Een nuttige spiegel

Als ik ergens spijt van heb dan is het wel dat ik op de middelbare school het vak geschiedenis heb laten vallen. Ik had gedurende een paar jaar niet zo’n leuke leraar, en dan druk ik me diplomatiek uit. Hij werd nog voor het keuzemoment, halverwege het schooljaar, vervangen door een leraar die wel erg leuk was, maar toen was de schade al aangericht. Zo kunnen domme incidenten de geschiedenis dus beïnvloeden.

Al vrij snel nadat ik van school was geraakt begon ik te beseffen dat geschiedenis misschien toch wel belangrijker was dan ik had beseft. Gelukkig was dat een tekort dat nog op een redelijke manier aan te vullen was (had ik natuurkunde laten vallen, dan was ik vast geen natuurkundeboeken gaan lezen om mezelf bij te spijkeren).

Barbara W. Tuchman, A Distant Mirror; The Calamitous 14th Century, 1978

Mijn vader had de nodige geschiedenisboeken in de kast staan. Daaronder was ook A Distant Mirror van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman, gepubliceerd in 1978. Daarin beschrijft zij de geschiedenis van de 14ᵉ eeuw in Europa aan de hand van de lotgevallen van de Franse edelman Enguerrand de Coucy (1340–1397).

De 14ᵉ eeuw was geen pretje. Noord-West Europa werd verscheurd door de honderdjarige oorlog tussen de Engelse en Franse kroon. De Engelsen hadden daarin aanvankelijk de overmacht, ze hakten bij Poitiers de halve Franse adelstand in mootjes en namen zelfs de Franse koning Jean II (‘le Bon’) gevangen. Delen van Frankrijk waren lange tijd in Britse handen. Maar ook binnen dit gehalveerde Frankrijk was het bepaald geen pais en vree: de machtige hertogen van Bourgondië zaagden vol overgave aan de poten van de Franse troon en deinsden niet terug voor een politieke moord of een akkoordje met de Engelsen. En halverwege de eeuw ging de Zwarte Dood daar ook nog eens overheen, zodat Europa aan het einde van de eeuw aanzienlijk minder inwoners had dan aan het begin.

Enguerrand de Coucy maakte veel hiervan van dichtbij mee. Hoewel hij trouw was aan de Franse troon, huwde hij de dochter van de Engelse vorst. Ondanks deze schijnbaar dubbelzinnige houding werd Coucy door alle partijen gerespecteerd en gezien als een eervolle ridder. Met zijn deelname aan de kruistochten aan het einde van de eeuw voldeed hij ongetwijfeld aan dat beeld. Helaas raakte hij in Ottomaanse krijgsgevangenschap, waar hij alsnog ten prooi viel aan de pest.

Het boek van Tuchman leest als een trein. In ieder hoofdstuk wordt een aspect van het Middeleeuwse leven uitgelicht aan de hand van de voortschrijdende geschiedenis.

Ik heb begrepen dat het boek bij contemporaine historici wat minder goed ligt. Zij verwijten Tuchman onder andere een nogal oppervlakkige en enigszins achterhaalde behandeling van de materie, en het gebrek aan eigen onderzoek.

Daar kan ik natuurlijk niet over oordelen, al kan ik me er als lezer van populair-wetenschappelijke boeken over mijn eigen vakgebied wel iets bij voorstellen.

Het boek maakte op mij in ieder geval wel indruk, zodanig dat ik het een jaar of zeven geleden nog eens las. En natuurlijk moest ik er onder onze huidige pest-omstandigheden weer aan denken.

Niet dat wat wij nu meemaken ook maar in de verste verten vergelijkbaar is met wat onze voorvaderen zo’n zes eeuwen geleden meemaakten. Maar daarover heeft Tuchman ook wel iets te zeggen. In het voorwoord van A Distant Mirror schrijft ze onder andere dit:

After absorbing the news of today, one expects to face a world consisting entirely of strikes, crimes, power failures, broken water mains, stalled trains, school shutdowns, muggers, drug addicts, neo-Nazis, and rapists. The fact is that one can come home in the evening—on a lucky day—without having encountered more than one or two of these phenomena. This has led me to formulate Tuchman’s Law, as follows: “The fact of being reported multiplies the apparent extent of any deplorable development by five- to tenfold” (or any figure the reader would care to supply).

Dat schreef ze in dezelfde tijd dat Ken Olsen, de oprichter van computerfabrikant DEC, stelde dat “there is no reason for any individual to have a computer in his home.” Inmiddels heeft iedereen een computer in zijn broekzak, en is de ernst van iedere calamiteit binnen een paar seconden niet vertienvoudigd maar naar globale schaal geëscaleerd.

In de 14ᵉ eeuw duurde het dagen of weken voordat het nieuws van de ‘ramp’ van Poitiers de uithoeken van Frankrijk had bereikt. In de 1978 zou het nieuws weliswaar binnen een dag, maar nog steeds mondjesmaat zijn doorgekomen, uit de monden, pennen en camera’s van journalisten die hun stukjes per telex en ampexband de wereld doorstuurden. Anno nu zijn we live getuige van de bezetting van het Capitool en krijgen we dagelijks min of meer exacte updates van het aantal slachtoffers dat onze eigen pest eist.

Dan helpt het om nu en dan eens wat geschiedenis tot je te nemen, al was het maar om je eigen leed wat te relativeren.


Diegenen die opzien tegen een al of niet vakkundig geschreven geschiedenisboek kan ik van harte Het woud der verwachting van Hella Haasse aanbevelen, dat zich goeddeels in dezelfde tijd afspeelt en rond dezelfde personages. En wie juist meer geschiedenis wil neme het recente De Bourgondiërs van Bart Van Loo tot zich, dat ook leest als een trein en bovendien interessant is vanwege de rol die de hertogen van Bourgodië speelden bij het ontstaan van ons eigen land.

Voor volwassenen

Ik heb m’n hele lezende leven strips gelezen. Gelukkig hoorden mijn ouders, allebei zeer belezen, niet tot de pedagogisch bevindelijken voor wie strips zo’n beetje het afvoerputje voor de geletterde mensheid zijn. Dus las ik net zo goed Donald Duck als Tonke Dragt, net zo goed Bommel als Biegel. Nou goed, Bommel is natuurlijk ook literatuur. En eigenlijk is Donald Duck het óók, zeker de verhalen van Carl Barks. Maar daar gaat het me nu niet om…

Veel stripwerk ontdekte ik samen met schoolvriendje Ewout, die gelukkig in dit opzicht ook weinig conservatieve ouders had (hoewel ze wel bevindelijk waren).

Veel van onze strips betrokken we tegen kiloprijs op de Utrechtse markt, die in mijn herinnering toen nog elke woensdag op de Vredenburg was. Het waren tweede-, derde- of nog hogerehands albums, waarvan de handelaar soms de randen had bijgesneden om de ergste ezelsoren en vetvlekken te verbloemen, zodat de albums er in de boekenkast meteen uitsprongen tussen hun iets grotere broertjes. Er zaten vaak ook nietjes in de rug. Dat was een probaat middel om te voorkomen dat de bladzijden eruit vielen — een euvel waar stripalbums in die tijd nogal eens last van hadden — maar je kon er tijdens het lezen ook je vingers aan openhalen.

Voor nieuwe albums gingen we vaak naar De Meijroos, Strip- en Lektuurshop. Die was toen gevestigd in De Vinkenburg, een soort mini-promenade met één ingang in de Vinkenburgstraat en de andere op de hoek met de Oudegracht. Daar zat een fastfoodrestaurant, al wil mijn geheugen me niet meer vertellen of dat ook toen al de bekende Amerikaanse boogjes droeg. In ieder geval hing er bij De Meijroos altijd een vage frituurlucht, zodat bepaalde stripalbums bij mij nog altijd onwillekeurig een abstractie van frieten oproepen.

De Meijroos had ook een paar schappen met ‘volwassen’ strips, dat wil zeggen: strips die buiten de reguliere reeksen vielen, of die om wat voor reden dan ook op een ouder publiek gericht waren.

Daar ontdekte ik op een dag ook De auteursreeks van uitgeverij Dargaud, een serie losse verhalen van uiteenlopende auteurs, in hardcover albums op wat beter papier. Ze waren dan ook wat duurder dan ‘gewone’ albums, maar dan had je ook wat.

Enki Bilal, Ver van hier (Mémoires d’outre-espace), 1978

En in deze reeks ontdekte ik op een dag in april 1981 het album Ver van hier, van tekenaar/schrijver Enki Bilal. Ik was op weg naar Ewout, die in Bunnik woonde en die in april jarig was, dus misschien ging ik wel op verjaarsbezoek. In ieder geval heb ik het album niet als cadeautje meegenomen, het staat immers nog in mijn eigen boekenkast, maar ik heb het zeker voor het eerst in Bunnik gelezen.

Het album, dat in de originele taal Mémoires d’outre-espace heet, bevat acht korte verhalen die je het beste zou kunnen omschrijven als ‘Roald Dahl doet barokke SF’. Het zijn verhalen met een onverwachte en bizarre twist, die zich afspelen in de verre toekomst en niet per se op aarde.

Zo kon het dus ook!

Ik heb er m’n database nog eens eens op nageslagen: Ver van hier is inderdaad het begin van mijn ‘volwassen’ stripverzameling. Binnen een jaar ging ik vaker naar De Meijroos dan naar de stripboer op de markt. Drie jaar later wist ik zelfs mijn lerares Nederlands te overtuigen om me een stripverhaal op m’n leeslijst op te laten nemen, op voorwaarde dat het literaire kwaliteiten moest hebben (die ik dan uiteraard ook moest kunnen benoemen). Dat werd De falangisten van de zwarte orde, een verhaal van Pierre Christin getekend door dezelfde Enki Bilal. Ik weet niet meer of ik bewust koos voor Bilal, die me immers op het spoor had gezet, maar het had gekund.

Onlangs heb ik Ver van hier nog eens herlezen. En ik moet zeggen: als nog-net-geen-zeventienjarige had ik toch al een goed oog voor die dingen.

De Strip- en Lectuurshop verhuisde in 1994 naar de Oudegracht, en is afgelopen zomer definitief gesloten. Weer een stukje van m’n jeugd verdwenen… Maar de boeken van Bilal, en al die anderen die hem volgden, heb ik gelukkig nog dicht bij me, ondanks die eerste titel waarmee het begon.

Trage dans in twaalf delen

Deze tijd is goed voor de leeslijst, dat moet ik wel zeggen. Ik lees best veel. Ik moet ook toegeven dat ik de sombere en ingewikkelde boeken een beetje vermijd. Geen zin om m’n hoofd te vermoeien. Of eigenlijk vooral: zin om m’n hoofd een beetje af te leiden.

Meer dan twintig jaar geleden werd ik op het spoor gezet van A Dance to the Music of Time, een serie van twaalf romans van de Engelse schrijver Anthony Powell. De boeken waren verwerkt tot een vierdelige miniserie. De VPRO-gids constateerde dat het de makers wonderwel was gelukt de hele reeks te condenseren tot vier keer anderhalf uur televisie.

Dat verbaasde me wel een beetje. Powell werd in de gids aangeduid als ‘de Engelse Proust’. En Proust stond en staat nog steeds recht overeind als een onverfilmbaar schrijver. Hoe kon dat dan bij Powell wel zijn gelukt?

Ik bekeek de serie en ik was meteen verkocht.

De cyclus begint niet lang na de afloop van de Eerste Wereldoorlog, die dan nog als The Great War in de boeken staat. De verteller is Nicholas (Nick) Jenkins, afkomstig uit de upper-class, die gedurende een halve eeuw de wederwaardigheden volgt van zijn vrienden en familie.

Daar zitten memorabele figuren bij. Klasgenoot Kenneth Widmerpool bijvoorbeeld, een kostschooljongen uit een net iets te laag milieu, maar ook een enorme streber die zich weet op te vechten in de wereld en het zelfs brengt tot Chancellor van een universiteit — voordat hij ten onder gaat in de geestverruimende jaren ’60.

Of Charles Stringham, het volstrekte tegendeel van Widmerpool, romantisch, uit een rijke familie, maar tegelijkertijd een voortdurende misfit en verliezer. Oom Giles, een militair met een enigszins duister verleden die op onverwachte momenten het pad van Nicholas kruist. Sillery, de prototypische Oxford Don, die altijd op de achtergrond blijft en altijd aan alle touwtjes trekt.

Maar los van de intrigerende personages bestrijkt de cyclus ook een intrigerende periode in de recente geschiedenis. Als we Nick voor het eerst ontmoeten is het 1921, Europa bloedt na van de oorlog en in veel opzichten bevindt Engeland zich nog diep in de negentiende eeuw, zeker in de kringen waarin Nick zich begeeft.

Het verhaal eindigt in 1971, als de democratisering heeft toegeslagen en Engeland op het punt staat toe te treden tot de Europese Unie. De Engelse klassenmaatschappij is ingrijpend veranderd, maar niet in alle opzichten, zoals Widmerpool tot zijn schade en schande moet ontdekken juist als hij meent zijn plek te hebben veroverd.

Dat was mijn indruk van de televisieserie. Maar hoe zou dat dan in die boeken gaan?

Anthony Powell, A Dance to the Music of Time, twaalf delen gepubliceerd 1951–1975

Gelukkig was de tv-serie aanleiding om de boeken in vier omnibussen uit te brengen, die gemakkelijk te verkrijgen waren. Elke omnibus van drie delen kwam min of meer overeen met één van de tv-afleveringen.
De VPRO-gids had gelijk. De serie ís inderdaad een knappe weerslag van de boeken.

Natuurlijk gaat er wel wat verloren. Het belangrijkste is het tempo. Powell is net als Proust in staat om minutieuze beschrijvingen van ogenschijnlijk triviale gebeurtenissen te geven, zij het dat Powell ‘eenvoudiger’ maar daardoor ook toegankelijker schrijft. Wat dat betreft doet hij eerder aan Voskuil dan aan Proust denken, al heeft hij met Proust dan weer meer gemeen als het gaat om het waarnemen van diepgewortelde sociale structuren.

Het zijn geen ‘spannende’ boeken. Er gebeurt niet heel veel, het narratief kabbelt gestaag voort. En dat intrigeert mij mateloos.

Met Nick Jenkins had ik er plotseling een soort vriend-op-afstand bijgekregen. Iemand met wie je nu en dan even samenkomt en de laatste nieuwtjes en roddels uitwisselt, zodat je van elkaar het gevoel hebt dat je er persoonlijk ook bij bent geweest. Op enige afstand, dat wel.

A Dance to the Music of Time is in alle opzichten de perfecte lockdown-literatuur.

Nog (n)iets gelezen

Het was midden jaren ’90. Van J.R.R. Tolkien, de halfgoddelijke betovergrootvader van de Fantasy, had ik zo ongeveer iedere letter gelezen die hij ooit had geschreven. Daar hoorde ook de langlopende reeks boeken bij die zijn zoon Christopher had bezorgd, waarin de ontstaansgeschiedenis van Midden-Aarde, met alle ideeën daar omheen, werd uitgeplozen tot op het niveau van een verdwaalde regel in potlood op de achterzijde van een tentamenopgave.

En natuurlijk had ik een heleboel heel wat mindere goden uit het genre doorgeploeterd, met als dieptepunt wel de reeks clichématige spin-offs rond het rollenspel Dungeon & Dragons (waarvan ik ook een tijd lang een enthousiast beoefenaar ben geweest).

Ik zal niet zeggen dat ik wel klaar was met de Fantasy, maar ik had ook niet het gevoel dat er nog erg veel viel te ontdekken.

Hoogmoed, natuurlijk.

Van alle boeken die er ooit in welk genre dan ook zijn geschreven heb ik het overgrote merendeel niet gelezen, zelfs in de genres waar ik heel veel van heb gelezen. Het probleem is natuurlijk niet dat je alles al gelezen hebt, maar dat je niet kunt weten wat er nog de moeite van het lezen waard is.

Toen leende goede vriend Rienk me Nine Princes in Amber, het eerste deel in de reeks Amber van Roger Zelazny.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Roger Zelazny, The Great Book of Amber (omnibus met alle Amber-romans, 1970-1991

Er ging een nieuwe wereld voor me open. Of eigenlijk een hele reeks aan werelden. Al moet ik toegeven dat ik gedurende de eerste hoofdstukken van het boek vooral dacht: wat gebéúrt hier?

Hoofdpersoon in de eerste vijf Amber-boeken, die een afgeronde cyclus vormen, is Carl Corey, die in dat eerste boek ontwaakt in een kliniek met een leeg geheugen, blijkbaar het gevolg van een auto-ongeluk. Al snel krijgt hij de beschikking over een stel tarotkaarten. In de afbeeldingen van de grote arcana (de troeven of trumps in het Engels) herkent hij zijn familieleden. Met de komst van één van zijn broers, en de realisatie dat hij niet ‘Carl Corey’ is maar prins Corwin van Amber, begint een bizarre tocht naar dat mythische land. Een tocht die niet zozeer een reis door de ruimte is als wel een reis door de fantasie.

Gedurende de vijf boeken gaat Corwin allianties aan met een aantal van zijn broers en zussen, in de strijd om Amber en tegen Chaos. Maar de trumps (jaja) zijn weinig betrouwbaar en niet zelden instabiel, variërend van egocentrisch tot megalomaan psychopatisch. Niets nieuws onder de zon…

De tweede cyclus van eveneens vijf boeken gaat over Merle, of Merlin, de zoon van Corwin die zich op ‘onze’ Aarde heeft genesteld als computerexpert. Ook hij wordt meegesleurd in de familieperikelen die zich opnieuw ontrollen in een fantastisch multiversum.

Zelazny schreef de tien boeken tussen 1970 en 1991. Ik zoog ze naar binnen in een half jaar tijd. Ik was hooked. Ik heb er zelfs in zitten lezen terwijl ik de hoofdsurveillant bij een tentamen natuurkunde was. (Ik heb niet de indruk dat de tentaminanten misbruik hebben gemaakt van mijn afwezige aanwezigheid, maar ik kan er m’n hand niet voor in het vuur steken…)

Wat was er zo bijzonder aan deze boeken? Zelazny maakte gebruik van allerhande thema’s en motieven uit de Fantasy-literatuur, maar dreef er ook een beetje de spot mee. De avonturen van Corwin en zijn zoon die zich in onze wereld afspelen, zouden ook uit een detective of een ander genre kunnen komen. Zoals de prinsen van Amber zich verplaatsen over de grenzen van werelden heen, zo overschreed Zelazny al schrijvend de grenzen van literaire genres.

En dat is nu eenmaal iets dat ik wel kan waarderen. Ik vond het ook bij Jack Vance, en bij Ursula Le Guin. Die schrijvers kende ik al toen ik in al mijn dertigjarige wijsheid meende het nu wel een beetje te weten — en struikelde over Roger Zelazny. Een lesje in nederigheid, dat ik overigens met veel genoegen tot me heb genomen. Dat was maar goed ook, want een paar jaar later struikelde ik over Terry Pratchett (ook al dankzij Rienk). Toen wist ik gelukkig in al mijn wijsheid dat er nog heel veel te ontdekken valt.

Een juweeltje

Hoewel ik al vroeg met strips bezig was, was ik heel lang geen fan van Kuifje. Asterix, Blueberry, Bommel, Donald Duck, Guust, Lucky Luke, Ravian, Robbedoes, en nog heel veel andere bekende namen uit het stripuniversum — ik kon en kan er eindeloos van genieten. Twee (eigenlijk drie) grote namen ontbreken in het rijtje: Kuifje, en Suske & Wiske.

O, ik las ze natuurlijk wel. Mijn broertje had Kuifje compleet, en zelf had ik een stapeltje Suske & Wiskes. Maar erg warm werd ik er niet van. Suske & Wiske vond ik te flauw, en Kuifje… Tja, wat vond ik van Kuifje?

Ik vond eigenlijk dat je niet zo veel kunt vinden van Kuifje.

Kuifje is de ultieme dragende held. Hij is voldoende dapper en ondernemend om het avontuur aan te gaan, en zo kleurloos dat niemand aanstoot aan hem kan nemen. Daarom heeft-ie figuren om zich heen, smaakmakers, die de avonturen kruiding geven.

Bij Robbedoes is het Kwabbernoot die voor de reuring zorgt, bij Asterix is het Obelix en zijn hondje Idefix en de dorpsgenoten. Bij Tom Poes was de smaakmaker heer Bommel, maar die voegde zoveel smaak toe dat-ie al snel promoveerde tot hoofdgerecht. Guust Flater heeft nooit smaakmakers nodig gehad (afgezien van de talloze onsmakelijk recepten en de grote hoeveelheden gevaarlijke chemicaliën). Ook Donald Duck is zijn eigen smaakmaker, maar omringd door een rijk palet aan garnituur uit de keuken van Carl Barks.

Kuifje heeft er lang over gedaan om zich een smaakmaker te verwerven. Weliswaar voorziet hond Bobbie de gebeurtenissen van ironisch commentaar, maar pas met de komst van kapitein Haddock in het negende Kuifje-avontuur De krab met de gulden scharen heeft Kuifje een volwaardige side-kick.

Kuifje bestaat dan al elf jaar. Dat is een avontuurlijk bestaan, maar geleid door een behoorlijk saai mannetje. Kuifje is reporter, maar van zijn journalistieke werk zien we vrij weinig. Komt hij ooit in een redactielokaal? Heeft-ie eigenlijk wel eens een typemachine onder de vingers? Hoeveel interviews heeft hij in zijn carrière afgenomen? Dat hij dapper is valt niet te ontkennen, maar zeker in de eerste verhalen loopt Kuifje nogal ongedisciplineerd en zonder enig vooropgezet plan van de ene hinderlaag in het andere ongeluk.

Er zit geen lijn in zijn leven en in zijn avonturen. Pas als de regelmatig van dronkenschap zwabberende zeebonk Haddock op zijn pad is gekomen, lijkt Kuifje zelf meer richting te vinden — al was het maar om de kapitein bij voortduring uit de problemen te helpen.

De latere albums van Kuifje vond ik wel beter. Iets. Kuifje in Tibet vond ik bij vlagen zelfs van een wonderbare schoonheid, maar dat komt ook doordat ik houd van sneeuw in film en strip. Maar in het algemeen?

Totdat ik een keer, lang geleden, een artikel las in de NRC waarin werd betoogd dat het beste Kuifje-verhaal De juwelen van Bianca Castafiore is.[1]

Huh? Dat verhaal gaat helemáál nergens over. Kuifje en de kapitein komen geen kilometer van het kasteel Molensloot vandaan. Veel actie is er sowieso niet, of het zijn de valpartijen over een kapotte traptrede. De enkele achtervolging in het verhaal speelt zich af in een enkel plaatje. De diefstal van de juwelen uit de titel, die de gemoederen gedurende een goed deel van het verhaal bezighoudt, blijkt te berusten op misverstanden.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Hergé, Les bijoux de la Castafiore (De juwelen van Bianca Castafiore), uitgeverij Casterman, 1963

Dat was dan ook precies het betoog in de NRC: De juwelen van Bianca Castafiore is één grote aaneenschakeling van misverstanden. Of eigenlijk vooral: van miscommunicatie. Zelden zal er in een stripalbum zo consequent door zoveel personages langs elkaar heen gesproken zijn. Soms gebeurt dat door een fysieke beperking — de hardhorende professor Zonnebloem bestaat bij de gratie van miscommunicatie — maar meestal is het domweg onbegrip of desinteresse die aanleiding zijn voor het onbegrip. Misverstand uit moedwil.

Een voorbeeld. Operazangeres Bianca Castafiore wil even uit de pers blijven, maar nodigt wel twee journalisten uit, die zij voorstelt aan haar goede vriend de kapitein. De reporters, die anders dan hun beroemde vakgenoot wel zijn uitgerust met schrijfblok en camera, veronderstellen dat er meer is dan alleen vriendschap. Dus bevragen zij de professor, die de aandacht voor de zangeres Castafiore verwart met voorkennis over de door hem gekweekte en naar haar vernoemde roos die hij binnenkort wil presenteren. De professor is ontstemd dat zijn geheim is uitgelekt. Mondje dicht, bezweert hij de journalisten, met een paar weken is het zover… En dus verschijnt er twee dagen later een artikel in de Paris Flash over de verloving en het op handen zijnde huwelijk van Castafiore en Haddock. Professor Zonnebloem is verontwaardigd: alweer is er achter zijn rug om gepraat, eerst over zijn roos en nu dit weer — waarom vertelt niemand hem ooit iets?

Dat is maar één van de vele misverstanden waar het verhaal rond is opgebouwd. Maar anders dan de vroege avonturen van Kuifje zit dit verhaal heel slim in elkaar. Het lijkt inderdaad wel of er helemaal niets gebeurt, dus ‘avontuur’ kun je het verhaal niet noemen. Maar Hergé bouwt de misverstanden zo knap op dat je als lezer 62 platen lang geboeid blijft. De diverse lijnen in het verhaal kruisen elkaar voortdurend, geen van de misverstanden vindt ‘zomaar’ plaats, alles heeft een functie. Dat te zien is al een avontuur op zich.

Pas nadat ik De juwelen van Bianca Castafiore met dat nieuwe inzicht ging lezen, begon ik Kuifje meer te waarderen. Inmiddels heb ik de hele serie ook in de kast staan. In het Frans, want zo’n snob ben ik dan wel. Het is nog steeds mijn favoriete album, en ik kan er nog steeds bij de verschillende verwikkelingen smakelijk om lachen, iets dat me bij geen ander Kuifje-album overkomt.

Daarmee heeft Hergé niet alleen zijn beste Kuifje-verhaal gemaakt, maar in het algemeen een juweel in de stripliteratuur.

Noten

  1. Ik heb het helaas tot nu toe niet kunnen terugvinden. Ik hou me aanbevolen.

De schaduw van Agaton Sax

Beschreef ik vorige week hoe koning Wikkepokluk misschien al de vroege voedingsbodem was geweest voor mijn waardering van Monty Python, in de afgelopen week ontdekte ik waar mijn liefde voor detectives moet zijn begonnen.

Nils-Olof Franzén, Agaton Sax en de bankbiljettenvervalsers (1955)

Ik herlas de vijf deeltjes Agaton Sax, die ik als jongetje van een jaar of tien moet hebben gekregen.

Agaton Sax, wie kent hem niet? Hij is immers, behalve de enige (hoofd)redacteur van de Zweedse Byköpingspost (de beste krant van Europa, ook al verschijnt hij maar driemaal per week) ook nog eens een speurder en boevenvanger van formaat, voor wie iedere crimineel liefst een paar straten omsluipt. En niet alleen dat: hij spreekt vloeiend Grelisch, Brosnisch en Koeterwaals; hij is op het westelijk halfrond de enige en zeer kundige beoefenaar van het onderwater-jiu-jitsu; en naast zijn grote vaardigheid in het gebruiken van vermommingen is hij ook nog een razendknappe buikspreker. Zijn kennis van zeer krachtige en snelwerkende maar overigens onschuldige slaapmiddelen is onovertroffen.

Maar eerlijk is eerlijk, Agaton Sax was bij mij een beetje weggezakt. Ten onrechte, ontdekte ik.

Nils-Olof Franzén, Agaton Sax en de Bende van de geluidloze springstof (1956)

Agaton Sax is een vreemde kruising van Sherlock Holmes, Hercule Poirot, en C.C.M. Carlier oftewel De Schaduw. Van Holmes erfde hij het deductievermogen, de encyclopedische kennis van ongeveer alles, de voorliefde voor pijpen, en de contacten met pompeuze maar stupide Engelse politieinspecteurs. Het uiterlijk en de enigszins pedante trekjes kreeg hij van Poirot mee, inclusief de neiging om zich nu en dan het voorhoofd te wissen met een zijden zakdoekje. En met De Schaduw deelt hij zijn fysieke souplesse, zijn reislust, zijn vermommingen, en het maniakale gedrag en de naamgeving van zijn tegenstrevers.

Vooral die overeenkomsten met De Schaduw zijn merkwaardig, om maar een Schaduwiaanse uitdrukking te gebruiken. De geestelijk vader van Agaton Sax, de Zweedse schrijver en radiomaker Nils-Olof Franzén, zal zeker op de hoogte zijn geweest en ook met reden hebben verwezen naar de beroemde speurders Holmes en Poirot. Maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij van het werk van Havank wist.

Nils-Olof Franzén, Agaton Sax en de Atoom-Cola n.v. (1957)

Franzén schreef de eerste Sax-boeken midden jaren ’50 naar verluidt voor zijn eigen zoon. Het zijn dan ook kinderboeken. De verhaaltjes zijn eenvoudig, de plotjes komen vrijwel altijd neer op: Agaton Sax kruist min of meer per ongeluk het spoor van een of meer grote criminelen, hij reist naar het Verenigd Koninkrijk, struikelt onderweg eventueel nog over de blunderende inspecteur Lispington van Scotland Yard, en rekent geheel op eigen kracht en binnen een mum van tijd een flink aantal gevaarlijke boeven in.

Veel diepgang zit er niet in, maar de verhaaltjes zijn spannend en grappig. Bovendien heeft Franzén ze voorzien van allerhande knipogen die ongetwijfeld bedoeld waren voor meelezende ouders. Zo introduceert hij een lange lijst van sterke (maar onschuldige!) slaapmiddelen die allemaal heel ingewikkelde en op elkaar gelijkende namen hebben. Als Agaton Sax bij een apotheek een potje magnecyl­magnecal­dikapsyl­phosphor­examinal­karbonal vraagt, raadt de apotheker hem dimagnecyl­magnecal­dikapsyl­phosphor­karboral­examinal aan. Waarna zich een levendige discussie ontspint over de merites van deze en nog andere tongbrekende slaapmiddelen.

Nils-Olof Franzén, Agaton Sax en de zeeroversbende (1961)

Dat van die slaapmiddelen, of in ieder geval die ingewikkelde namen, kon ik me nog vaag herinneren. Van andere verhaalelementen besefte ik ineens dat ze een tijdlang in mijn hoofd hebben gezeten, maar dat ik de herkomst ervan was vergeten.

Zo heb ik een tijdje gedacht dat Scotland Yard, het hoofdkwartier van de Londonse politie, daadwerkelijk iets met Schotland te maken had. En nu weet ik waarom: het eerste verhaal van Agaton Sax, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor Scotland Yard, speelt zich goeddeels af in Schotland, en ook in de latere verhalen zijn er veel verwijzingen naar dat land.

Ik heb ook lang gedacht dat een buikspreker een soort duivelskunstenaar is, die zijn stem niet alleen kan laten klinken zonder zijn mond te bewegen, maar die stem naar willekeur kan vervormen en dan ook nog fysiek vanuit heel andere plekken kan laten klinken. Want dat is wat Agaton Sax doet: die laat een boef die hem met een wapen bedreigt, met zijn buikspreekkunsten schrikken van de stem van een kompaan uit een andere hoek van de kamer of zelfs van buiten de kamer.

Nils-Olof Franzén, Agaton Sax en de dubbelgangers (1963)

Zelfs mijn interesse voor bijzondere talen zou bij Agaton Sax vandaan gekomen kunnen zijn (voordat ik Tolkien ging lezen). De speurder is namelijk één van de weinigen die het Grelisch machtig is, een taal die in Schotland is ontstaan. Grelisch is wonderbaarlijk compact, het wordt dan ook graag door criminelen gebruikt die dan met weinig woorden hun lugubere plannen kunnen uitwisselen. Zo betekent de Grelische uitroep “Ellan noghel!”: “Fantastisch! Prima plan! Dat zal geen sterveling merken!” Stel je dat nu toch eens voor. Met een enkel Grelisch twitterbericht van 280 tekens kun je al een kort verhaal schrijven…

Ik zei al dat de naamgeving van Franzéns misdadigers sterk doet denken aan die van Havank. Porfyrio Gronsk, Julius Mosca, Anaxagoras Frank, Octopus Scott, ze hadden zo de pagina’s van het Schaduwiaans universum kunnen bevolken. En waar De Schaduw soms het slachtoffer lijkt van de persoonlijke vendetta van zijn tegenstrevers, zo wordt Agaton Sax het doelwit van de Atoom-Cola n.v., een “Naamloze Vennootschap ter bestrijding van Agaton Sax en de politie” (waarbij het bestrijden van de politie slechts bijzaak is).
Er zijn meer van die overeenkomsten, je zou bijna gaan denken dat Agaton Sax en De Schaduw twee loten aan dezelfde boom zijn, zij het dat de ene zich in een vereenvoudigde wereld beweegt.

En toch kan ik me niet herinneren dat toen ik mijn eerste Havankjes las, ik dacht: hé, Agaton Sax!

Of misschien heb ik dat toch wel gedacht, maar dan ben ik het lang geleden ook alweer vergeten. In ieder geval heeft-ie al die tijd wel in m’n onderbewustzijn gesluimerd en was het goed om de kennismaking met Agaton Sax ter hernieuwen.

Een queeste

Er was eens een koning en die leefde in een beest. Dat was natuurlijk erg vervelend, want als het beest hoestte of galoppeerde dan viel de koning van zijn troon en zijn kroon rolde weg en zijn onderdanen vielen om.

Wim Hofman (tekst en illustraties), Koning Wikkepokluk de merkwaardige zoekt een rijk, 1973

Zo begint het boek Koning Wikkepokluk de merkwaardige zoekt een rijk, waarvoor schrijver en illustrator Wim Hofman in 1974 het Gouden Penseel kreeg. Ik zal dat boek ook wel in de Kinderboekenweek van dat jaar hebben gekregen, er zit een stickertje op dat verwijst naar die prijs.

Koning Wikkepokluk heeft drie onderdanen: de raadsheer Poekaun, Stoomvis, en Keevineen met zijn zwaard Trammelant. Je zou zeggen: met zo’n klein natie moet het niet moeilijk zijn om een rijk te vinden, maar het blijkt in de praktijk toch lastig.

Het viertal betreedt een bos met mooie grote bomen. De eerste de beste boom die wel een goed plaatsje lijkt, blijkt echter al bezet door een koning, en “in sommige grotere bomen zaten zelfs meerdere koningen.” Maar het ergste is wel koning Kolokwint, die vanuit zijn boom zelfs met kastanjes gooit.

De wijze Boe, de Duizendjarige, raadt de koning aan om Kolokwint uit de boom te halen, zodat Wikkepokluk er zijn rijk kan vestigen. Maar hoe dan? Door eens flink aan de boom te schudden, suggereert Boe, en als dat niet helpt, om een windmolen te gebruiken, en als zelfs dát niet helpt, om het dan maar gewoon te vragen. En ja hoor, dat laatste helpt! Kolokwint verlaat zijn boom en Wikkepokluk heeft een nieuw rijk.

Klaar is Kees, zou je zeggen. Maar we zijn dan pas op pagina 12, van 144, dus het moge duidelijk zijn dat de zoektocht van de koning en zijn trouwe onderdanen nog maar net begint. Als Keevineen met zijn zwaard zwaait om die nare Kolokwint definitief te verjagen, doet hij dat zo ruig dat de boom omvalt…

De zoektocht van Wikkepokluk voert hem onder andere naar het eiland Ennud, waar de stad Omvalom letterlijk op zijn kop staat, en de achterbakse Kolokwint onze koning verleidt om een poort open te maken met de sleutel van Mukwit. Achter die poort blijkt een gevaarlijke draak te zitten, die het de koning en zijn gevolg nog knap lastig zal maken.

Ik moet het boekje minstens een paar keer gelezen hebben, destijds deed ik dat met al mijn boeken. Maar het was een beetje weggezakt, dus ik heb het nog eens doorgenomen. Zeer tot mijn plezier, moet ik zeggen.

Eerst moest ik nog even denken aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen, met Trump in de rol van Kolokwint, maar dat is natuurlijk de waan van de dag. Naarmate ik vorderde in het verhaal, drong zich een heel ander beeld op. Dat van Monty Python and the Holy Grail.

Die film werd pas gemaakt nadat Hofman zijn boek in 1973 schreef en tekende, en je zou bijna denken dat het illustere zestal ervan geweten moet hebben. De humor in het boek, toch bedoeld voor kinderen, heeft hetzelfde absurdistische gehalte, de dialogen dezelfde bizarre logica. Maar dan met een boek als drager in plaats van een film.

Als ze op pagina 82 weer eens in de problemen zitten, zegt Stoomvis dat ze eigenlijk naar Boe, de Duizendjarige, zouden moeten gaan. “Die is veel te ver weg,” antwoordt Keevineen, “die zit helemaal op bladzijde 8.”

Als het gezelschap even later honger heeft, blijkt dat Stoomvis een hemd van pannenkoek draagt, dat ze gezamenlijk opeten.

“Heb jij het nu niet koud?” vroeg Poekaun hem.
“Ik heb het nooit koud,” zei Stoomvis.
“Waarom draag je dan een hemd?” vroeg Poekaun weer.
“Ik draag geen hemd,” zei Stoomvis.

pagina 85

De ‘bestorming’ van de grens van het land Pal, die zwaar wordt bewaakt, doet sterk denken aan de scène waarin Arthur en zijn ridders een Frans kasteel proberen te veroveren. Al is het hier de draak, en niet een groot houten konijn, die voor de doorbraak zorgt.

Wat te denken van Furze de Fur, een eigenaardig wezen met een kachelpijp als hoofd, die ook praat als een kachelpijp: “Goon joellie moor euns meu!” Hij brengt de koning en zijn mannen naar koningin Ida Ida Ida de Onheuse. En die geeft de koning, en Kolokwint die inmiddels ook in dat land verzeild is geraakt, een onmogelijke opdracht. Ergens hoor ik dan op de achtergrond de Knights Who Say “Ni!”

En dan is er Bennie de Troh, de roverhoofdman die tot de tanden bewapend is en dus altijd een vervaarlijk mes tussen zijn kaken geklemd houdt. Maar om verstaanbaar zijn — “Kowwa wee!” — moet hij dat steeds uit zijn mond halen: “Kom maar mee!” Als ik het plaatje van Bennie zie, denk ik meteen: daar staat Terry Gilliam!

Ik herinner met dat ik het boek in mijn jeugd een beetje raar vond. Wel leuk raar, spannend ook, maar toch, een beetje raar. Wanneer ik The Holy Grail voor het eerst zag weet ik niet meer, het was op een filmavond op de middelbare school, zeker een jaar of zeven, acht later. Op die leeftijd is dat natuurlijk nog best veel. En of ik bij het kijken naar de film terugdacht aan het boek weet ik ook niet meer. Maar de humor van Monty Python, die ik al kende van de televisie, beviel me best, net als nu de herlezing van het boek.

Jammer eigenlijk dat er nooit een film van is gemaakt.

De eerste strohalm (een bekentenis)

Afgelopen week was het tien jaar geleden dat Harry Mulisch overleed. Van de Grote Drie (Mulisch, Hermans, Reve) was hij mij veruit het liefst. De aanbidding van Reve heb ik nooit begrepen. De romans en verhalen van Hermans vond ik goed, maar niet per se beter dan van veel andere schrijvers. Maar Mulisch…

Wat de eerste Mulisch was die ik las weet ik niet meer. Mijn leestlijstje ben ik pas systematisch gaan bijhouden toen ik van school was, en daar staat Twee vrouwen als eerste Mulisch op. Maar daarvóór had ik al heel wat van hem verstouwd. In volgorde van aanschaf, in ieder geval: Voer voor psychologen, De aanslag, Het ene (de Huizingalezing 1984, waar ik zelf ook bij was), Het stenen bruidsbed, De versierde mens, Bericht aan de rattenkoning, Hoogste tijd, De zaak 40/61, Symmetrie, Mijn getijdenboek, De verteller, Het zwarte licht, De diamant

Harry Mulisch, archibald strohalm, 1952

En dat ene, eerste boek van hem, dat zo raadselachtig zonder hoofdletters getitelde archibald strohalm. Hij kreeg er in 1951 de Reina Prinsen Geerligsprijs voor, vier jaar nadat Reve de eerste editie had gewonnen met De avonden.

Mijn ouders hadden archibald strohalm in de kast staan, maar ze waren geen fanatieke Mulisch-lezers, vandaar dat ik zelf in mijn behoeften moest voorzien en een flinke ruimte op mijn boekenplankje opgaf aan Mulisch.

Een bekentenis: ik vond het een geweldig boek en ik begreep er geen bal van. Misschien was dit wel de eerste tekst die ik uit eigen beweging las en die ik niet meteen begreep, zonder dat dat erg was. Misschien is dat ook wel de belangrijkste les die ik heb geleerd over literatuur (en meer in het algemeen de kunsten): je hóéft het niet meteen te begrijpen om het toch mooi te vinden.

Ik probeerde er wel touwen aan vast te knopen. De symboliek van een poppenkastspeler sprak me erg aan. Iemand die anderen stuurt en daarmee een verhaal vertelt, prachtig!

In de persoon van de nurkse uitvinder H.W. Frets meende ik een cryptische verwijzing te zien naar W.F. Hermans, die immers cyclisch dezelfde initialen voerde, een voornaam als achternaam had, en er naar ik dacht ook een nogal mechanistisch wereldbeeld op na hield. Pas heel veel later ontdekte ik via anderen dat als je Frets achterstevoren leest, er Sterf staat. Zo eenvoudig, maar ik had ’m zelf gemist…

De duistere toon van het boek, het enigszins verheven taalgebruik, het metafysische (ook in de wat latere boeken), het zou mijn ideeën over schrijven en verhalen lang beïnvloeden. Als ik nu teruglees wat ik in die tijd zelf schreef, dan druipt Mulisch er niet zozeer vanaf, hij staat zich tussen alle woorden door luidruchtig op de borst te kloppen.

Dat Mulisch bepaald geen last had van zelfonderschatting is bekend, het wordt hem ook nu nog wel nagedragen. Een ijdele, arrogante kwast. Vooral Reve-adepten halen hun neus ervoor op, indachtig hun eigen profeet: “Mulles is vulles”. (De ijdele arrogantie van de volksschrijver heet ironie, dat is natuurlijk wél in orde.)

Ja, Mulisch was ongetwijfeld ijdel en arrogant en alles meer wat een middelmatig mens meestal ontbeert om boven het maaiveld uit te steken. Maar dat Mulisch als hij weer eens in het Américain was, een ober rond liet lopen roepende: “Telefoon voor meneer Mulisch!” — zodat iedereen wist dat de Grote Schrijver in het huis was — dat kan ik eigenlijk alleen maar hilarisch grappig vinden.

Mulisch heeft veel geschreven, ik heb daarvan veel gelezen en ook veel geleerd. Maar ergens halverwege de jaren ’90 hield het op. Ik weet ook niet waarom, ik had blijkbaar mijn punt van Mulisch-verzadiging bereikt.

Of misschien was het wel De ontdekking van de hemel. Ik las dat boek uit 1992 pas vier jaar later, en het viel, om eerlijk te zijn — alweer een bekentenis — een beetje tegen. Waar heel Nederland zich juichend op Mulisch stortte, dacht ik: nu weten we het wel hoor. O, het was goed geschreven, met de bekende Mulisch-thema’s en Mulisch-retoriek en Mulisch-humor. Maar het draafde, in mijn ogen, veel te ver door. Daar kwam nog wat bij: er is een belangrijke rol weggelegd voor een sterrenkundige. Ik vermoed dat iedere beroepsgroep er last van heeft dat romanpersonages uit die beroepsgroep zelden overtuigend zijn. “Ja, leuk, maar dat zou een sterrenkundige dus nóóit zeggen.” (Ik ben — bekentenis! — natuurkundige, maar ik ken genoeg sterrenkundigen goed genoeg om mij ook hún eigenaardigheden toe te kunnen eigenen, dank u.)

Na De ontdekking van de hemel was de ontdekkingsreis Mulisch voor mij wel afgelopen.

Ik heb, ook alweer zo’n vijftien jaar geleden, archibald strohalm nog eens herlezen. Gewoon, om te zien of ik er nog wat van mijn jeugdige enthousiasme in kon terugvinden.

Ik zag wel waarom ik het toen zo goed vond. Maar ik zag ook dat ik inmiddels al een lange literaire weg had bewandeld, en langs die route nog heel veel meer en mooiere uitzichten had ontdekt. Mulisch was wel de eerste literaire strohalm die ik aangreep. En daar heb ik nooit spijt van gehad.

Wintertijd boekentijd

Winterboek 1967, Geïllustreerde Pers

Bestaan ze nog, de Winterboeken?

Ja, in mijn kast, daar staan er nog vier, uit de periode 1967–1975. Dikke boeken met een harde kaft, ruim 200 bladzijden, vol verhalen en illustraties, en voor de goede orde ook nog wat raadsels en spelletjes.

Die verhalen werden niet door de minsten geschreven. Ik laat even wat namen vallen: Hans Andreus, Paul Biegel, Imme Dros, Jaap ter Haar, Dick Laan, Wim en Belinda Meuldijk, P. Nowee, Jan Terlouw, Annie M.G. Schmidt, Lea Smulders. De top van de Nederlandse kinderboekenschrijvers was niet te beroerd om bij te dragen.

Winterboek 1969, Geïllustreerde Pers

Dat gold trouwens ook voor de illustraties: Pieke Dassen, Carl Hollander, Hans Kresse, Jan Kruis, Rien Poortvliet, Waldemar Post, Jan Sanders, Thé Tjong Khing, Fiep Westendorp, Jan Wesseling.

Het waren ware schatkistjes, die Winterboeken. Er was voor elk wat wils, van klein tot groot. Sprookjes, gedichten, vrolijke en spannende verhalen, en altijd een toneelstuk. En ook daar weer bekende namen, uit andere boekenseries maar ook van de televisie: Arendsoog, Pipo de Clown, Swiebertje, Pinkeltje, Rikkie en Slingertje.

Winterboek 1971, Geïllustreerde Pers

Maar altijd: heel veel tekst. Blijkbaar waren kindertjes toen niet bang om zo’n boek door te werken. Ik heb die Winterboeken in ieder geval van voor tot achter doorgelezen, en meer dan eens.

De Winterboeken die tegenwoordig verschijnen zijn allemaal gericht op strips. En hoewel ik niets tegen strips heb, integendeel, het is toch niet helemaal hetzelfde. Ik moet eerlijk toegeven, twee jaar geleden heb ik mezelf nog het Donald Duck Winterboek cadeau gedaan — heel snobistisch omdat dat een juichende recensie kreeg in de NRC — en het was… toch niet helemaal hetzelfde.

Winterboek 1975, Geïllustreerde Pers

Voor mij hoort bij de winter boeken lezen. Dat is natuurlijk een beetje flauwekul, boeken lezen hoort bij alle jaargetijden. Maar als het ’s avonds al vroeg donker wordt, kruip je gemakkelijker met een boek op de bank. Liefst een dik boek natuurlijk.

Ik ben nog even bezig in The Amber Spyglass, het laatste deel van de serie His Dark Materials van Philip Pullman. En intussen staat David Copperfield al ongeduldig te wachten op m’n leesplankje (want net de film gezien — leuke film). En waarschijnlijk sla ik de komende winter nu en dan weer zo’n oud Winterboek open. Gewoon, om even lekker weg te dromen.

Booze kabouters

Kabouters zijn een belangrijk onderdeel van ons leven, zeker het eerste deel van ons leven. Dat komt natuurlijk omdat ze een belangrijk onderdeel zijn van de sprookjeswereld, en omdat ze hoewel niet per se aardig toch meestal niet echt gevaarlijk zijn. En waarschijnlijk is het als kind, in een wereld die goedbeschouwd toch gewoon geregeerd wordt door grote mensen, wel fijn om te weten dat er wezens zijn die nog veel kleiner zijn dan jij. Op latere leeftijd kun je nog altijd de kaboutertjes de schuld geven van wat jij toch eigenlijk niet gedaan wilt hebben.

Willy Pétillon (redactie) en E.M. ten Harmsen van der Beek (illustraties), Het groote kabouter-boek, 1931

Wij hadden Het groote kabouter-boek in huis, samengesteld door Willy Pétillon en geïllustreerd door E.M. ten Harmsen van der Beek.[1] Die laatste kreeg vooral faam door zijn tekeningen van Flipje, het fruitbaasje uit Tiel, en als vader van de dichteres Fritzi. Pétillon maakte naam met meisjesboeken. Ze schreef en vertaalde een aantal verhalen in het kabouter-boek en voegde er verhalen van anderen bij.

Het boek dateert uit 1931 en is dus nog in de oude spelling — wie drank zag in de titel van deze blog is van een recente generatie (of Engels) — en net iets andere interpunctie. Dat zie je al meteen aan de eerste zin:

De oude juffrouw Lepus (de menschen in de buurt noemden haar Boschkonijn), was bezig, om aan de vier kinderen van haar broer uit te leggen, hoe een konijnengang gegraven moet worden.

pagina 5

Hoewel er veel schattige dingen gebeuren in het kabouter-boek, zijn de kabouters bepaald geen doetjes. Er zitten zelfs regelrechte naarlingen tussen. Kabouter Zwart is er eentje:

Nu begreep Kabouter Zwart, waar de vogels in het bosch op wachtten. Zijn booze hart begon van vreugde te kloppen. Daar had hij nu een mooie gelegenheid om kwaad te doen. Hij raapte een dikken stok op en sloeg het mooie eierhuis aan stukken en alle eiermannetjes morsdood!

pagina 133

Hoppa. En daar houdt het niet op. Kabouter Zwart veroorzaakt overal ellende en rampspoed en laat een spoor na van dode sprookjesfiguren. Maar gelukkig is er nog Kabouter Wit, die eerst met een gouden tooverstokje, en als dat zoekraakt met druppels van zijn bloed alle slachtoffers weer tot leven wekt.

En toen trok dat heele leger van elfjes en sneeuwmannetjes en verfmannetjes en eiermannetjes de wereld in om Kabouter Zwart te dooden…
En toen ze hem vonden, stortten ze zich allen op hem en sloegen hem dood…

pagina 141

Kinderliteratuur anno 1931. Kabouter Wit is echter de beroerdste niet. Met zijn laatste druppel bloed herstelt hij ook de naarling weer, maar blijft zelf dood in die dappere daad. Blijkbaar heeft de kortstondige doodervaring Kabouter Zwart wel goed gedaan, want hij toont berouw. Hij gaat op zoek naar het gouden stokje om Wit weer tot leven te wekken. Dat is uiteraard een louterende ervaring, zo louterend dat Kabouter Zwart er zelf Wit van wordt. Dat is wel weer een probleem, er is immers al een (herrezen) Kabouter Wit, die echter goedhartig zijn naam afstaat.

“Maar hoe moet je nu zelf voortaan heeten?” sprak de nieuwe Kabouter Wit.
En alle eiermannetjes en verfmannetjes en sneeuwmannetjes en elfjes gaven hem een nieuwen naam en noemden hem: Kabouter Liefde.

pagina 154

Het zal niemand verbazen dat de auteur van dit verhaal, Hetty Borel, ook publiceerde in het enigszins stichtelijke De Hollandsche Lelie, weekblad voor jonge dames.[2] Maar als kind zie je die stichtelijke symboliek natuurlijk niet, dan lees (of hoor) je vooral heel spannende verhalen.

Inmiddels heb ik Het groote kabouter-boek in mijn eigen kast staan. Het is oud en verfomfaaid, precies wat je je voorstelt van een sprookjesboek. En net als bij Wipneus en Pim, waar ik vorige week over schreef, zijn het vooral de plaatjes die zijn blijven hangen, meer dan de tekst. In dit geval is dat misschien maar beter ook.

Noten

  1. Het boek is als PDF te downloaden bij de Koninklijke Bibliotheek; zoek op ‘Het groote kabouter-boek’ en kies voor de versie die als digitale bron is aangemerkt.
  2. Het kan verkeren. De Hollandsche Lelie veranderde in 1935 in Eva, dat op haar beurt in 1972 werd omgevormd tot Viva. (Bron: Wikipedia)