal zijn academisch vaak niet minder onderlegd dan de sprekers. Het moderne instrumentarium bestaat nu meestal uit een laptop, aangesloten op de al aanwezige beamer in de zaal. Lichtbeelden zijn het medium — als alles het doet. En dat is zelden meteen het geval.

Het publiek bestaat vooral uit natuurkundigen, met een paar wis- en scheikundigen voor de diversiteit. Mensen met enig verstand van moderne technologie, zou je zeggen. Maar een presentatie laten beginnen blijkt telkens weer meer dan raketwetenschap. Hoe intelligent en technisch vaardig spreker en publiek ook zijn, er is toch altijd weer een volgorde van handelingen die de enig juiste is, maar nooit de eerste die wordt uitgevoerd, of de tweede.

Eerst de laptop aansluiten op het kastje waar ook de beamer naar luistert, dan pas de laptop áánzetten, dan de beamer aan. Nee, éérst de laptop aanzetten en de presentatie klaarzetten, en dán pas verbinding met de beamer maken. Of, nee, éérst de beamer aanzetten (die moet immers ook nog opwarmen), dan de laptop aan, dan— Nee? Nee…

Gelukkig komen de sprekers, die het fenomeen vaak ook van hun thuisbasis kennen, ruim op tijd om een en ander in te regelen. Zodat we meestal ook echt kunnen beginnen op de aangekondigde tijd van acht uur. Die thuisbasis is ook wel eens dezelfde zaal omdat ze zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht, maar dat geeft geen garantie op een probleemloze start.

Eenmaal was de spreker een Utrechtse sterrenkundige (wiens naam ik zal verzwijgen) die van tevoren had aangekondigd dat hij een nieuwe laptop had, en of het misschien handig was als we alles eerst even testten voordat hij aan zijn verhaal zou beginnen?

Geen probleem, mailde ik hem terug, ik was juist om die reden altijd een kwartier van tevoren al in de zaal.

Hij niet. Hij kwam pas een paar minuten voor aanvang binnen. De laptop, zei hij enigszins buiten adem, was een splinternieuwe. En het was ook voor het eerst dat hij een presentatie met de computer gaf. Bij het laatste grote sterrenkundig congres waar hij een spreker was, had de organisatie alleen voor hém nog een overhead-projector moeten regelen. Alle andere sprekers werkten inmiddels met laptops. Hij nu dus ook.

De laptop bleek te draaien op linux. Als de lezer geen idee heeft wat dat is: laten we zeggen dat het geen Windows is, en ook geen Apple, dat er vele varianten van zijn, dat deze sterrenkundige had gekozen voor een exotische variant, en dat dat in zichzelf geen bijzondere keuze is want natuurkundigen hebben een ingeboren neiging om te kiezen voor een systeem dat andere mensen níét hebben.

De laptop weigerde categorisch op enige manier te communiceren met de beamer. Welke volgorde van aanzetten en aansluiten van de componenten ik ook probeerde, niets werkte.

De sterrenkundige stond er werkloos naast, ik was tenslotte een organisator en daarmee de techneut van dienst. Ik suggereerde dat hij misschien wat inleidende woorden kon spreken, maar nee, daarvoor was toch echt de eerste slide van de presentatie nodig, en die zat vooralsnog in een zwart gat waaruit geen ontsnapping mogelijk leek.

Waarop ik, om geen interstellaire stilte te laten vallen, dan maar met luide stem uitleg gaf bij wat ik aan het doen was. Ik heb nooit last gehad van podiumangst, dat hielp.

Het publiek, met daarin ook een aantal reguliere ‘gebruikers’ van de zaal, riep hulpvaardig allerlei aanwijzingen, die geen van alle werkten.

Uiteindelijk lukte het tegen half negen om de presentatie op het grote zaalscherm in beweging te krijgen. Vraag mij niet hoe — het werkte. Technologie blijft een vorm van magie.

Veel poëzie zat er niet in de avond, hoewel plaatjes van verafgelegen sterrenstelsel altijd indrukwekkend zijn. Maar ik wil graag denken dat ik het publiek in ieder geval een vorm van entertainment heb geboden die zeldzaam was in deze context.

Toch een soort theatercollege.

Rond geloof

Bij 2Doc Kort zag ik de korte documentaire Vier vrienden op een platte aarde[1]. De titel zegt het helemaal: vier vrienden trekken erop uit om aan te tonen dat de aarde niet rond is maar plat.

Nou ja, twee van de vier (naamloze) vrienden zijn overtuigd. De een had zelfs een epifanie: op een dag hoorde hij dat de zon veel dichter bij de aarde staat dan ons altijd wordt verteld; hij stapte naar buiten en zag dat het zo was.

Een derde zegt, in afwezigheid van de anderen, dat hij ‘redelijk overtuigd’ is dat de aarde bolvormig is. Maar ja, om tegen je vrienden te zeggen dat ze niet sporen is ook weer zo wat, dus hij gaat mee op expeditie. Van de vierde krijg je niet echt hoogte. Hij doet enthousiast mee, laten we het daar op houden.

Het geloof in een platte aarde is de laatste jaren bezig aan een come-back. De Flat Earth Society[2] is een levendig gezelschap, waar je trouwens beter niet mee in conflict raakt. Ooit dacht ik dat dit mensen waren die knipogend gingen uitzoeken hoe ver je kunt komen met een wereldbeeld waarin de aarde plat is, niet rond. Een beetje zoals de aanhangers van het Flying Spaghetti Monster[3] laten zien hoe bizar religie kan zijn. Maar flat earthers maken geen grappen.

De vier vrienden hebben een experiment bedacht. Met een sterke laser, die een van de leiders ergens in Azië heeft laten maken, zullen ze vanaf het strand in Frankrijk een licht projecteren op de witte kliffen bij Dover. Eén van de leiders — zo noem ik het voortrekkende tweetal nu maar — zal daar ter plekke zal zijn. Als de aarde plat is, dan moet dat zonder problemen lukken. “Hoe gaan de wiskundigen dat verklaren?” vraagt de ene leider vol vuur. “Niet!” Als dit experiment slaagt zullen de flat earth-nieuwsgroepen er bol van staan.

Een van de leiders verzucht dat zijn overtuiging wel wat heeft gekost. Het goede contact dat hij altijd had met zijn zuster is er door vergaan. Ze denken dat je gek bent, stelt hij, maar dat is eigenlijk een afweermechanisme. Zijn kompaan knikt serieus zwijgend bij die woorden. Het zijn de anderen, niet zij, die ergens niet sporen.

Allebei de leiders zijn ervan overtuigd: er klopt helemaal geen ene bal van wat ons is geleerd. Letterlijk. Fysiek kan het geen bal zijn waarop wij leven.

Daar werd ik stil van.

Ik ben fysicus. Geen briljante, dat geef ik grif toe, maar ik weet veel meer van natuurkunde dan het overgrote deel van de wereldbevolking. Dat is geen opschepperij, dat is een feit. En alles wat ik ervan weet is: de wereld waarop wij leven moet een bol zijn. Zelfs als je er niets van kunt zien, dan moet het een bol zijn.

Waarom weet ik dat? Hóé weet ik dat? Dat echt goed uitleggen zou geen blog maar een reeks boeken opleveren, en dan nog is het maar de vraag of jullie, mijn niet-natuurkundige lezers, het tot in detail zouden begrijpen.

Klinkt dat arrogant? Misschien, maar zo liggen de zaken.

Een van de leiders van het viertal werkte voor Defensie. Hij reed onder andere als chauffeur van medische konvooien door Bosnië, door gebied dat door sluipschutters werd beheerst. Hij zag er een oude vrouw op straat vermoord worden.

Zou hij mij, een erkend dienstweigeraar, meegenomen hebben op zijn missies? Ik denk het niet. Zou hij mij het commando van zijn missie hebben toevertrouwd? Ik mag hopen van niet — dat zou heel onverstandig zijn geweest.

Het zou heel onverstandig zijn omdat ik helemaal niets weet van militaire missies. Mine would be the road to disaster.

Ik heb me daarentegen langdurig verdiept in de natuurkunde. Hoewel het in deze documentaire niet wordt gezegd, denk ik dat deze mannen net zo veel afweten van natuurkunde als ik van militaire missies. Toch storten ze zich kop over bol in deze natuurkundige missie. Dodelijk sluipschuttervuur zou hun deel geweest zijn in de eerste minuut van de actie, ware het niet dat fysici zich in het algemeen van andere middelen bedienen.

Waarom weet ik zo zeker dat onze aarde een bol is, ook al kun je dat niet op het eerste gezicht zien? Omdat Isaac Newton een kleine 350 jaar geleden opschreef hoe zwaartekracht werkt.

Dingen met een massa trekken andere dingen met een massa aan, daar komt het op neer. Een ding met massa trekt ook zichzelf aan. Gewoonlijk zie je daar niet veel van, maar als het ding heel groot is en zijn massa navenant ook, dan plooit het ding zich in een vorm waarin al zijn massa zo dicht mogelijk bij elkaar zit. Het maakt niet uit of het ding van steen is, van ijzer of diamant of willekeurig welk zwaar of hard materiaal. Desnoods wordt het materiaal met geweld vervormd, maar uiteindelijk plooit het zich in de optimale vorm.

Die optimale vorm is een bol.

Je kunt dat uitrekenen. Eerstejaars natuurkundestudenten doen dat meestal in een werkcollege Klassieke Mechanica, met een beetje hand waving omdat ze de benodigde wiskunde nog niet helemaal beheersen.

Je kunt het ook gewoon zien, boven ons hoofd. De maan is een bol, iets dat zelfs geharde flat earthers erkennen omdat het heel lastig is om de schijngestalten van de maan te verklaren als de maan geen bol zou zijn.

De massa van de aarde is vele malen die van de maan. Als de maan al een bol is, dan moet de aarde dat zeker zijn. Ook als je het niet kunt zien.

Het zou natuurlijk kunnen dat Newton fout zat en zwaartekracht niet werkt zoals hij het beschreef. Maar alles wat we zien in het heelal werkt wél zoals Newton het beschreef[4].

OK, zeggen de flat earthers. Maar hoe wéét je dat de aarde zo’n grote massa heeft?

Aha, zeg ik dan met de mond van de universele natuurkundige, omdat dingen op aarde zwaartekracht ondervinden. Het is de appel die Newton uit de boom zag vallen. Daaraan kun je uitrekenen hoe groot de massa van de aarde is. Een sommetje voor het eerstejaars werkcollege, zonder hand waving.

Kan zijn, zeggen de flat earthers, maar dat is een versnélling, want kracht is versnelling — “Newton, weet je wel!”. En die zou ook kunnen komen doordat de aarde, die helemaal niet zo zwaar is want eigenlijk een heel dunne platte pannenkoek, met een constante versnelling omhóóg beweegt. “Einstein, weet je wel, en frame of reference en alles!”

Ja, zeg ik dan (met de diepe zucht van de universele natuurkundige), maar een constante versnelling leidt onherroepelijk tot een snelheid die in de buurt van de lichtsnelheid komt. En dan zou je allerlei dingen moeten zien die we niet zien — Einstein, weet je wel.

Lang verhaal, dat nog veel langer zou moeten zijn om het echt uit te leggen. Eh… lang verhaal kort, wilde ik zeggen: natuurkundig klopt er helemaal geen bal van, van die platte aarde.

Maar natuurkunde is niet iets waar onze vier vrienden veel kaas van hebben gegeten.

Het experiment mislukt, want het laserlicht lijkt het Kanaal niet lekker over te komen. Het richten is lastig, er zijn schepen die passeren, en er is bovendien een beetje mist. En wat doet die mist, vragen de vier zich af. “Wordt die laser dan uit elkaar getrokken of zo?” vraagt iemand.

Je zóú dat kunnen uitrekenen, denk ik, bij voorkeur van tevoren. En er trekken begrippen als coherent en monochromatisch licht door mijn hoofd, want dat is waar ík bij een laser aan denk. Dat zal mijn gemiddelde lezer weinig zeggen, en deze mannen evenmin. Voor deze vier is een laser een sterke zaklamp. En de vorm van aarde is iets waarover je best van mening mag verschillen.

Al is voor de leiders wel duidelijk dat er ‘geen bal’ klopt van de dingen die we erover moeten leren.

En waarom zouden we daarover dingen moeten leren die niet kloppen, denk ik dan. Maar daarover blijven we bij dit viertal in het duister tasten, zoals zij dat blijven doen over hun experiment.

Wat mij betreft is er geen discussie over de vorm van de aarde. En dat komt niet door de vorm van de aarde, maar door de wetenschap die we natuurkunde noemen en die bij afleiding iets zegt over de vorm van de aarde. Dat kun je leuk vinden of niet, maar dat is wat mij betreft hoe de aarde in elkaar steekt.

Je kunt en moet discussiëren over het conflict in Bosnië, en over de legitimiteit van de sluipschutter die een oude vrouw doodschoot.

Maar de aarde is rond.

Alleen zijn er steeds meer mensen die denken dat hun aarde niet rond is. Nooit geweest. En schijt aan mensen die er echt iets vanaf weten. Dat baart mij ronduit zorgen, als natuurkundige maar vooral als mens.

Noten

  1. https://www.npostart.nl/2doc-kort/07-02-2022/VPWON_1334355
  2. https://en.wikipedia.org/wiki/Modern_flat_Earth_beliefs#International_Flat_Earth_Research_Society
  3. https://www.spaghettimonster.org/
  4. Dat is niet helemaal waar. De relativiteitstheorie van Einstein, zo’n honderd jaar oud, is een upgrade van de zwaartekrachtwet van Newton. Dat heeft veel interessante en ingewikkelde en subtiele gevolgen voor hoe het heelal ‘werkt’. Voor de bolvorm van een grote massa maakt het echter niet uit — tenzij de massa extreem groot wordt, maar dan hebben we het over vele malen de massa van de zon, die op zijn beurt vele, vele malen de massa van de aarde heeft. Ook volgens Einstein zijn de maan en de aarde ‘gewoon’ een bol.

Bommelding (2)

In mijn vorige blog vertelde ik dat ik als dertienjarige mijn eerste vingeroefeningen deed als ‘stripschrijver’ en dat dat veel later van pas zou komen.

In 2014 deed ik een schrijfcursus bij Schrijven in Utrecht. Dat was niet de eerste cursus daar en ook niet de laatste, wel de cursus waar de kwartjes begonnen te vallen. Plotseling begon ik te zien hoe schrijven bij mij werkt.

Begin november van dat jaar ontdekte ik dat er een Bommelverhalenwedstrijd was uitgeschreven door de Toondercompagnie, de organisatie die de zakelijke belangen rond de erfenis van Marten Toonder behartigt. Omdat ik lekker bezig was besloot ik me aan dat avontuur te wagen.

Dat viel niet mee, in eerste instantie. Maar algauw had ik de smaak te pakken, mede dankzij de Bommelhoorspelen van de NPO, die me hielpen om de personages de juiste taal te laten spreken. Eind februari 2015 leverde ik mijn verhaal, De Telebommel, in bij de Toondercompagnie.

Ik was een beetje te snel. Omdat ik blijkbaar niet de enige was die met de materie worstelde, werd kort daarna de deadline opgerekt. Dat werd aangekondigd op Facebook, met daarbij een oproep aan potentiële deelnemers om toch ook vooral aandacht te besteden aan toepasselijk (en correct!) taalgebruik. Als voorbeeld werden drie passages geciteerd van auteurs die het wel hadden begrepen — waaronder de opening van mijn eigen verhaal!

Eigenlijk kon het toen al niet meer stuk. In zekere zin was ik nu een ‘gepubliceerde Bommelauteur’, zij het anoniem.

En toen ik hoorde dat mijn verhaal ook nog de shortlist had gehaald was ik helemaal tevreden. Ik verwachtte niet dat ik ook nog zou winnen, en dat klopte. De hoofdprijs ging naar Henk Hardeman, een schrijver van professie. Die prijs bestond uit een boekuitgave van het winnende verhaal Het lastpak. De illustraties daarbij werden gemaakt door Henrieke Goorhuis, een jonge tekenares die de lijnvoering van Toonder verbluffend had weten te vinden.

Ik was eigenlijk ook wel een beetje trots. In vergelijking met het verhaal van Hardeman had ik het er volgens mijzelf helemaal niet zo slecht vanaf gebracht, zeker voor een eerste productie.

Aangemoedigd door dat gevoel begon ik aan een tweede Bommelverhaal, De Antiverlichter. Gewoon, omdat het leuk was.

En toen kreeg ik een mailtje van de Toondercompagnie. Er verscheen een luxe editie van Het lastpak, en omdat mijn naam in de appendix ook werd genoemd wilden ze mij een exemplaar toesturen. Nou, graag natuurlijk.

Ik ging er voetstoots vanuit dat in die appendix iets zou worden gezegd over de wedstrijd. Misschien werden de auteurs genoemd die destijds de shortlist hadden gehaald, zoiets.

Maar nee.

De appendix ging over Henrieke Goorhuis, de tekenares. Voordat ze de opdracht voor het tekenwerk kreeg, moest ze een proeve van bekwaamheid afleggen. Dat deed ze aan de hand van een passage uit één van de inzendingen. Mijn inzending.

Daar stond mijn naam, mijn tekst, en de tekeningen die Goorhuis daarbij had gemaakt.

Nu kon ik met recht zeggen dat ik een uitgegeven Bommelauteur was. En niet alleen uitgegeven, maar nog uitgetekend ook!

Inmiddels ben ik voorzichtig bezig een derde Bommelverhaal in de grondverf te zetten. Werktitel: Het bubbelleven.

Om heer Ollie te parafraseren: “Het is prettig om een Bommelauteur te zijn.”

(Omdat ik geen gedoe wil met auteursrechten ga ik hier niet mijn Bommelverhalen neerzetten. Wie er toch een blik op wil werpen neme contact met mij op.)

Bommelding

Ik worstel, met iets waar ik al een halve eeuw mee bezig ben.

Als jongetje bracht ik wat uurtjes zoet in de bibliotheek van mijn oude school. In mijn herinnering was dat een behoorlijke verzameling, al zullen de tijd en mijn eigen veranderende dimensies daar wel wat aan hebben verdraaid.

Ik ontdekte er Harry Mulisch, door wie ik zeker ben beïnvloed, maar over hem wil ik het hier niet hebben. Ik las er ook vele Bommelverhalen; er stond een aardig rijtje Literaire Reuzenpockets, wat aangeeft dat het misschien niet zo’n grote maar dan toch wel een goede bibliotheek was.

Bommel kende ik al langer. Mijn grootouders hadden grote stapels oude Donald Ducks, waarin ook de vervolgverhalen van heer Bommel en Tom Poes stonden.

Dat is meer dan een halve eeuw geleden, dus zo lang ken ik Bommel al. Ja, Donald Duck ken ik dus ook al zo lang, en hoewel ik daar ook altijd veel plezier aan heb beleefd (en nog), is zijn invloed lang zo groot niet geweest.

In 1976 begon ik de Bommelverhalen uit de NRC te knippen, toen Toonder na de 10000e aflevering de nummering van de afleveringen weer op 1 zette. En ik hield er pas mee op toen Bommel definitief plaats maakte voor Fokke & Sukke (geen schande) en ik inmiddels al bezig was de Volledige Werken deel voor deel in huis te krijgen.

In de schoolbibliotheek ontdekte ik achterin één van de pockets de eerste versie van Henk R. Mondria’s Bommelbibliografie. Een chronologisch overzicht van alle verhalen tot dan toe. Ik bleek er slechts een klein deel van te kennen. Om te watertanden. Ergens in die tijd nam ik me voor om ooit al die verhalen te lezen, en liever nog, in m’n eigen boekenkast te zetten.

Rond de eeuwwisseling was dat een feit. Bucketlist voltooid.

Daar was het echter niet bij gebleven. Ik wilde eigenlijk ook striptekenaar worden. Maar ik vond mijn eigen tekenkunsten ver beneden de maat.[1] Dan maar schrijven. Ik meende dat dat veel eenvoudiger was dan tekenen. Ten onrechte natuurlijk, maar dat zag ik in mijn jeugdige onschuld niet, anders was ik daar ook meteen mee opgehouden. En dus begon ik ergens in 1977 verhaaltjes à la Toonder te schrijven. Nou ja, ‘à la’… Zeg maar rustig dat het onbeholpen kopieën waren — maar ook nuttige vingeroefeningen. Jammer dat er op school wel een vak Tekenen was, maar geen vak Verhalen Vertellen.

Ik hield het een jaar of drie vol. Een multomapje vol dichtbeschreven velletjes — toen hield het op, ik weet niet meer waarom. Ik wierp me op de science fiction, en daarna probeerde ik Harry Mulisch na te doen. Allemaal zonder veel succes. Blijkbaar had je voor schrijven toch wel wat meer nodig dan kennis van de taal.

Het duurde dan ook nog een hele tijd voordat ik begon in te zien wat de waarde van die vingeroefeningen was geweest. Een aantal jaren geleden deed ik mee aan een officiële Bommelverhalenwedstrijd. Daar haalde ik de shortlist. En hoewel de hoofdprijs aan mij voorbijging (die werd gewonnen door broodschrijver Henk Hardeman) mag ik mezelf nu wel een gepubliceerde Bommelauteur noemen (maar dat is een verhaal op zich).

En nu worstel ik dus, met een nieuw Bommelverhaal, m’n derde. Niet omdat er een wedstrijd is, maar gewoon zomaar, omdat ik het kan en omdat schrijven toch eigenlijk wel enorm leuk is.

Het komt vast goed, deze keer.

Noten

  1. Tot mijn stomme verbazing zag ik onlangs mijn eindrapport van de derde klas. Het hoogste cijfer daarop was een 8 voor tekenen, toegekend door Erika Visser, portretschilderes van naam die later nog een relatie had met Marten Toonder. Ach, had ik maar wat beter mijn best gedaan…

Verschrikkelijk

Dit wordt geen verschrikkelijk leuk stukje.

Ik keek maar weer eens naar ‘de persconferentie’. Niet dat ik er veel zin in had, maar ik hoopte toch op een beetje lucht voor de theaters — al was de eerstvolgende voorstelling waarvoor ik een kaartje had (vandaag!) een dag eerder al gecanceld.

De nieuwe minister bedient zich van ‘infographics’ om zijn verhaal te onderbouwen, zoveel had ik al meegekregen. De gebarentolken werden ervoor naar een zijraampje verbannen. Nu ook weer. Plaatjes die moesten duidelijk maken hoeveel mensen zijn gevaccineerd en hoeveel daarvan al een booster hebben, in het algemeen en hoe de verdeling in de ziekenhuizen/IC’s is.

Op Twitter las ik enthousiaste reacties. Glashelder, die plaatjes!

Ja, als je niet kleurenblind bent. Want voor mij was het een beetje raden, die plaatjes. Donkerrood, donkergroen, en om in de sfeer te blijven, donkerblauw. Denk ik. Want echt duidelijk was het niet, voor mij.

Ik wilde er een vlammend stukje over schrijven. Is er dan niemand in het communicatieteam van de minister die daar even op had kunnen wijzen? En het kost helemaal níéts om het goed te doen: andere kleuren gebruiken met meer contrast, en daarnaast ook onderscheidende symbolen. Zit allemaal gewoon in je presentatiepakket. Hoef je geen cent extra voor uit te geven.

Ik wilde er maar meteen een duidelijk plaatje bij maken, hoe het óók kan. Maar ik kreeg verschrikkelijke ruzie met mijn tekenpakket. Lag aan mij, en aan mijn beroerde ogen, niet aan het tekenpakket. Na anderhalf uur vloeken heb ik het maar opgegeven.

En maar goed ook. Vandaag las ik bij de NOS dat er sowieso wel wat viel af te dingen op de plaatjes van Kuipers [1]. Data uit verschillende periodes, waarbij de ene plaat over nu ging, en de andere over een periode waarin delta deels nog prevaleerde boven omikron en er sowieso nog weinig boosters waren uitgedeeld. Appels en peren, dus dan doet de kleur er überhaupt niet meer toe.

Hoe dom kun je zijn, als minister? Of, ervan uitgaande dat de minister de plaatjes niet zelf in elkaar heeft geknutseld, hoe dom kun je zijn als medewerker-van-de-minister? Terwijl de actuele cijfers niet een heel ander verhaal vertellen: de vaccins helpen behoorlijk tegen ziekenhuisopname, en de booster doet er nog een leuk schepje bovenop. Wie verzint het dan om daar mee te gaan fröbelen? Het is toch zeker geen Creatief met kurk (“altijd van je af presenteren”)?

De complottheoreten zullen er wel een velddag mee hebben. Dat ze zelf vaak nog veel enthousiaster wijzen naar verbanden in totaal ongecorreleerde data doet er dan even niet toe.

Nou ja, positief aan de zaak: de vermaledijde NOS bericht er een dag later al uitgebreid over, dus laat nou niemand gaan roepen dat de media aan de leiband van de corrupte regering lopen. Al hoor ik de gemiddelde complottheoreet nu al blèren: “Dit is alleen maar om af te leiden!”

Nee, dit is niet om af te leiden. Dit is gewoon verschrikkelijk dom. Nog dommer dan een slecht kleurenschema gebruiken. Dit is een gele kaart voor Kuipers. Ik wacht nog even met een rode — of een groene, ik moet echt goed letten op het verschil.

Noten

  1. https://nos.nl/artikel/2414613-kuipers-wilde-overtuigen-met-cijfers-maar-was-selectief

Heel zeker (in de slaapkamer)

De laatste tijd zie ik (ongewild) wat vaker tv-reclame voorbij komen. Die is er niet beter op geworden, door de tijd. Maar een nieuw dieptepunt is wat mij betreft wel de reclame van een bepaald merk beveiligingsapparatuur. Ik zal de naam hier niet noemen, de lezer weet heel zeker wel wie ik bedoel…

Ik kende het merk al van de radioreclame. Vrouw vraagt aan man of-ie het alarm heeft aangezet. Nee dat is-ie vergeten. Geeft niet schat, dan doet zij het wel met de app.

O? denk ik dan. Had ze niet in die app kunnen zien dat het alarm nog niet aan staat? Dat is dan niet zo’n handige app. Of heeft ze het wél gezien en houdt ze zich nu expres een beetje van de domme om haar man te sarren? Volgens mij is er iets niet pluis in dit huwelijk.

Terwijl zij het alarm aanzet, ontrolt zich nog een wonderlijk gesprekje. Ja, zegt hij, we slapen inderdaad veel beter als het alarm aanstaat. Tja, denk ik dan, had het dan aangezet voordat je naar de slaapkamer kwam. Ik begin nu te vermoeden dat vrouwlief het inderdaad erop aan heeft laten komen om hem te sarren.

En dan is het de vrouw gelukt om het alarm aan te zetten. Dat is dus geen kwestie van even ergens op drukken in de app. Is het echt niet zo’n handige app? Ben ik dan toch te achterdochtig over de staat van dit huwelijk?

Ze kunnen in ieder geval rustig de nacht in. Slaap lekker, lieve schat.

Ik behoor hopelijk niet tot de doelgroep, want ik zou dus niet aan dit systeem beginnen. En dat is dan op grond van de radioreclame.

De tv-versie is gewoon hetzelfde als de radio-versie, met bewegende beelden. En wat blijkt?

Die man, die zegt dus dat-ie het vergeten is — vóórdat-ie z’n bed in stapt! Hij grijnst er zelfs een beetje bij. Hij vergeet het alarm aan te zetten, z’n vrouw vraagt ernaar, en wat doet meneer? Draait-ie zich subiet om en rent de kamer uit om zijn werk alsnog te doen? Vraagt hij zijn vrouw om het alsjeblieft voor deze ene keer op de app te doen, want hij is al zo moe?

Nee. Hij zegt grijnzend sorry en stapt gewoon z’n bed in.

Nu begin ik te begrijpen wie hier wie aan het sarren is.

Ik ben er vrij zeker van dat die vrouw niet zoveel tijd nodig had om het alarm aan te zetten in die app. Nee, die is haar advocaat aan het appen. Dat wordt nog een interessante scheidingszaak…

En ik ben van één ding heel zeker: dat alarmsysteem, dat komt er bij mij niet in. Dat geeft alleen maar narigheid. Met of zonder app.

Het feit

Taal, en het gebruik ervan, is een flexibel instrument, dat is een feit. Nettetaalgebruikers verzetten zich tegen het gebruik van ‘dan’ waar ‘als’ moet staan (en omgekeerd). Maar feit is dat die twee ooit gewoon uitwisselbaar waren. ‘Beter dan’ was toen niet beter als ‘beter als’ — en omgekeerd.

Maar ik moet toegeven dat het opschrijven van de vorige zin mij meer moeite kostte dan (nee, niet ‘als’) ik had verwacht. En ook het begin van deze alinea riep weerstand op. Dat zal ik uitleggen.

Bij een schrijfcursus raadde één van de docenten het boek De wil en de weg van Jan Brokken aan.[1] Dat bleek een verzameling van relatief korte stukjes te zijn. Sommige gaan in detail over een klein aspect van de techniek van het schrijven, andere zijn meer algemeen of lijken soms zelfs helemaal niet over schrijven te gaan. Ik heb er veel nieuwe inzichten in opgedaan.

Brokken waarschuwt onder andere voor slordig taalgebruik. Dat is iets anders dan fout taalgebruik. Slordig hoeft nog niet fout te zijn, maar het is wel slordig en dat stoort. Niet voor niets krijgen beginnende schrijvers voortdurend te horen dat ze hun teksten moeten herlezen, liefst hardop en niet meteen na het schrijven ervan, want dan vallen je ineens dingen op die je niet merkte toen je het opschreef. Herhalingen, stoplappen, kromme zinsconstructies, het ontbreken van een persoonsvorm — dat soort dingen.

Het woordje ‘maar’ komt heel veel voor in teksten, maar het is vaak helemaal niet nodig. Ik had het voorgaande zinsdeel bijvoorbeeld ook kunnen schrijven als “terwijl het vaak helemaal niet nodig is”. Die maar-overvloed gaat storen.

Nadat ik dat bij Brokken had gelezen ging ik er bij mezelf op letten. En inderdaad, ook ik was gewend te strooien met maars: weg ermee!

Passief taalgebruik, nog zo’n valkuil waar vooral ambtelijke schrijvers zich snel aan bezondigen. Als je er bewust op gaat letten, word je vanzelf met de neus op de feiten gedrukt. En soms ontkom je er niet aan…

Zo bouw je door de tijd heen een bibliotheekje op van woorden, uitdrukkingen, constructies die je wilt vermijden. Waaraan je je dus ook gaat ergeren als je ze bij anderen leest. Dan ga je erop letten, en dan blijkt het nog veel vaker voor te komen dan je al dacht.

Eén zo’n constructie waar ik inmiddels een behoorlijke hekel aan heb gekregen is ‘het feit dat’. Het doet een beetje ambtelijk aan, meer iets dat thuishoort in een proces-verbaal dan in een literaire tekst. Het pretendeert iets, een bepaalde status die er in werkelijkheid helemaal niet is.

Een voorbeeld uit de roman Amalia van Matthias Rozemond, waarover ik eerder blogde: “Het feit dat niemand haar goed doorgrondde […] leek bij te dragen aan haar faam.”[2] Je kunt ‘het feit’ hier prima weglaten: “Dat niemand haar goed doorgrondde leek bij te dragen aan haar faam.”

Begrijp me goed: de constructie is niet fout. Ik gebruik hem zelf ook wel eens. Hij stoort me alleen vaak, en dat vermindert het leesplezier. Zodanig zelfs dat ik meende dat Rozemond er wel erg kwistig mee strooide. Dat valt mee, ‘het feit dat’ komt precies tien keer voor in de roman. Maar in zeker de helft van die gevallen zou ik ‘het feit’ hebben laten vallen.

Inzichten veranderen, net als de taal. Op deze site komt ‘het feit dat’ drie keer voor, en in twee gevallen zou ik de tekst nu anders opschrijven. (Leuke prijsvraag voor de lezers: noem die twee gevallen, en hoe ze te vermijden.) Wie weet lees ik er over een paar jaar weer rustig overheen.

Ja, taalgebruik is een flexibel ding. Het beweegt mee met onze inzichten. En dat is een feit.

Noten

  1. Jan Brokken, De wil en de weg, uitgeverij Augustus, 2006. Zie bijvoorbeeld https://www.hebban.nl/boek/de-wil-en-de-weg-jan-brokken voor een recensie.
  2. Uit het hoofdstuk ‘Herfst 1621’