Wereld in woorden

Gisteren vertelde ik dat ik in Wereld in woorden van Frits van Oostrom had gelezen, het hoofdstuk dat over Jan van Ruusbroec gaat. Dat boek is een deel uit de monumentale serie over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Van Oostrom heeft daar de eerste twee delen van voor zijn rekening genomen. Naast dit deel over de 14ᵉ eeuw is dat ook nog Stemmen op schrift, dat van ‘het begin’ loopt tot 1300 en dat ik ook met veel plezier heb gelezen.

Het is geen lichte kost, maar Van Oostrom verstaat de kunst om warm en meeslepend te schrijven. Wereld in woorden gaat over de 14ᵉ eeuw, en laten we eerlijk zijn: dat is geen fijne tijd. De Honderdjarige Oorlog begint in 1337. Rond het midden van de eeuw verdwijnt een derde van de Europese bevolking als gevolg van de builenpest, en het zal zo’n twee eeuwen duren voor het continent zich van die klap hersteld heeft.

Van Ruusbroec die van 1294 tot 1381 leefde moet het om zich heen hebben zien gebeuren, ook al beschikte hij nog niet over de communicatiemiddelen die wij nu hebben. De woorden ‘oorlog’ en ‘pest’ komen echter niet voor in de kleine veertig bladzijden die Van Oostrom aan deze mysticus en geestelijke wijdt.

Jan groeit op in Brussel, waar hij 25 jaar kapelaan is. In 1343 trekt hij zich met twee priesterlijk kompanen terug in een zogenaamde ‘kluis’, een eenvoudig verblijf in het Zoniënwoud ten zuiden van Brussel. De kluis van Groenendaal zal onder Van Ruusbroec uitgroeien tot een groot klooster, dat pas in de 18ᵉ eeuw vervalt en verdwijnt. Tegenwoordig is er van het klooster zelf vrijwel niets meer over. Wie ooit over de zuidelijke ring R0 rond Brussel heeft gereden kent het gebied: het is het stuk van de ring dat geen snelweg is.

Van Oostrom begint zijn verhaal met een tocht die Van Ruusbroec rond 1362 maakt naar het kartuizer klooster in Herne, ten westen van Brussel. Hij is dan dus al bijna zeventig, maar dat weerhoudt hem er niet van om de tocht van 25 kilometer te voet af te leggen. De kloosterlingen hebben Jan uitgenodigd om over zijn werk te praten. De monniken kennen dat werk, dat zij als kopiisten hebben overgeschreven. Maar kopiëren en begrijpen is niet hetzelfde, en broeder Geraert van Herne zegt over Jans werk dat er “veel woorden en zinnen in staan die minen verstane onthoghen (mijn verstand te boven gaan)” (p.242).

Daarna voert Van Oostrom je mee langs leven en werk van Van Ruusbroec. Die was misschien niet de meest productieve schrijver van zijn generatie of tijd, maar wel een zeer invloedrijke. Hij was bijvoorbeeld de eerste ‘Nederlandse’ auteur van wie het werk in het Engels werd vertaald.

Zoals gezegd: het is geen lichte kost. De serie werd opgezet als een nieuw handboek voor de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Veel mensen uit mijn generatie kennen nog ‘Lodewick’ van de middelbare school. Dit is Lodewick, maar dan in negen kloeke banden die bijna een halve meter boekenkast innemen.

Niet iets waar je voor het slapengaan nog even een hoofdstukje van doet. Althans, ik niet — ik moet er echt tijd voor nemen om een stuk te lezen. In het geval van Frits van Oostrom is dat geen straf. Hij staat niet als een droge schoolfrik voor het bord te doceren, hij gooit de deuren wagenwijd open en neemt je mee.

Vermakelijk is bijvoorbeeld het verhaal van ‘de goede kok’ van het klooster, die nadat hij van Jan heeft leren lezen en schrijven, zijn eigen mystieke inzichten begint te geven. Je kunt je onmiddellijk voorstellen hoe deze naamloze kok zich vandaag de dag zou uiten op Twitter en Facebook. Van Oostrom vertelt het met duidelijk plezier, en zijn enthousiasme is aanstekelijk.

Wat dat betreft kijk ik er ook al naar uit om te beginnen in Het gevleugelde woord, dat de periode 1400–1560 beslaat. Dat is geschreven door Herman Pleij, ook al zo’n enthousiaste verteller. Daar kunnen we er niet genoeg van hebben, dezer dagen.


De serie Geschiedenis van de Nederlandse literatuur is een uitgave van Prometheus. De delen van deze reeks zijn inmiddels ook vrij beschikbaar in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren DBNL. Van Frits van Oostrom zijn de titels Stemmen op schrift (begin–1300) en Wereld in woorden (1300–1400), van Herman Pleij Het gevleugelde woord (1400–1560).

De tovenaar (naar Dolf Zwerver)

In de holle aarde, daar waar nooit Italië was, staat een kleine jongen achter een boom. Hij heeft zich verstopt, maar zo nieuwsgierig als hij is, is de boom geen verstopplaats.

Vol verwondering kijkt hij naar de man aan de andere kant van de heg. Een man die er zonet nog niet was, voordat hij zijn fiets parkeerde en uit de boom klom.
Lees verder “De tovenaar (naar Dolf Zwerver)”