Bommelding (2)

In mijn vorige blog vertelde ik dat ik als dertienjarige mijn eerste vingeroefeningen deed als ‘stripschrijver’ en dat dat veel later van pas zou komen.

In 2014 deed ik een schrijfcursus bij Schrijven in Utrecht. Dat was niet de eerste cursus daar en ook niet de laatste, wel de cursus waar de kwartjes begonnen te vallen. Plotseling begon ik te zien hoe schrijven bij mij werkt.

Begin november van dat jaar ontdekte ik dat er een Bommelverhalenwedstrijd was uitgeschreven door de Toondercompagnie, de organisatie die de zakelijke belangen rond de erfenis van Marten Toonder behartigt. Omdat ik lekker bezig was besloot ik me aan dat avontuur te wagen.

Dat viel niet mee, in eerste instantie. Maar algauw had ik de smaak te pakken, mede dankzij de Bommelhoorspelen van de NPO, die me hielpen om de personages de juiste taal te laten spreken. Eind februari 2015 leverde ik mijn verhaal, De Telebommel, in bij de Toondercompagnie.

Ik was een beetje te snel. Omdat ik blijkbaar niet de enige was die met de materie worstelde, werd kort daarna de deadline opgerekt. Dat werd aangekondigd op Facebook, met daarbij een oproep aan potentiële deelnemers om toch ook vooral aandacht te besteden aan toepasselijk (en correct!) taalgebruik. Als voorbeeld werden drie passages geciteerd van auteurs die het wel hadden begrepen — waaronder de opening van mijn eigen verhaal!

Eigenlijk kon het toen al niet meer stuk. In zekere zin was ik nu een ‘gepubliceerde Bommelauteur’, zij het anoniem.

En toen ik hoorde dat mijn verhaal ook nog de shortlist had gehaald was ik helemaal tevreden. Ik verwachtte niet dat ik ook nog zou winnen, en dat klopte. De hoofdprijs ging naar Henk Hardeman, een schrijver van professie. Die prijs bestond uit een boekuitgave van het winnende verhaal Het lastpak. De illustraties daarbij werden gemaakt door Henrieke Goorhuis, een jonge tekenares die de lijnvoering van Toonder verbluffend had weten te vinden.

Ik was eigenlijk ook wel een beetje trots. In vergelijking met het verhaal van Hardeman had ik het er volgens mijzelf helemaal niet zo slecht vanaf gebracht, zeker voor een eerste productie.

Aangemoedigd door dat gevoel begon ik aan een tweede Bommelverhaal, De Antiverlichter. Gewoon, omdat het leuk was.

En toen kreeg ik een mailtje van de Toondercompagnie. Er verscheen een luxe editie van Het lastpak, en omdat mijn naam in de appendix ook werd genoemd wilden ze mij een exemplaar toesturen. Nou, graag natuurlijk.

Ik ging er voetstoots vanuit dat in die appendix iets zou worden gezegd over de wedstrijd. Misschien werden de auteurs genoemd die destijds de shortlist hadden gehaald, zoiets.

Maar nee.

De appendix ging over Henrieke Goorhuis, de tekenares. Voordat ze de opdracht voor het tekenwerk kreeg, moest ze een proeve van bekwaamheid afleggen. Dat deed ze aan de hand van een passage uit één van de inzendingen. Mijn inzending.

Daar stond mijn naam, mijn tekst, en de tekeningen die Goorhuis daarbij had gemaakt.

Nu kon ik met recht zeggen dat ik een uitgegeven Bommelauteur was. En niet alleen uitgegeven, maar nog uitgetekend ook!

Inmiddels ben ik voorzichtig bezig een derde Bommelverhaal in de grondverf te zetten. Werktitel: Het bubbelleven.

Om heer Ollie te parafraseren: “Het is prettig om een Bommelauteur te zijn.”

(Omdat ik geen gedoe wil met auteursrechten ga ik hier niet mijn Bommelverhalen neerzetten. Wie er toch een blik op wil werpen neme contact met mij op.)

Bommelding

Ik worstel, met iets waar ik al een halve eeuw mee bezig ben.

Als jongetje bracht ik wat uurtjes zoet in de bibliotheek van mijn oude school. In mijn herinnering was dat een behoorlijke verzameling, al zullen de tijd en mijn eigen veranderende dimensies daar wel wat aan hebben verdraaid.

Ik ontdekte er Harry Mulisch, door wie ik zeker ben beïnvloed, maar over hem wil ik het hier niet hebben. Ik las er ook vele Bommelverhalen; er stond een aardig rijtje Literaire Reuzenpockets, wat aangeeft dat het misschien niet zo’n grote maar dan toch wel een goede bibliotheek was.

Bommel kende ik al langer. Mijn grootouders hadden grote stapels oude Donald Ducks, waarin ook de vervolgverhalen van heer Bommel en Tom Poes stonden.

Dat is meer dan een halve eeuw geleden, dus zo lang ken ik Bommel al. Ja, Donald Duck ken ik dus ook al zo lang, en hoewel ik daar ook altijd veel plezier aan heb beleefd (en nog), is zijn invloed lang zo groot niet geweest.

In 1976 begon ik de Bommelverhalen uit de NRC te knippen, toen Toonder na de 10000e aflevering de nummering van de afleveringen weer op 1 zette. En ik hield er pas mee op toen Bommel definitief plaats maakte voor Fokke & Sukke (geen schande) en ik inmiddels al bezig was de Volledige Werken deel voor deel in huis te krijgen.

In de schoolbibliotheek ontdekte ik achterin één van de pockets de eerste versie van Henk R. Mondria’s Bommelbibliografie. Een chronologisch overzicht van alle verhalen tot dan toe. Ik bleek er slechts een klein deel van te kennen. Om te watertanden. Ergens in die tijd nam ik me voor om ooit al die verhalen te lezen, en liever nog, in m’n eigen boekenkast te zetten.

Rond de eeuwwisseling was dat een feit. Bucketlist voltooid.

Daar was het echter niet bij gebleven. Ik wilde eigenlijk ook striptekenaar worden. Maar ik vond mijn eigen tekenkunsten ver beneden de maat.[1] Dan maar schrijven. Ik meende dat dat veel eenvoudiger was dan tekenen. Ten onrechte natuurlijk, maar dat zag ik in mijn jeugdige onschuld niet, anders was ik daar ook meteen mee opgehouden. En dus begon ik ergens in 1977 verhaaltjes à la Toonder te schrijven. Nou ja, ‘à la’… Zeg maar rustig dat het onbeholpen kopieën waren — maar ook nuttige vingeroefeningen. Jammer dat er op school wel een vak Tekenen was, maar geen vak Verhalen Vertellen.

Ik hield het een jaar of drie vol. Een multomapje vol dichtbeschreven velletjes — toen hield het op, ik weet niet meer waarom. Ik wierp me op de science fiction, en daarna probeerde ik Harry Mulisch na te doen. Allemaal zonder veel succes. Blijkbaar had je voor schrijven toch wel wat meer nodig dan kennis van de taal.

Het duurde dan ook nog een hele tijd voordat ik begon in te zien wat de waarde van die vingeroefeningen was geweest. Een aantal jaren geleden deed ik mee aan een officiële Bommelverhalenwedstrijd. Daar haalde ik de shortlist. En hoewel de hoofdprijs aan mij voorbijging (die werd gewonnen door broodschrijver Henk Hardeman) mag ik mezelf nu wel een gepubliceerde Bommelauteur noemen (maar dat is een verhaal op zich).

En nu worstel ik dus, met een nieuw Bommelverhaal, m’n derde. Niet omdat er een wedstrijd is, maar gewoon zomaar, omdat ik het kan en omdat schrijven toch eigenlijk wel enorm leuk is.

Het komt vast goed, deze keer.

Noten

  1. Tot mijn stomme verbazing zag ik onlangs mijn eindrapport van de derde klas. Het hoogste cijfer daarop was een 8 voor tekenen, toegekend door Erika Visser, portretschilderes van naam die later nog een relatie had met Marten Toonder. Ach, had ik maar wat beter mijn best gedaan…

Verschrikkelijk

Dit wordt geen verschrikkelijk leuk stukje.

Ik keek maar weer eens naar ‘de persconferentie’. Niet dat ik er veel zin in had, maar ik hoopte toch op een beetje lucht voor de theaters — al was de eerstvolgende voorstelling waarvoor ik een kaartje had (vandaag!) een dag eerder al gecanceld.

De nieuwe minister bedient zich van ‘infographics’ om zijn verhaal te onderbouwen, zoveel had ik al meegekregen. De gebarentolken werden ervoor naar een zijraampje verbannen. Nu ook weer. Plaatjes die moesten duidelijk maken hoeveel mensen zijn gevaccineerd en hoeveel daarvan al een booster hebben, in het algemeen en hoe de verdeling in de ziekenhuizen/IC’s is.

Op Twitter las ik enthousiaste reacties. Glashelder, die plaatjes!

Ja, als je niet kleurenblind bent. Want voor mij was het een beetje raden, die plaatjes. Donkerrood, donkergroen, en om in de sfeer te blijven, donkerblauw. Denk ik. Want echt duidelijk was het niet, voor mij.

Ik wilde er een vlammend stukje over schrijven. Is er dan niemand in het communicatieteam van de minister die daar even op had kunnen wijzen? En het kost helemaal níéts om het goed te doen: andere kleuren gebruiken met meer contrast, en daarnaast ook onderscheidende symbolen. Zit allemaal gewoon in je presentatiepakket. Hoef je geen cent extra voor uit te geven.

Ik wilde er maar meteen een duidelijk plaatje bij maken, hoe het óók kan. Maar ik kreeg verschrikkelijke ruzie met mijn tekenpakket. Lag aan mij, en aan mijn beroerde ogen, niet aan het tekenpakket. Na anderhalf uur vloeken heb ik het maar opgegeven.

En maar goed ook. Vandaag las ik bij de NOS dat er sowieso wel wat viel af te dingen op de plaatjes van Kuipers [1]. Data uit verschillende periodes, waarbij de ene plaat over nu ging, en de andere over een periode waarin delta deels nog prevaleerde boven omikron en er sowieso nog weinig boosters waren uitgedeeld. Appels en peren, dus dan doet de kleur er überhaupt niet meer toe.

Hoe dom kun je zijn, als minister? Of, ervan uitgaande dat de minister de plaatjes niet zelf in elkaar heeft geknutseld, hoe dom kun je zijn als medewerker-van-de-minister? Terwijl de actuele cijfers niet een heel ander verhaal vertellen: de vaccins helpen behoorlijk tegen ziekenhuisopname, en de booster doet er nog een leuk schepje bovenop. Wie verzint het dan om daar mee te gaan fröbelen? Het is toch zeker geen Creatief met kurk (“altijd van je af presenteren”)?

De complottheoreten zullen er wel een velddag mee hebben. Dat ze zelf vaak nog veel enthousiaster wijzen naar verbanden in totaal ongecorreleerde data doet er dan even niet toe.

Nou ja, positief aan de zaak: de vermaledijde NOS bericht er een dag later al uitgebreid over, dus laat nou niemand gaan roepen dat de media aan de leiband van de corrupte regering lopen. Al hoor ik de gemiddelde complottheoreet nu al blèren: “Dit is alleen maar om af te leiden!”

Nee, dit is niet om af te leiden. Dit is gewoon verschrikkelijk dom. Nog dommer dan een slecht kleurenschema gebruiken. Dit is een gele kaart voor Kuipers. Ik wacht nog even met een rode — of een groene, ik moet echt goed letten op het verschil.

Noten

  1. https://nos.nl/artikel/2414613-kuipers-wilde-overtuigen-met-cijfers-maar-was-selectief

Heel zeker (in de slaapkamer)

De laatste tijd zie ik (ongewild) wat vaker tv-reclame voorbij komen. Die is er niet beter op geworden, door de tijd. Maar een nieuw dieptepunt is wat mij betreft wel de reclame van een bepaald merk beveiligingsapparatuur. Ik zal de naam hier niet noemen, de lezer weet heel zeker wel wie ik bedoel…

Ik kende het merk al van de radioreclame. Vrouw vraagt aan man of-ie het alarm heeft aangezet. Nee dat is-ie vergeten. Geeft niet schat, dan doet zij het wel met de app.

O? denk ik dan. Had ze niet in die app kunnen zien dat het alarm nog niet aan staat? Dat is dan niet zo’n handige app. Of heeft ze het wél gezien en houdt ze zich nu expres een beetje van de domme om haar man te sarren? Volgens mij is er iets niet pluis in dit huwelijk.

Terwijl zij het alarm aanzet, ontrolt zich nog een wonderlijk gesprekje. Ja, zegt hij, we slapen inderdaad veel beter als het alarm aanstaat. Tja, denk ik dan, had het dan aangezet voordat je naar de slaapkamer kwam. Ik begin nu te vermoeden dat vrouwlief het inderdaad erop aan heeft laten komen om hem te sarren.

En dan is het de vrouw gelukt om het alarm aan te zetten. Dat is dus geen kwestie van even ergens op drukken in de app. Is het echt niet zo’n handige app? Ben ik dan toch te achterdochtig over de staat van dit huwelijk?

Ze kunnen in ieder geval rustig de nacht in. Slaap lekker, lieve schat.

Ik behoor hopelijk niet tot de doelgroep, want ik zou dus niet aan dit systeem beginnen. En dat is dan op grond van de radioreclame.

De tv-versie is gewoon hetzelfde als de radio-versie, met bewegende beelden. En wat blijkt?

Die man, die zegt dus dat-ie het vergeten is — vóórdat-ie z’n bed in stapt! Hij grijnst er zelfs een beetje bij. Hij vergeet het alarm aan te zetten, z’n vrouw vraagt ernaar, en wat doet meneer? Draait-ie zich subiet om en rent de kamer uit om zijn werk alsnog te doen? Vraagt hij zijn vrouw om het alsjeblieft voor deze ene keer op de app te doen, want hij is al zo moe?

Nee. Hij zegt grijnzend sorry en stapt gewoon z’n bed in.

Nu begin ik te begrijpen wie hier wie aan het sarren is.

Ik ben er vrij zeker van dat die vrouw niet zoveel tijd nodig had om het alarm aan te zetten in die app. Nee, die is haar advocaat aan het appen. Dat wordt nog een interessante scheidingszaak…

En ik ben van één ding heel zeker: dat alarmsysteem, dat komt er bij mij niet in. Dat geeft alleen maar narigheid. Met of zonder app.

Het feit

Taal, en het gebruik ervan, is een flexibel instrument, dat is een feit. Nettetaalgebruikers verzetten zich tegen het gebruik van ‘dan’ waar ‘als’ moet staan (en omgekeerd). Maar feit is dat die twee ooit gewoon uitwisselbaar waren. ‘Beter dan’ was toen niet beter als ‘beter als’ — en omgekeerd.

Maar ik moet toegeven dat het opschrijven van de vorige zin mij meer moeite kostte dan (nee, niet ‘als’) ik had verwacht. En ook het begin van deze alinea riep weerstand op. Dat zal ik uitleggen.

Bij een schrijfcursus raadde één van de docenten het boek De wil en de weg van Jan Brokken aan.[1] Dat bleek een verzameling van relatief korte stukjes te zijn. Sommige gaan in detail over een klein aspect van de techniek van het schrijven, andere zijn meer algemeen of lijken soms zelfs helemaal niet over schrijven te gaan. Ik heb er veel nieuwe inzichten in opgedaan.

Brokken waarschuwt onder andere voor slordig taalgebruik. Dat is iets anders dan fout taalgebruik. Slordig hoeft nog niet fout te zijn, maar het is wel slordig en dat stoort. Niet voor niets krijgen beginnende schrijvers voortdurend te horen dat ze hun teksten moeten herlezen, liefst hardop en niet meteen na het schrijven ervan, want dan vallen je ineens dingen op die je niet merkte toen je het opschreef. Herhalingen, stoplappen, kromme zinsconstructies, het ontbreken van een persoonsvorm — dat soort dingen.

Het woordje ‘maar’ komt heel veel voor in teksten, maar het is vaak helemaal niet nodig. Ik had het voorgaande zinsdeel bijvoorbeeld ook kunnen schrijven als “terwijl het vaak helemaal niet nodig is”. Die maar-overvloed gaat storen.

Nadat ik dat bij Brokken had gelezen ging ik er bij mezelf op letten. En inderdaad, ook ik was gewend te strooien met maars: weg ermee!

Passief taalgebruik, nog zo’n valkuil waar vooral ambtelijke schrijvers zich snel aan bezondigen. Als je er bewust op gaat letten, word je vanzelf met de neus op de feiten gedrukt. En soms ontkom je er niet aan…

Zo bouw je door de tijd heen een bibliotheekje op van woorden, uitdrukkingen, constructies die je wilt vermijden. Waaraan je je dus ook gaat ergeren als je ze bij anderen leest. Dan ga je erop letten, en dan blijkt het nog veel vaker voor te komen dan je al dacht.

Eén zo’n constructie waar ik inmiddels een behoorlijke hekel aan heb gekregen is ‘het feit dat’. Het doet een beetje ambtelijk aan, meer iets dat thuishoort in een proces-verbaal dan in een literaire tekst. Het pretendeert iets, een bepaalde status die er in werkelijkheid helemaal niet is.

Een voorbeeld uit de roman Amalia van Matthias Rozemond, waarover ik eerder blogde: “Het feit dat niemand haar goed doorgrondde […] leek bij te dragen aan haar faam.”[2] Je kunt ‘het feit’ hier prima weglaten: “Dat niemand haar goed doorgrondde leek bij te dragen aan haar faam.”

Begrijp me goed: de constructie is niet fout. Ik gebruik hem zelf ook wel eens. Hij stoort me alleen vaak, en dat vermindert het leesplezier. Zodanig zelfs dat ik meende dat Rozemond er wel erg kwistig mee strooide. Dat valt mee, ‘het feit dat’ komt precies tien keer voor in de roman. Maar in zeker de helft van die gevallen zou ik ‘het feit’ hebben laten vallen.

Inzichten veranderen, net als de taal. Op deze site komt ‘het feit dat’ drie keer voor, en in twee gevallen zou ik de tekst nu anders opschrijven. (Leuke prijsvraag voor de lezers: noem die twee gevallen, en hoe ze te vermijden.) Wie weet lees ik er over een paar jaar weer rustig overheen.

Ja, taalgebruik is een flexibel ding. Het beweegt mee met onze inzichten. En dat is een feit.

Noten

  1. Jan Brokken, De wil en de weg, uitgeverij Augustus, 2006. Zie bijvoorbeeld https://www.hebban.nl/boek/de-wil-en-de-weg-jan-brokken voor een recensie.
  2. Uit het hoofdstuk ‘Herfst 1621’

Quod licet bovi

De afgelopen week las ik de historische roman Amalia van Matthias Rozemond. De titelheldin is gravin Amalia van Solms, die in april 1621 in Den Haag arriveert als eerste hofdame van Elizabeth Stuart. Elizabeth is met haar man op de vlucht nadat deze protestantse koning van Bohemen door een katholieke overmacht uit Praag is verjaagd.

Matthias Rozemond: Amalia (2021)

Elizabeth wil door naar Engeland, waar haar vader James de troon bezet. Maar de tijden zijn roerig, het zal 40 jaar duren voor Elizabeth de oversteek kan maken.

Ook in Den Haag is het rumoerig. In 1619 is Johan van Oldenbarnevelt er door prins Maurits van Oranje terechtgesteld. Aan het twaalfjarig bestand komt een einde, de Spaanse troepen rukken op.

Amalia van Solms is 18 en ambitieus.

In de roman krijgt zij een verhouding met Willem van Oldenbarnevelt, een zoon van Johan. Via hem raakt zij zijdelings betrokken bij een complot om Maurits te vermoorden. Die aanslag wordt verijdeld, maar Willem ontkomt aan de beul en vlucht de grens over, en Amalia blijft buiten schot.

Het is Willem die er bij Amalia op aandringt om aan te pappen met Frederik Hendrik, de halfbroer van Maurits en zoon van Willem van Oranje (van wie Amalia een achternicht is). Dat doet ze, en zo wordt ze in 1625 na de dood van Maurits en haar huwelijk met de toekomstige ‘stedendwinger’ de machtigste vrouw van de Republiek.

En Amalia is nog steeds ambitieus. Ze staat in de roman ook nog steeds in contact met Willem, die haar adviseert in staatszaken. Bijvoorbeeld over de expeditie die de Spaanse zilvervloot moet kapen. Een plan dat (alweer, in deze roman) aanvankelijk jammerlijk mislukt door onverstandig handelen van Amalia, maar dat in tweede opzet alsnog slaagt dankzij Amalia.

Ze neemt het ook niet zo nauw met etiquette en regeltjes. Quod licet iovi non licet bovi, schoot mij onder het lezen door het hoofd: wat Jupiter vrijstaat, staat de koe nog niet vrij — als je hooggeplaatst bent kun je je dingen permitteren die de gewone man maar beter uit zijn hoofd kan laten.

Ik heb altijd gedacht dat dat een oude Romeinse wijsheid was. In het onderzoek voor dit stukje ontdekte ik echter dat de uitdrukking voor het eerst in 1826 opduikt in het werk van de Duitse schrijver Eichendorff.[1] Die heeft ze wellicht niet zelf bedacht, maar de kans is klein dat Amalia van Solms de woorden kende, laat staan ze op zichzelf betrok.

Amalia van Solms was een directe voorouder van onze eigen kroonprinses Amalia. Die prinses die onlangs 18 werd en dat vierde met een feestje dat niet zo verstandig was, vanwege de geldende coronamaatregelen. En dat was niet de eerste onverstandige handeling van de familie.

Er werd door stof gegaan, er werd sorry gezegd, soort van, en er werden verklaringen gegeven: de prinses werd 18 en dat was wel bijzonder, er kwamen onverwacht toch meer mensen dan waarop was gerekend. Ja, duh…

Ik zal toegeven: ik ben republikein maar ik doe er niets aan (om mijn grootvader te parafraseren [2]). Maar de koninklijke familie doet ook niet echt moeite om me van standpunt te laten veranderen. En iedere keer denk ik: ja, duh…

In de roman slaat Amalia nu en dan de plank mis omdat ze signalen heeft gemist, zoals bij de mislukte overval op de zilvervloot. En toch is ze overtuigd van haar capaciteiten.

Maar de roman-Amalia moet het doen met haar jongere zus als belangrijkste klankbord, en een verre minnaar met wie ze in code communiceert met tussenpozen van maanden of zelfs jaren. De moderne Oranjes leven in een heel andere wereld, ze kunnen voortdurend sparren met verstandige en goed-ingelichte mensen. En toch gaat het vrij regelmatig mis.

Is er dan niemand in hun buurt die kan uitleggen dat de tijden zijn veranderd? Dat júíst omdat je de eerste familie van het land bent, je je bepaalde dingen moet ontzeggen waar de gewone burger wel mee wegkomt? Dat die latijnse spreuk in deze omstandigheden is overgegaan in quod licet bovi non licet iovi?

De Romeinen kenden trouwens wel een verwante uitdrukking, die in het werk van de dichter Terentius voorkomt: aliis si licet, tibi non licet. Oftewel: als anderen iets mogen, mag jij dat nog niet. Die kun je naar beide kanten uitleggen. Maar hij loopt niet zo lekker.

Het is mogelijk dat Amalia van Solms hem heeft gekend.

Noten

  1. Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Quod_licet_Iovi_non_licet_bovi
  2. Hij zei het tegen religieuze colporteurs en had het dan over arheïsme.

De wetten

Onlangs deed ik een training in het kader van mijn werk. Dat heeft tegenwoordig vooral te maken met de privacywetgeving (de AVG) en de toepassing daarvan bij ‘mijn’ faculteit Bètawetenschappen.

Deze training was bedoeld voor een officieel certificaat in de privacywetgeving. De trainer was een jurist, de meerderheid van de trainees ook. Ik niet.

Soms zakte de moed mij in de schoenen. ‘Mijn’ mensen zijn vooral exacte wetenschappers. Ik ben er zelf trouwens ook één. Zelden werd het verschil tussen harde bèta’s en juristen mij duidelijker dan gedurende deze training.

Nu en dan moesten we artikelen uit de AVG analyseren en dan uitleggen hoe die in de praktijk zouden uitpakken. Ik zat er meestal naast, en meestal omdat ik de tekst veel te letterlijk en veel te binair opvatte. 

Binair, dat is zo’n bèta-concept: iets is A, of iets is B. Voor wiskundigen en informatici zit daar dan echt helemaal niets tussenin. Voor natuurkundigen (dat is mijn clan) kan iets dan ook nog zowel A als B zijn. Dan is het niet ‘een beetje van A en de rest van B’, maar echt A en B tegelijkertijd. Dan noemen we de kat van Schroedinger en vinden we het erg interessant om daar iets diepzinnigs over te zeggen, liefst met de woorden ‘superpositie’ en ‘verstrengeling’ erin. Maar in de rechtszaal is dat allemaal geen stuiver waard.

Op enig moment zei de trainer dat hij ooit had overwogen om natuurkunde te gaan studeren, maar dat was veel te moeilijk en dus was het rechten geworden.

Ik heb hem hartgrondig ongelijk gegeven. Natuurkunde is echt veel eenvoudiger.

Kwantummechanica, het domein van Schroedingers kat, is al niet gemakkelijk. Maar ik moet er niet aan denken dat er ook nog eens juridische ideeën bijgemengd zouden worden.

Of neem de wetten van Newton, waar de meeste niet-natuurkundigen ook nog wel een redelijk intuïtief beeld van hebben, of in ieder geval een middelbareschoolherinnering. Kracht is massa maal versnelling. Snelheidsverandering is het gevolg van een kracht. Actie is reactie. En dan heb je het complete wetboek al bij elkaar.

Maar ik hoor de juristen al schamper lachen. Snelheidsverandering het gevolg van een kracht? Ja, als je redelijkerwijs kunt aannemen dat er kracht in het spel is geweest. Actie is reactie? Maar dan wel binnen de kaders die in het arrest van de Hoge Raad van twee jaar geleden zijn gesteld. En kracht is massa maal versnelling, maar beroep is altijd mogelijk (tot aan het Europese Hof).

Nee, echt, natuurkunde is véél eenvoudiger.

Maar ja, we hebben nu te maken met de AVG. Die gaat er niet over of Newton een appel zag vallen. Maar gelukkig was bij dat incident de privacy niet in het geding.

Denk ik.

Hoop ik…

Beter

Afgelopen zondag precies veertig jaar geleden demonstreerden zo’n 400000 mensen in Amsterdam tegen kernwapens. Ik moest er aan denken na een weekend met beelden van rellende ‘demonstranten’.

Ik was één van die 400000 en ik kan uit eigen waarneming vertellen dat het er veertig jaar geleden een stuk vrediger aan toeging.

Ik reed naar Amsterdam met mijn ouders en een heel gezelschap uit Vleuten-De Meern, in een bus die door de lokale afdeling van het IKV was geregeld. Mensen die niet naar Amsterdam konden of wilden, maar wel achter het doel stonden, hingen witte lakens uit hun ramen. Dat was een mooi gezicht.

In Amsterdam klapten we voor militairen die in uniform meededen, wat verboden was. Op een bordes in de buurt van het Museumplein ontdekten we een bekende. Hoe toevallig was dat, tussen die 400000?

Toen we in de invallende duisternis aansloten in de file richting Utrecht luisterden we tevreden naar het radioverslag van de demonstratie. Maar toen Freek de Jonge aan zijn bijdrage begon, draaide de coördinator van het IKV de radio uit. Freek de Jonge, dat was een brug te ver.

Het was in alle opzichten een buitengewoon vreedzame dag. Was de tijd toen anders dan nu? Beter?

Een jaar eerder stond Amsterdam in brand dankzij de krakers- en kroningsrellen. Freek de Jonge was net aan zijn solocarrière begonnen en stond te boek als shockerend hard. Een schoolbezoek in 1981 aan zijn tweede solovoorstelling De Tragiek was voor mij het begin van een levenslange liefde, maar voor sommige ouders (niet de mijne) een paar bruggen te ver.

Er waren nog lang geen sociale media. Wel kregen wij een anoniem kaartje in een blijkbaar opzettelijk verdraaid handschrift, dat ons onaangename dingen aanzegde. Het woordje ‘tribunaal’ kwam er niet in voor, maar dat was waarschijnlijk toeval.

In de Tweede Kamer werd een zetel opgewarmd voor Hans Janmaat, die op aanmerkelijk stunteliger manier aanzienlijk minder schokkende dingen zei dan een aantal hedendaagse parlementariërs maar daar een stuk harder op werd afgerekend.

En ergens op de wereld werd de kiem gezaaid van wat we zouden leren kennen als HIV, een in potentie dodelijk virus waarvoor nu veertig jaar later nog altijd geen vaccin bestaat.

Vroeger was ook niet alles beter.

Was het dan ten minste effectief, die demonstratie? Waarschijnlijk ook al niet.

Uiteindelijk werd de Koude Oorlog vooral gedoofd door een bejaarde en oerconservatieve president van de VS en een relatief jonge communistische partijleider die oprecht hoopte dat hij de Sovjet-Unie nog kon redden, die al of niet bewust hadden besloten dat ze elkaar konden vertrouwen. Die 400000 zullen er niet echt toe hebben gedaan.

Maar dat wisten we toen nog niet en dus herhaalden we het kunstje twee jaar later in Den Haag met 550000 mensen. Deze keer nam ik met een paar schoolgenoten de trein. Zo kon ik zwaaien naar de kilometerslange file van bussen, waar zich ook ergens mijn ouders in moesten bevinden.

Op het Malieveld liep ik mijn opa tegen het lijf. Hoe toevallig was dat, tussen die 550000?

Het was in ieder geval erg gezellig. Niet per se beter dan nu, maar wel gezelliger.

Trommels

Lang geleden maakte ik kennis met Slagwerkgroep Den Haag. Dat was op de middelbare school. Ze traden er op in de aula annex gymzaal.

Eigenlijk weet ik er niet veel meer van, behalve dat ik het indrukwekkend vond. Het zal wel in het kader van de muziekles zijn geweest. En het moet in ieder geval ergens vanaf 1977 zijn geweest, want toen werd het ensemble opgericht.

Ik hield van ritmische instrumenten, maar dit ging verder dan dat. Misschien ontdekte ik hier wel iets van de patronen die ik later bij Steve Reich zo intrigerend vond in composities als Drumming en Music for 18 Musicians.

Zag ik hier voor het eerste dat je een xylofoon in je eentje met víér stokken kunt bespelen? En was het wel een xylofoon en geen marimba? Ik weet het gewoon niet meer. Weggetrommeld in de mist van de tijd.

Een mooie trommelsolo is trouwens nooit weg, wat mij betreft. Carl Palmer, bijvoorbeeld, de laatste maar zeker niet de minste van het trio Emerson Lake & Palmer, die kon er wel wat van. En ooit ging ik naar een concert van Ravi Shankar, de Indiaase sitar-speler die een grote inspiratiebron was voor The Beatles — een bijna heilig optreden, maar voor mij was het absolute hoogtepunt de meer dan tien minuten durende tabla-solo die zijn begeleider (wiens naam ik kwijt ben) ten beste gaf. En wat ik een Iraanse student uit een tombak heb horen halen, dat tart elke beschrijving…

Sinds die vage maar indrukwekkende eerste kennismaking heb ik Slagwerk Den Haag, zoals ze tegenwoordig heten, nog diverse keren gezien.

Gisteravond was de meest recente keer. En het was ook deze keer weer indrukwekkend. Het was een gezamenlijk optreden van SDH met het Groningse dansgezelschap Club Guy & Roni. Freedom heette het werk, gebaseerd op de memoires van een man die veertien jaar onschuldig vastzat in Guantanamo Bay en daar niet bepaald gastvrij behandeld werd.

Dat hakt er nogal in, en daar was de muziek dan ook wel naar. Hoewel, muziek… Die bestond eigenlijk vijf kwartier lang uit de essentie van het slagwerk: ritme.

Trommels. Veel trommels. En hard, heel hard.

Letterlijk en figuurlijk indrukwekkend.

Echt NaNoWriMo

Vandaag start NaNoWriMo. Dat staat voor National Novel Writing Month. Het is een van oorsprong Amerikaans gebeuren: schrijf in een maand tijd — 30 dagen, want november — een miniroman van 50000 woorden. Dat komt neer op 1666 woorden per dag. Zonder vooropgezet plan, zonder verdere uitwerking, gewoon 1666 woorden per dag.

Ik hoorde ervan bij de eerste schrijfcursus die ik ooit heb gedaan, in 2009. In november 2011 heb ik het ook echt geprobeerd. En met succes, dat wil zeggen dat het me lukte om in die maand echt 50000 woorden neer te schrijven. Zonder vooropgezet plan. De uitwerking kwam er sowieso niet van, daar had ik echt geen tijd voor.

1666 woorden is echt veel. Voor mij komt dat neer op acht bladzijden manuscript, of anderhalf tot twee uur schrijven. Ik schreef toen alleen maar op de computer, dan ging het iets sneller, zeg dik een uur per dag. En dan was het nog steeds veel.

Het vroeg vooral veel planning. Want al mag je dan je verhaal niet (te veel) plannen, je moet met een volledige baan toch echt wel plannen wanneer je dat ongeplande verhaal schrijft. Avondje weg? Dan moet je die 1666 woorden toch in de omliggende dagen doen. Erbíj doen.

Dat is me dus gelukt. Al heb ik niet echt ‘meegedaan’, want dan moet je ook nog iedere dag je voortgang op internet posten, om te laten zien dat je het echt hebt gedaan. Echt Amerikaans…

Wat me nu echt verbaast is dat ik dat deed voordat ik ontdekte hoe schrijven bij mij werkte. Dat gebeurde namelijk pas drie jaar later, bij een andere schrijfcursus. Toen ontdekte ik dat ik niet te veel vooruit moet plannen, en al helemaal niet moet denken dat ik in één keer een kant en klare tekst op papier kan zetten. Dat schrijven vooral herschrijven is.

Maar daar heb je dus echt geen tijd voor, gedurende NaNoWriMo.

Het was een nuttige oefening, maar ik ga me er voorlopig niet meer aan wagen. Te veel planning.

Al heb ik er, achteraf, echt een hoop van geleerd.