Waar is het podium?

Ik ben een enthousiaste bezoeker van de Utrechtse Stadsschouwburg. Ik heb er zelfs een eigen stoel — of, nou ja, een stoel waar mijn naam op staat. Die staat nu al een dikke week ingeklapt en dat is wel jammer.

Niet dat ik er elke dag op zit, maar gemiddeld toch wel een keer per twee weken. Dat gaat nu even niet door. Dat is ook wel jammer. Ik geloof niet dat ik ooit de zaal chagrijniger heb verlaten dan ik er in ging. Het is een vorm van therapie, schoonheid biedt troost.

Het is een beetje jammer voor mij, het is heel veel jammerder voor de podiumartiesten die van de ene op de andere dag thuis moesten blijven. (Ik wil hier tussen twee haakjes ook graag oproepen om je die afgelaste voorstelling niet terug te laten betalen, als je het even kunt lijden.)

Gelukkig ontstaan er allerlei on-line initiatieven. Mijn schoonzusje Nynka Delcour, theatermaakster en muziekdocent, zit thuis niet passief te zijn. Ze doet haar muzieklessen nu on-line. Aanstaande zondag geeft ze samen met gitarist Rob Stoop een huiskamerconcert. Daar ga ik dus zeker bij zijn op een veilige afstand. Het zal lastig zijn om de rest van het publiek te zien, dat wordt in gedachten enthousiast naar elkaar zwaaien.

Zolang het nodig is, en misschien nog iets langer, moeten we het daarmee doen. Maar ik zal blij zijn als ik weer op m’n ‘eigen’ stoel mag zitten. En in nabijheid enthousiast mag klappen voor en zwaaien naar de artiesten.

Places to be (or not to be)

Plaatsbepaling is ineens heel belangrijk geworden. Voor velen van ons is dat ‘binnen’. Voor een aantal gaat het leven ‘buiten’ door, al is het dan ook niet ‘gewoon door’. Sommigen zijn op plekken waar niemand wil zijn: in isolatie op de intensive care. En tot mijn schrik zijn daar ineens ook mensen die ik persoonlijk ken.
Gelukkig kunnen ze dit lezen — dag lieve mensen, deze is voor jullie!

Twitter is ook zo’n plaats waar je nu niet meer wilt zijn. Ionica Smeets roeit er dapper tegen de klippen op. De opfleurtwitters van Rianne Meijer, die ook nog eens een heel leuke hond heeft, zijn fijn. Gisteren had ik nog even prettig contact met Aafke Romeijn, van wie ik net de nieuwe dichtbundel had besteld. Maar verder is het daar narigheid troef.

En ik had me juist voorgenomen om de narigheid niet te dichtbij te laten komen. (“Coronárigheid, hahaha!” — grappen maken kunnen we allemaal, leuke grappen is een ander verhaal. (Hé, dat loopt en rijmt best lekker…))

Vreemd genoeg zag ik er de laatste dagen ook veel sterrenkundig nieuws voorbij komen. Misschien waren mijn ogen gebrand op alles wat maar niet op narigheid duidt en niet te dichtbij komt. Bijvoorbeeld dat de heliosfeer (nerd-woord, ga ik niet uit leggen, sorry) de vorm heeft van een lekke strandbal. Ik vond het meer op een lek opblaasbeest lijken, maar wie ben ik.

Eigenlijk is de ruimte ook al geen fijne plaats om te zijn. Vanavond in de uitgeklede DWDD ging het over La Peste, van Albert Camus, dat ik zelfs in het Frans gelezen heb. Volgens filosoof en cabaretier Tim Fransen is de boodschap van Camus dat de kosmos volstrekt onverschillig staat tegenover ons mensen. Dat is niet zo raar: de kosmos bestaat voornamelijk níet uit de Aarde.

De ruimte bestaat vooral uit plaatsen waar je niet wilt zijn: extreem heet of extreem koud, heel veel straling, heel weinig zuurstof, met een beetje pech ook nog een zwart gat om de hoek.

De ruimte begint op honderd kilometer boven het aardoppervlak. Dat is best dichtbij, met een uurtje rijden ben je er. Het goede nieuws is dat het gewoon een afspraak is: “De ruimte begint op honderd kilometer.” Dus hij komt ook nooit dichterbij dan dat.

En veel plaatsen in de ruimte leveren ook nog heel mooie plaatjes op. Ik heb zo’n plaatje als achtergrond op één van mijn thuiswerkschermen gezet. Dan kijk ik naar die massa van stof en sterren en dan denk ik: zouden daar nu ook intelligente wezens thuis zitten te werken omdat— nee, nee, nee! Dan denk ik: wat een práchtige plaats is het heelal toch.

Jammer dat het zo ver weg is.

Dit is een plaatje van de Carina-nevel, op zo’n 7500 lichtjaar van ons vandaan. Het is een kosmologische intensive care unit, waar sterren in heel hoog tempo geboren worden. Een plaats waar je als sterrenkundige dolgraag zou willen zijn, maar niet kunt zijn vanwege alle straling. Maar wát een mooie plaats is het…
— Hubble Image: NASA, ESA, N. Smith (University of California, Berkeley), and The Hubble Heritage Team (STScI/AURA); zie de website van Hubble.

Fietsrondje in gedachten

Vandaag maakte ik na de lunch even een fietsrondje. Om het hoofd te luchten en de gedachten uit te laten waaien.

Fietsen leek me het veiligst. Op de fiets kom je niet snel te dicht bij iemand, en ook zeker niet te lang. Zo denk je dus al.

Vooropgesteld dat je niet met elkaar gaat fietsen. Ik zag aardig wat koppels fietsen, vooral ouderen. Vermoedelijke net-niet-net-wel-pensionado’s die ook een eindje gaan fietsen op een gewone dag, als ik op m’n werk ben. Meestal fietste de man voorop.

Ik zag trouwens ook veel groepjes collega’s met elkaar rondwandelen. Waarbij ik dan dacht: is dat verstandig? Zo denk je dus al.

Ik zag een dame die op ruime afstand van haar collega’s wandelde, aan de andere kant van het fietspad. Ze rookte een sigaretje. Ook niet zo verstandig, denk ik, maar in ieder geval op veilige afstand.

Wat me ook opviel: veel hardlopers, voornamelijk mannen. Gisteren, toen ik hetzelfde rondje deed maar op een iets andere tijd, waren het voornamelijk vrouwen. En ik dacht bij mezelf: let ik daar nu ook al op? Of zou me dat ook zijn opgevallen op een gewone dag?

Ik denk het niet.

Ik betrapte me erop dat ik bewust naar andere mensen keek. Bij iemand die van de andere kant kwam, een man van ongeveer mijn leeftijd met een puntbaardje, dacht ik dezelfde blik te zien.

Woei ik toch niet helemaal alleen uit mijn gedachten.

Dagen van corona

Het zijn bijzondere tijden, bedacht ik toen ik vanavond om acht uur op m’n balkon stond te klappen voor de zorgverleners en andere broodnodige ondersteuners. Het leek wel een jaarwisseling, minus het vuurwerk. Beneden mij hoorde ik twee passerende vrouwen aan een stel klappers vragen wat er aan de hand was. “Is er soms feest voor iets?”

Nee, het is geen feest, en voorlopig gaan er ook niet veel feestjes zijn. Zelf zit ik thuis te werken — deze middag hoorde ik dat mijn werkplek vanaf komende donderdag tot in ieder geval 6 april op slot gaat. En ik besef hoe bevoorrecht mijn positie is. Ik heb een vaste baan, vooralsnog gaat mijn werk on-line ‘gewoon’ door. Ik heb goede reserves: fysiek, materieel, financieel. Maar dat wil niet zeggen dat ik er heel gelukkig van word. Ik kan niet ontkennen dat de balans in mijn hoofd gemiddeld neigt naar het zwaarmoedige. Dan zijn dit geen tijden om vrolijk van te worden.

Anders gezegd: ik moet enige moeite doen om niet in de put te zakken. Dus heb ik mijzelf de opdracht gegeven om iedere dag van de coronacrisis een kleine beschouwing te doen. Liefst positief, en liefst ook echt iedere dag, maar ik kan geen van beide garanderen. Dat doe ik dan op Facebook en op dit blog, dat al veel te lang digitaal stof lag te vangen.

Voel je vrij om te reageren — graag zelfs. Ik zit hier tenslotte ook maar in mijn eentje, ook al is de wereld maar een bandbreedte verwijderd. Ik denk dat corona nog wel even bij ons gaat zijn, en dat we er, om er doorheen te komen, meer nodig hebben dan wijsheid en goed beleid. Nu en dan even een virtueel schouderklopje, een opbeurend woord, dat gaat ook allemaal helpen. Ik doe mijn best.

Update 25 maart: Ik heb besloten ook een positieve draai te geven aan de rubriek waar ik deze stukjes onder zet. Die noem ik vanaf nu ‘Kroon op de dag’.

In ieder geval ging de zon vanavond mooi onder.
In ieder geval ging de zon vanavond mooi onder.