Schermen

Vorige week was ik virtueel aanwezig bij wat ik nu even een theatercollege noem: Poëzie onder de microscoop. Dichter Rosa Schogt was in 2021 artist in residence in het lab van medisch bioloog Renée van Amerongen (UvA) en schreef gedichten naar aanleiding van het onderzoek. Ik ken Rosa persoonlijk, ik ben geïnteresseerd in zowel poëzie als wetenschappelijk onderzoek, dus ik was heel benieuwd.

“Is het lab een plaats voor poëzie?” vraagt de tekst op de website van Spui25[1], waar je het gebeuren trouwens ook nog kunt terugzien (doen!).

“Ja, waarom niet?” zou ik zeggen. Maar ik ben misschien niet helemaal maatgevend in dezen. Daar ga ik dus nog een blogje over schrijven.

Mijn gedachten dwaalden echter al meteen bij aanvang af. Ik schoot namelijk al in de lach nog voordat de bijeenkomst goed en wel van start was gegaan. Het grote scherm, waarmee het publiek dat daadwerkelijk in de zaal zat werd bediend, deed het niet… Nee, dat is natuurlijk niet om te lachen. Ik lachte dan ook niet omdat het leuk was, maar omdat ik het zo herkende.

Al meer dan vijftien jaar ben ik organisatorisch betrokken bij lezingen van het Natuurkundig Gezelschap te Utrecht [2]. Dat is de oudste nog bestaande natuurwetenschappelijke kring van het land, opgericht in 1777. Vroeger organiseerde het Gezelschap huiskamerbijeenkomsten voor en door de gegoede burgerij, waar hoogleraren letterlijk hun kunstjes kwamen demonstreren. Het waren een soort theatercolleges. De leden van het Gezelschap schaften de apparatuur aan, die de academici dan in bruikleen konden inzetten bij de universiteit. De derde geldstroom avant la lettre.

Die tijden zijn lang voorbij. Het instrumentarium van het Gezelschap verhuisde een kleine eeuw geleden naar het Utrechtse Universiteitsmuseum-in-wording en vormde er een belangrijk fundament van de collectie. De demonstraties zijn vervangen door lezingen van wetenschappers, in de plaats van de huiskamer is een collegezaal gekomen, en de ‘burgers’ in die zaal zijn academisch vaak niet minder onderlegd dan de sprekers. Het moderne instrumentarium bestaat nu meestal uit een laptop, aangesloten op de al aanwezige beamer in de zaal. Lichtbeelden zijn het medium — als alles het doet. En dat is zelden meteen het geval.

Het publiek bestaat vooral uit natuurkundigen, met een paar wis- en scheikundigen voor de diversiteit. Mensen met enig verstand van moderne technologie, zou je zeggen. Maar een presentatie laten beginnen blijkt telkens weer meer dan raketwetenschap. Hoe intelligent en technisch vaardig spreker en publiek ook zijn, er is toch altijd weer een volgorde van handelingen die de enig juiste is, maar nooit de eerste die wordt uitgevoerd, of de tweede.

Eerst de laptop aansluiten op het kastje waar ook de beamer naar luistert, dan pas de laptop áánzetten, dan de beamer aan. Nee, éérst de laptop aanzetten en de presentatie klaarzetten, en dán pas verbinding met de beamer maken. Of, nee, éérst de beamer aanzetten (die moet immers ook nog opwarmen), dan de laptop aan, dan— Nee? Nee…

Gelukkig komen de sprekers, die het fenomeen vaak ook van hun thuisbasis kennen, ruim op tijd om een en ander in te regelen. Zodat we meestal ook echt kunnen beginnen op de aangekondigde tijd van acht uur. Die thuisbasis is ook wel eens dezelfde zaal omdat ze zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht, maar dat geeft geen garantie op een probleemloze start.

Eenmaal was de spreker een Utrechtse sterrenkundige (wiens naam ik zal verzwijgen) die van tevoren had aangekondigd dat hij een nieuwe laptop had, en of het misschien handig was als we alles eerst even testten voordat hij aan zijn verhaal zou beginnen?

Geen probleem, mailde ik hem terug, ik was juist om die reden altijd een kwartier van tevoren al in de zaal.

Hij niet. Hij kwam pas een paar minuten voor aanvang binnen. De laptop, zei hij enigszins buiten adem, was een splinternieuwe. En het was ook voor het eerst dat hij een presentatie met de computer gaf. Bij het laatste grote sterrenkundig congres waar hij een spreker was, had de organisatie alleen voor hém nog een overhead-projector moeten regelen. Alle andere sprekers werkten inmiddels met laptops. Hij nu dus ook.

De laptop bleek te draaien op linux. Als de lezer geen idee heeft wat dat is: laten we zeggen dat het geen Windows is, en ook geen Apple, dat er vele varianten van zijn, dat deze sterrenkundige had gekozen voor een exotische variant, en dat dat in zichzelf geen bijzondere keuze is want natuurkundigen hebben een ingeboren neiging om te kiezen voor een systeem dat andere mensen níét hebben.

De laptop weigerde categorisch op enige manier te communiceren met de beamer. Welke volgorde van aanzetten en aansluiten van de componenten ik ook probeerde, niets werkte.

De sterrenkundige stond er werkloos naast, ik was tenslotte een organisator en daarmee de techneut van dienst. Ik suggereerde dat hij misschien wat inleidende woorden kon spreken, maar nee, daarvoor was toch echt de eerste slide van de presentatie nodig, en die zat vooralsnog in een zwart gat waaruit geen ontsnapping mogelijk leek.

Waarop ik, om geen interstellaire stilte te laten vallen, dan maar met luide stem uitleg gaf bij wat ik aan het doen was. Ik heb nooit last gehad van podiumangst, dat hielp.

Het publiek, met daarin ook een aantal reguliere ‘gebruikers’ van de zaal, riep hulpvaardig allerlei aanwijzingen, die geen van alle werkten.

Uiteindelijk lukte het tegen half negen om de presentatie op het grote zaalscherm in beweging te krijgen. Vraag mij niet hoe — het werkte. Technologie blijft een vorm van magie.

Veel poëzie zat er niet in de avond, hoewel plaatjes van verafgelegen sterrenstelsel altijd indrukwekkend zijn. Maar ik wil graag denken dat ik het publiek in ieder geval een vorm van entertainment heb geboden die zeldzaam was in deze context.

Toch een soort theatercollege.