Franse strips en vliegende schotels

Meer dan veertig jaar geleden kampeerden we in een Bretons bos. Zo’n bos waar Astérix en Obélix op zoek zijn naar everzwijnen en Romeinen, met van die dikke eiken waar Idéfix verliefd op is.

De werkelijke fantasie bleek niet uit strips te komen, maar uit de ruimte.

Op enig moment streek er een bont gezelschap neer op een afgelegen veld. Ze noemden zich Raëliens naar hun leider Raël, die er zelf trouwens niet bij was. Ze geloofden dat wij mensen ooit op aarde waren ‘geplant’ door een kosmisch volk, de Elohim, en dat wij ons inmiddels zo ver hadden ontwikkeld dat we nu ook konden worden opgenomen in de galactische goegemeente.

Het waren een beetje zonderlinge figuren. Hippie-achtig. Niet onaardig, ook niet erg opdringerig. Wel ging er al snel het verhaal rond over de camping dat ze geprobeerd zouden hebben een kind te ontvoeren in een naburig dorp. Ik vermoed dat dat niet berustte op enig feit. Fake news.

Op een avond organiseerden de Raëliens een publieke bijeenkomst in een grote tent. Daar zouden ze ook beelden tonen van de reis die Raël had gemaakt naar de planeet van de Elohim. Hij had daar zichzelf gekloond zien worden, en had er gesproken met de originelen (of de klonen, dat was niet helemaal duidelijk) van de grote profeten: Mozes, Jezus, Boeddha, Mohammed, dat soort figuren. Die waren namelijk ook zendelingen geweest namens de Elohim, zoals Raël dat nu was.

‘Elohim’, zo leerde ik later van mijn leraar godsdienst, was de Hebreeuwse term voor ‘goden’ die in de bijbel ook wel wordt gebruikt om God aan te duiden. Zowel ‘heer’ als ‘heerscharen’, begreep ik.

De presentatie viel mij een beetje tegen. Ik had gehoopt op filmbeelden, of op zijn minst goede foto’s. We kregen dia’s te zien van schilderijen die Raël zelf had gemaakt. Het waren niet erg goede schilderijen: flowerpower in aquarel. De Elohim zagen eruit zoals aliens er over de hele wereld uitzien: met grote ogen en nog grotere hoofden, maar overigens wel volgens het menselijke plan: een romp, twee armen en twee benen.

Volgens de Raëliens waren wij dus het resultaat van een genetisch project van de Elohim; dat we een beetje op ze leken, of zij op ons, was dan niet zo raar.

Raël heette in zijn aardse leven Claude Vorilhon. Hij was een succesvol autocoureur (werd ons verteld) en toen hij op een dag een trainingsrit maakte werd hij bijna letterlijk onderschept door de Elohim. Die wezen hem aan als hun laatste boodschapper op aarde. De boodschap: er moest een ambassade worden gebouwd op aarde, en wel precies op de plek van de Tempelberg in Jeruzalem. Tot nu was daar weinig animo voor bij de aardse autoriteiten, in ieder geval niet bij de lokale autoriteiten in Jeruzalem — die hadden het waarschijnlijk al druk genoeg met andere zaken.

De Raëliens gebruikten ook een merkwaardig symbool: een davidster met daarin verweven een hakenkruis. Dat riep natuurlijk wel vragen op. Maar, zo zeiden de Raëliens, de swastika was een eeuwenoud symbool voor de zon dat, helaas helaas, door de nazi’s was misbruikt. Dat was natuurlijk wel waar, maar de combinatie met de davidster kwam toch wat ongelukkig over. Het zal de planningscommissie van de gemeente Jeruzalem niet meteen juichend enthousiast gemaakt hebben.

De Raëliens hielden met enige regelmaat sessies onder de sterrenhemel, waarbij ze zacht zoemend mediteerden. Dat was om de Elohim uit te nodigen.

De Elohim lieten zich niet zien, en op een dag waren ook de Raëliens verdwenen. Voor zover ik weet werden er geen kinderen vermist.

De Raëliens waren dan wel verdwenen uit onze vakantie, maar ik zou ze in de decennia daarna nu en dan weer tegenkomen, op onverwachte momenten. Bijvoorbeeld in een kerstvakantie toen we bij familie in Londen waren, en een ‘typisch Engels kerstkoortje’ op straat bleek te bestaan uit Raëliens die tussen de liedjes door pamfletjes uitdeelden. Zo’n twintig jaar geleden haalden ze even het wereldnieuws, toen Raëliens claimden de eerste succesvol gekloonde baby ter wereld te hebben ‘geproduceerd’.

En nu zag ik Raël ineens voorbijkomen in de documentaire The Prophet and the Space Aliens.[1]

Raël bestaat nog steeds, al is hij inmiddels een (kwieke) zeventiger. Hij verblijft tegenwoordig vooral in Japan en heeft wereldwijd zo’n 100000 volgers, waarvan opmerkelijk veel in Afrika. Met de ambassade wil het nog steeds niet zo vlotten, ook al heeft hij zijn logo aangepast om de Israeli te apaiseren: het hakenkruis heeft in de nieuwe versie plaatsgemaakt voor een gestileerd sterrenstelsel.

De Raëliens zagen er gelukkig uit, maar dat zijn mensen in sekten meestal als ze de ogen van de buitenwereld op zich gericht weten. Raël predikt gelijkheid, inclusiviteit, en liefde. Er wordt veel gedanst en gezongen onder begeleiding van akoestische gitaren. Nog steeds een beetje hippie-achtig dus.

Dat Raël alias Claude Vorilhon nooit een héél succescol autocoureur was, wist ik allang. En ook dat hij een tijdlang de maker en uitgever van een autoblad was geweest, en dat hij een tijdje als Brel-epigoon uitkwam in de tweede divisie van het Franse chanson.

Nieuw waren de verhalen van mensen die hem van dichtbij hadden meegemaakt in de tijd dat hij van Claude Vorilhon in Raël veranderde. Een automan uit Clermont-Ferrand vertelde hoe Claude begin jaren ’70 veel last had van de oliecrisis. Autoraces werden verboden en zijn autoblad vloog bij gebrek aan belangstelling uit de bocht. Claude moest op zoek naar andere vehikels.

Ook de leden nummer 2 en 3 van de Raëliens kwamen aan het woord. Het echtpaar had de beweging al lang geleden verlaten. In het begin was het niet veel meer dan een grap onder goede vrienden geweest, maar toen Claude met steeds dikkere verhalen over aliens kwam, hadden ze hun belangstelling verloren.

En waar die verhalen vandaan kwamen, dat wist die oude vriend ook wel. Zo hadden ze eens tijdens een etentje zitten filosoferen over de meest geschikte plek in de omgeving waar je als alien een eerste contact zou willen maken met een aardling. Niet te dicht bevolkt, maar ook niet te ver in de rimboe. Twee heuvels ten westen van Clermont-Ferrand leken het meest geschikt. En laat Claude, maanden later, nou precies bij één van die heuvels zijn eerste ontmoeting hebben met de Elohim. Niets menselijks is de alien vreemd.

En trouwens, waar die verhalen over de Elohim vandaan kwamen, dat wisten ze ook wel. Die had Claude namelijk gewoon uit de stripbladen gehaald die het echtpaar in huis had.

De man hield er eentje omhoog. Ik herkende het meteen: Fluide Glacial, een roemrucht blad. En die tekeningen herkende ik ook: dat was het werk van Marcel Gotlib, maker van volslagen absurdistische stripverhalen à la Monty Python en Mad Magazine.

Het kan niet kloppen, althans niet met dat blad. Fluide Glacial werd in 1975 opgericht, terwijl Vorilhon zijn eerste boek over de Elohim al in 1974 publiceerde. Maar Fluide Glacial kwam voort uit L’Écho des Savanes, een al even roemrucht blad, opgericht in 1972 door onder andere Gotlib.

Dus het is zeker niet onmogelijk dat de fantasie van Claude Vorilhon werd aangewakkerd door Franse strips.

Het is jammer dat Marcel Gotlib niet meer leeft. Hij zou er zeker een heel grappige strip over gemaakt hebben.

Noten

  1. Uitgezonden op 6 mei door de VPRO, terug te zien bij NPO Start Plus.