Weerstand

Vandaag overleed Albert Uderzo, één van de geestelijk vaders van Asterix. Alsof er niet genoeg leed is in de wereld. Maar ik had (vooral mezelf) beloofd om hier positieve dingen te plaatsen, dus dat ga ik ook doen.

Ik maakte ergens kort na 1970 kennis met Asterix. Toen kreeg ik het eerste album uit de serie van mijn ouders, in mijn herinnering als vakantiecadeautje: leesvoer op de achterbank onderweg naar Frankrijk. Dat eerste album heette nogal saai Asterix de Galliër. De avonturen van Asterix hadden rond 1970 al wel enige naam in Nederland — ze werden gepubliceerd in het weekblad Pep — maar mij zei het op dat moment natuurlijk nog niets.

De serie groeide redelijk snel in mijn boekenkastje en in mijn waardering. In het begin zal ik vooral gelachen hebben om de slapstick rondom Obelix, zijn eeuwige gevechten met Romeinen en everzwijnen. Later kwamen daar de andere running gags bij: de ruzies tussen visboer en smid, het gedoe rond de bard, de idee-fixe van Idéfix met bomen, de piraten. En niet te vergeten het prachtige tekenwerk van Uderzo. Ik wist overigens tot vandaag niet dat Uderzo kleurenblind was, net als ik.

Ik wou dat ik hier zou kunnen zeggen: “Ik herinner me nog dat ik voor het eerst de grap over … echt begreep.” Maar daarvoor zit Asterix al veel te lang en veel te diep in mijn systeem. Ik weet wel dat toen ik naar het gymnasium ging, er heel snel heel veel kwartjes begonnen te vallen. Plotseling kregen de verhalen een nieuwe dimensie die ik nooit had gezien en ook niet had gemist. Dat gebeurde ook naarmate ik meer kennis van de culturele wereld kreeg, en meer verstand van de Franse taal.

Dat is één van de eigenschappen die de strip ruimschoots boven het maaiveld duwt: er zitten zoveel verwijzingen en grappen in op zoveel niveau’s dat het niets uitmaakt als je er een paar mist. De grappen rolden uit de koker van schrijver René Goscinny, maar de geweldige tekenstijl waarmee Albert Uderzo ze in beeld bracht verveelvoudigde de komische kracht. Dat was het echte geheim van de toverdrank.

Wat ik me herinner is dat we op vakantie gingen naar Bretagne en de menhirvelden van Carnac bezochten. Wat ik me herinner is een Romeins theater, al weet ik de plaats niet meer (Nîmes? Orange?), en de gedachte: o ja, Asterix! Wat ik me herinner is de eerste keer dat ik op een avond uitkeek over de bergen van de Auvergne, de dalen gevuld met opstijgende mist, en dacht: verdraaid, dit is Het ijzeren schild!

Ik zal Uderzo missen, als briljante tekenaar en als de sympathieke persoon die hij ook nog was. Eén ding is zeker: het Gallische dorpje dat wij zo goed kennen zal mij de komende tijd helpen om weerstand te bieden aan de duistere gedachten die mij nu en dan bespringen.

Broeva! Haro! Kom in mijn armen!

Pubquizvraag

(Niet meteen naar het eind scrollen voor het antwoord…)
Pubquizvraag: Van welke televisieserie werd de eerste aflevering geregisseerd door Steven Spielberg en werd de themamuziek gecomponeerd door Henry Mancini?

Weten mensen eigenlijk nog wie Henry Mancini was? Van naam misschien niet, maar vrijwel iedereen kent zijn muziek. Zijn meeste bekende deuntje is waarschijnlijk het thema van de Pink Panther.

Zijn er eigenlijk mensen die niet weten wie Steven Spielberg is? Ik kan het me niet voorstellen. Maar grote regisseurs beginnen klein. In de aanloop van zijn carrière deed Spielberg ook nog werk als regisseur van afleveringen in televisieseries. Dat was geen onverdeeld succes. Blijkbaar vonden producenten dat Steven een beetje te veel zijn eigen stempel op zo’n aflevering drukte.

De bedenkers van deze serie zagen dat juist als een voordeel. Ze wilden het meer laten lijken op een film en moedigden Spielberg aan om naar onconventionele shots te zoeken. Het leverde hem naar verluidt de opening om Duel te gaan maken.

Terug naar de pubquizvraag. Al een idee?

Eigenlijk is het een beetje een strikvraag. Want de serie die grote bekendheid kreeg was onderdeel van een groter pakket van series, dat onder de noemer Mystery Movie op tv werd gebracht. Mancini was de componist van het Mystery Movie Theme. Maar de serie waar wij het nu over hebben had nooit een echt eigen thema, dus vooruit.

Het was ook eigenlijk niet de eerste aflevering. Er waren twee pilots aan voorafgegaan, waarvan de eerste al drie jaar eerder werd uitgezonden. En het was in de reguliere serie zelfs niet de eerst opgenomen aflevering: die eer gaat naar de aflevering die als nummer twee van de serie de boeken in ging.

Al een idee?

Dan heb ik nog één vraag: wie is de detective die altijd met die ene cruciale vraag terugkomt, net als de moordenaar dacht van hem af te zijn?

Precies: Columbo.

Natuurlijk gaat het in Columbo helemaal niet om het oplossen van de moord. De kijker krijgt eerst in detail te zien hoe die heeft plaatsgevonden. (Pubquizvraag: In welke aflevering weet de kijker niet op voorhand hoe de moord is gepleegd?)

Het gaat in Columbo alleen maar om lieutenant Columbo, die met zijn zogenaamd schlemielige optreden de moordenaar altijd te slim af is. Met die ene vraag. En zijn sigaar. En het potlood dat altijd zoek is. En zijn vrouw die je nooit ziet, zijn chili, zijn rammelende Peugeot, en zijn hond Dog. En dat ene rare oog, dat gewoon het rare oog van Peter Falk was, de man die zichzelf een Swiebertje-syndroom bezorgde met Columbo.

Eigenlijk is Columbo een feelgood-detective. In het oeuvre van Spielberg past hij meer bij ET dan bij Duel.

En omdat ik wel wat feelgood-gevoel kan gebruiken, ben ik maar weer eens begonnen met terugkijken. Ik heb nog even de tijd om het setje af te lopen. “Oh, just one more question…”

Wereld in woorden

Gisteren vertelde ik dat ik in Wereld in woorden van Frits van Oostrom had gelezen, het hoofdstuk dat over Jan van Ruusbroec gaat. Dat boek is een deel uit de monumentale serie over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Van Oostrom heeft daar de eerste twee delen van voor zijn rekening genomen. Naast dit deel over de 14ᵉ eeuw is dat ook nog Stemmen op schrift, dat van ‘het begin’ loopt tot 1300 en dat ik ook met veel plezier heb gelezen.

Het is geen lichte kost, maar Van Oostrom verstaat de kunst om warm en meeslepend te schrijven. Wereld in woorden gaat over de 14ᵉ eeuw, en laten we eerlijk zijn: dat is geen fijne tijd. De Honderdjarige Oorlog begint in 1337. Rond het midden van de eeuw verdwijnt een derde van de Europese bevolking als gevolg van de builenpest, en het zal zo’n twee eeuwen duren voor het continent zich van die klap hersteld heeft.

Van Ruusbroec die van 1294 tot 1381 leefde moet het om zich heen hebben zien gebeuren, ook al beschikte hij nog niet over de communicatiemiddelen die wij nu hebben. De woorden ‘oorlog’ en ‘pest’ komen echter niet voor in de kleine veertig bladzijden die Van Oostrom aan deze mysticus en geestelijke wijdt.

Jan groeit op in Brussel, waar hij 25 jaar kapelaan is. In 1343 trekt hij zich met twee priesterlijk kompanen terug in een zogenaamde ‘kluis’, een eenvoudig verblijf in het Zoniënwoud ten zuiden van Brussel. De kluis van Groenendaal zal onder Van Ruusbroec uitgroeien tot een groot klooster, dat pas in de 18ᵉ eeuw vervalt en verdwijnt. Tegenwoordig is er van het klooster zelf vrijwel niets meer over. Wie ooit over de zuidelijke ring R0 rond Brussel heeft gereden kent het gebied: het is het stuk van de ring dat geen snelweg is.

Van Oostrom begint zijn verhaal met een tocht die Van Ruusbroec rond 1362 maakt naar het kartuizer klooster in Herne, ten westen van Brussel. Hij is dan dus al bijna zeventig, maar dat weerhoudt hem er niet van om de tocht van 25 kilometer te voet af te leggen. De kloosterlingen hebben Jan uitgenodigd om over zijn werk te praten. De monniken kennen dat werk, dat zij als kopiisten hebben overgeschreven. Maar kopiëren en begrijpen is niet hetzelfde, en broeder Geraert van Herne zegt over Jans werk dat er “veel woorden en zinnen in staan die minen verstane onthoghen (mijn verstand te boven gaan)” (p.242).

Daarna voert Van Oostrom je mee langs leven en werk van Van Ruusbroec. Die was misschien niet de meest productieve schrijver van zijn generatie of tijd, maar wel een zeer invloedrijke. Hij was bijvoorbeeld de eerste ‘Nederlandse’ auteur van wie het werk in het Engels werd vertaald.

Zoals gezegd: het is geen lichte kost. De serie werd opgezet als een nieuw handboek voor de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Veel mensen uit mijn generatie kennen nog ‘Lodewick’ van de middelbare school. Dit is Lodewick, maar dan in negen kloeke banden die bijna een halve meter boekenkast innemen.

Niet iets waar je voor het slapengaan nog even een hoofdstukje van doet. Althans, ik niet — ik moet er echt tijd voor nemen om een stuk te lezen. In het geval van Frits van Oostrom is dat geen straf. Hij staat niet als een droge schoolfrik voor het bord te doceren, hij gooit de deuren wagenwijd open en neemt je mee.

Vermakelijk is bijvoorbeeld het verhaal van ‘de goede kok’ van het klooster, die nadat hij van Jan heeft leren lezen en schrijven, zijn eigen mystieke inzichten begint te geven. Je kunt je onmiddellijk voorstellen hoe deze naamloze kok zich vandaag de dag zou uiten op Twitter en Facebook. Van Oostrom vertelt het met duidelijk plezier, en zijn enthousiasme is aanstekelijk.

Wat dat betreft kijk ik er ook al naar uit om te beginnen in Het gevleugelde woord, dat de periode 1400–1560 beslaat. Dat is geschreven door Herman Pleij, ook al zo’n enthousiaste verteller. Daar kunnen we er niet genoeg van hebben, dezer dagen.


De serie Geschiedenis van de Nederlandse literatuur is een uitgave van Prometheus. De delen van deze reeks zijn inmiddels ook vrij beschikbaar in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren DBNL. Van Frits van Oostrom zijn de titels Stemmen op schrift (begin–1300) en Wereld in woorden (1300–1400), van Herman Pleij Het gevleugelde woord (1400–1560).

Goede vrienden omhelzen

Nu het sociale leven stilligt is het een mooie tijd om weer eens op wandeling te gaan door mijn boekenkast. Veilig en vertrouwd, dit zijn momenteel de vrienden die ik wél veilig een hand kan geven.

Maar waar te beginnen?

Ik zal eerlijk zijn: escapisme is mij bepaald niet vreemd (ik zei dat vandaag ook al in mijn wekelijkse boekomslag op Facebook). Superzware onderwerpen ga ik uit de weg. La Peste van Albert Camus heb ik gelezen (en ook nog in het Frans) dus dat hoeft nu even niet. Literaire afstand houden, zeg maar, dat voorkomt besmetting met het depressievirus.

De afgelopen week heb ik mijn dierbare vriend heer Bommel een bezoekje gebracht. Ik las de verhalen De mob-beweging, De blijdschapper en De slijtmijt. Alledrie uit 1970, en hemeldonderweder, wat kon Marten Toonder toch tijdloos relevante dingen schrijven!

Ik las ook in Wereld in woorden van Frits van Oostrom, het hoofdstuk dat gaat over Jan van Ruusbroec (1294–1381). Dat boek is een deel uit de monumentale serie over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Geen lichte kost, maar Van Oostrom verstaat de kunst om warm en meeslepend te schrijven. Ik ga daar later nog op terugkomen.

Op het nachtkastje ligt nu Wyrd Sisters van Terry Pratchett, ook al zo’n dierbare vriend. Ik denk dat ik geen humanistischer schrijver ken dan Pratchett. Zonder dat het sentimenteel wordt kun je bij Pratchett terecht voor een dosis moreel zelfvertrouwen. Met een flinke portie humor als bonus. Daar kom ik misschien ook nog op terug.

Vanochtend hoorde ik in De Taalstaat iemand De rover Hoepsika van Paul Biegel aanbevelen. Ach ja, de rover Hoepsika. Vroeger, toen die verhalen in de Donald Duck verschenen, moest ik daar vaak hartelijk om lachen. Dát boek moet ik nog eens aanschaffen, dacht ik. Maar ik bleek het al te hebben! Alleen nog niet gelezen, dus dat komt heel goed uit.

Hoepsika ligt nu in hinderlaag op mij te wachten. Hij mag me omhelzen, graag zelfs.

Waar is het podium?

Ik ben een enthousiaste bezoeker van de Utrechtse Stadsschouwburg. Ik heb er zelfs een eigen stoel — of, nou ja, een stoel waar mijn naam op staat. Die staat nu al een dikke week ingeklapt en dat is wel jammer.

Niet dat ik er elke dag op zit, maar gemiddeld toch wel een keer per twee weken. Dat gaat nu even niet door. Dat is ook wel jammer. Ik geloof niet dat ik ooit de zaal chagrijniger heb verlaten dan ik er in ging. Het is een vorm van therapie, schoonheid biedt troost.

Het is een beetje jammer voor mij, het is heel veel jammerder voor de podiumartiesten die van de ene op de andere dag thuis moesten blijven. (Ik wil hier tussen twee haakjes ook graag oproepen om je die afgelaste voorstelling niet terug te laten betalen, als je het even kunt lijden.)

Gelukkig ontstaan er allerlei on-line initiatieven. Mijn schoonzusje Nynka Delcour, theatermaakster en muziekdocent, zit thuis niet passief te zijn. Ze doet haar muzieklessen nu on-line. Aanstaande zondag geeft ze samen met gitarist Rob Stoop een huiskamerconcert. Daar ga ik dus zeker bij zijn op een veilige afstand. Het zal lastig zijn om de rest van het publiek te zien, dat wordt in gedachten enthousiast naar elkaar zwaaien.

Zolang het nodig is, en misschien nog iets langer, moeten we het daarmee doen. Maar ik zal blij zijn als ik weer op m’n ‘eigen’ stoel mag zitten. En in nabijheid enthousiast mag klappen voor en zwaaien naar de artiesten.

Places to be (or not to be)

Plaatsbepaling is ineens heel belangrijk geworden. Voor velen van ons is dat ‘binnen’. Voor een aantal gaat het leven ‘buiten’ door, al is het dan ook niet ‘gewoon door’. Sommigen zijn op plekken waar niemand wil zijn: in isolatie op de intensive care. En tot mijn schrik zijn daar ineens ook mensen die ik persoonlijk ken.
Gelukkig kunnen ze dit lezen — dag lieve mensen, deze is voor jullie!

Twitter is ook zo’n plaats waar je nu niet meer wilt zijn. Ionica Smeets roeit er dapper tegen de klippen op. De opfleurtwitters van Rianne Meijer, die ook nog eens een heel leuke hond heeft, zijn fijn. Gisteren had ik nog even prettig contact met Aafke Romeijn, van wie ik net de nieuwe dichtbundel had besteld. Maar verder is het daar narigheid troef.

En ik had me juist voorgenomen om de narigheid niet te dichtbij te laten komen. (“Coronárigheid, hahaha!” — grappen maken kunnen we allemaal, leuke grappen is een ander verhaal. (Hé, dat loopt en rijmt best lekker…))

Vreemd genoeg zag ik er de laatste dagen ook veel sterrenkundig nieuws voorbij komen. Misschien waren mijn ogen gebrand op alles wat maar niet op narigheid duidt en niet te dichtbij komt. Bijvoorbeeld dat de heliosfeer (nerd-woord, ga ik niet uit leggen, sorry) de vorm heeft van een lekke strandbal. Ik vond het meer op een lek opblaasbeest lijken, maar wie ben ik.

Eigenlijk is de ruimte ook al geen fijne plaats om te zijn. Vanavond in de uitgeklede DWDD ging het over La Peste, van Albert Camus, dat ik zelfs in het Frans gelezen heb. Volgens filosoof en cabaretier Tim Fransen is de boodschap van Camus dat de kosmos volstrekt onverschillig staat tegenover ons mensen. Dat is niet zo raar: de kosmos bestaat voornamelijk níet uit de Aarde.

De ruimte bestaat vooral uit plaatsen waar je niet wilt zijn: extreem heet of extreem koud, heel veel straling, heel weinig zuurstof, met een beetje pech ook nog een zwart gat om de hoek.

De ruimte begint op honderd kilometer boven het aardoppervlak. Dat is best dichtbij, met een uurtje rijden ben je er. Het goede nieuws is dat het gewoon een afspraak is: “De ruimte begint op honderd kilometer.” Dus hij komt ook nooit dichterbij dan dat.

En veel plaatsen in de ruimte leveren ook nog heel mooie plaatjes op. Ik heb zo’n plaatje als achtergrond op één van mijn thuiswerkschermen gezet. Dan kijk ik naar die massa van stof en sterren en dan denk ik: zouden daar nu ook intelligente wezens thuis zitten te werken omdat— nee, nee, nee! Dan denk ik: wat een práchtige plaats is het heelal toch.

Jammer dat het zo ver weg is.

Dit is een plaatje van de Carina-nevel, op zo’n 7500 lichtjaar van ons vandaan. Het is een kosmologische intensive care unit, waar sterren in heel hoog tempo geboren worden. Een plaats waar je als sterrenkundige dolgraag zou willen zijn, maar niet kunt zijn vanwege alle straling. Maar wát een mooie plaats is het…
— Hubble Image: NASA, ESA, N. Smith (University of California, Berkeley), and The Hubble Heritage Team (STScI/AURA); zie de website van Hubble.

Fietsrondje in gedachten

Vandaag maakte ik na de lunch even een fietsrondje. Om het hoofd te luchten en de gedachten uit te laten waaien.

Fietsen leek me het veiligst. Op de fiets kom je niet snel te dicht bij iemand, en ook zeker niet te lang. Zo denk je dus al.

Vooropgesteld dat je niet met elkaar gaat fietsen. Ik zag aardig wat koppels fietsen, vooral ouderen. Vermoedelijke net-niet-net-wel-pensionado’s die ook een eindje gaan fietsen op een gewone dag, als ik op m’n werk ben. Meestal fietste de man voorop.

Ik zag trouwens ook veel groepjes collega’s met elkaar rondwandelen. Waarbij ik dan dacht: is dat verstandig? Zo denk je dus al.

Ik zag een dame die op ruime afstand van haar collega’s wandelde, aan de andere kant van het fietspad. Ze rookte een sigaretje. Ook niet zo verstandig, denk ik, maar in ieder geval op veilige afstand.

Wat me ook opviel: veel hardlopers, voornamelijk mannen. Gisteren, toen ik hetzelfde rondje deed maar op een iets andere tijd, waren het voornamelijk vrouwen. En ik dacht bij mezelf: let ik daar nu ook al op? Of zou me dat ook zijn opgevallen op een gewone dag?

Ik denk het niet.

Ik betrapte me erop dat ik bewust naar andere mensen keek. Bij iemand die van de andere kant kwam, een man van ongeveer mijn leeftijd met een puntbaardje, dacht ik dezelfde blik te zien.

Woei ik toch niet helemaal alleen uit mijn gedachten.

Dagen van corona

Het zijn bijzondere tijden, bedacht ik toen ik vanavond om acht uur op m’n balkon stond te klappen voor de zorgverleners en andere broodnodige ondersteuners. Het leek wel een jaarwisseling, minus het vuurwerk. Beneden mij hoorde ik twee passerende vrouwen aan een stel klappers vragen wat er aan de hand was. “Is er soms feest voor iets?”

Nee, het is geen feest, en voorlopig gaan er ook niet veel feestjes zijn. Zelf zit ik thuis te werken — deze middag hoorde ik dat mijn werkplek vanaf komende donderdag tot in ieder geval 6 april op slot gaat. En ik besef hoe bevoorrecht mijn positie is. Ik heb een vaste baan, vooralsnog gaat mijn werk on-line ‘gewoon’ door. Ik heb goede reserves: fysiek, materieel, financieel. Maar dat wil niet zeggen dat ik er heel gelukkig van word. Ik kan niet ontkennen dat de balans in mijn hoofd gemiddeld neigt naar het zwaarmoedige. Dan zijn dit geen tijden om vrolijk van te worden.

Anders gezegd: ik moet enige moeite doen om niet in de put te zakken. Dus heb ik mijzelf de opdracht gegeven om iedere dag van de coronacrisis een kleine beschouwing te doen. Liefst positief, en liefst ook echt iedere dag, maar ik kan geen van beide garanderen. Dat doe ik dan op Facebook en op dit blog, dat al veel te lang digitaal stof lag te vangen.

Voel je vrij om te reageren — graag zelfs. Ik zit hier tenslotte ook maar in mijn eentje, ook al is de wereld maar een bandbreedte verwijderd. Ik denk dat corona nog wel even bij ons gaat zijn, en dat we er, om er doorheen te komen, meer nodig hebben dan wijsheid en goed beleid. Nu en dan even een virtueel schouderklopje, een opbeurend woord, dat gaat ook allemaal helpen. Ik doe mijn best.

Update 25 maart: Ik heb besloten ook een positieve draai te geven aan de rubriek waar ik deze stukjes onder zet. Die noem ik vanaf nu ‘Kroon op de dag’.

In ieder geval ging de zon vanavond mooi onder.
In ieder geval ging de zon vanavond mooi onder.