Vreugde en verdriet met boeken

Ik ben opgegroeid tussen de boeken. Als jongetje van een jaar of acht ging ik met een soort mechanische abacus het huis rond en telde toen al meer dan 4000 boeken. Vooral mijn vader had er een handje van om ze met stapels tegelijk het huis binnen te dragen. Dat was dan vooral veel non-fictie: vakliteratuur (natuur- en scheikunde, informatica) en alles waarin hij verder nog was geïnteresseerd. En dat was veel.

Mijn moeder was meer van de literatuur, en ook daarvan was er veel voorhanden. Toen we op weg naar het eindexamen een leeslijst met moderne literatuur moesten opstellen, kregen we van onze lerares Nederlands een advieslijst mee met 218 titels die we in ieder geval zonder discussie konden opvoeren. Daarvan stonden er 70 bij ons in de kast, terwijl ik er zelf nog eens een kleine 40 als Bulkboek had liggen. Ik kon wel vijf leeslijsten inleveren waarvoor ik geen stap buiten de deur hoefde te doen.

Hugo Claus, Het verdriet van België, 1983

Hugo Claus stond ook op die lijst, en ik heb geloof ik De Metsiers opgevoerd, omdat we dat klassikaal hadden gelezen. Maar een fan was ik niet. Dat veranderde pas een paar jaar na het eindexamen, toen ik Het verdriet van België las, dat inmiddels ook bij mijn ouders in de kast stond. Ik las de bijna 800 pagina’s in vijf dagen uit, dus je kunt rustig zeggen dat ik het verslonden heb.

Ik kan me er van de verhaallijnen niet veel details meer herinneren, ik moest er zelfs de synopsis op Wikipedia bijhalen. Wat ik me wel herinner was de geweldige taal van Claus, iets dat me nog steeds aangenaam treft als ik weer eens een Claus lees. En sommige details bleven me altijd bij. Zo was er onlangs in een aflevering van Flikken Maastricht een personage dat Louis Seynaeve heette en ik dacht meteen: het Verdriet!

Dat het over de oorlog gaat wist ik nog wel. Dat de vader van de hoofdpersoon onduidelijke sympathieën heeft ten aanzien van de Duitse bezetter ook nog, maar dat hij drukker was niet meer.

Zelf heb ik al mijn hele werkzame leven moeizame relaties met drukkers, maar gelukkig niet met mijn vader.

*

Mijn vader overleed een maand geleden, nadat meneer Alzheimer al langere tijd bezig was geweest hem uit zijn huis en uit zijn hoofd te lokken. En sinds hij in een verzorgingshuis woonde, ben ik met mijn moeder bezig geweest zijn studeerkamer uit te ruimen.

Dat is een deprimerende bezigheid. Deprimerend, omdat mijn vader zo verschrikkelijk veel boeken had, die over zo verschrikkelijk veel onderwerpen gaan, dat het onmogelijk is om ze op een nette manier het huis uit te krijgen. Ik heb er zelf wat wis- en natuurkundeboeken uit gehaald, wat algemene naslagwerken, en een allegaartje aan wat me interessant leek. Een nichtje heeft wat van de fotografieboeken meegenomen. Boeken met een duidelijk antiquarische waarden leggen we opzij. Boeken waarvan we denken dat er nog wel iemand wat aan heeft gaan op de stapel voor de stichting Emmaus. En de rest gaat in de papiercontainer van het goede doel.

Veel van de vakliteratuur is verouderd. Ergens in Nederland loopt waarschijnlijk wel iemand rond die er interesse in heeft, maar hoe gaan we die vinden? Het probleem is niet alleen dat het veel is, het probleem is vooral dat het zeer divers is. Als het nou alleen maar boeken over scheikunde waren (mijn vader was afgestudeerd in de fysische chemie), dan kon je nog adverteren met ‘chemische bibliotheek, in één keer af te halen, vrachtauto zelf meebrengen’.

Zo’n beetje alle disciplines binnen de chemie, fysica en wiskunde zijn ruimschoots vertegenwoordigd. Ik was zelfs een beetje ontstemd toen ik ontdekte dat hij boeken in de kast had staan waar ik tijdens mijn studie natuurkunde wel wat aan had gehad. Maar mijn vader was zeer zuinig op zijn boeken — uitlenen, dat deden ze bij de bibliotheek. Daarentegen was hij niet zuinig in de uitgaven, hij heeft tijdens mijn studie veel meer boeken voor me gekocht dan ik strikt nodig had. Dus ik mopper verder niet.

Maar het stopt niet bij de hardste exacte studies. Geologie en mineralogie; biologie, vooral veel plantkunde en genetica; economie en econometrie; sociale wetenschappen, met een aparte collectie statistische methoden voor het onderzoek daarin; politicologie; bestuurskunde; rechten; religie; filosofie; geschiedenis; kunstgeschiedenis, met een aparte collectie over film; literatuur- en taalwetenschap… Ik loop in mijn hoofd de faculteiten en departementen af van mijn eigen universiteit (en de zijne), en ze zijn allemaal vertegenwoordigd. Een hele universiteitsbibliotheek in een notendop. Alleen de geneeskunde komt er wat bekaaid af, met eigenlijk alleen populair-wetenschappelijke boeken.

Over de computerboeken zwijg ik maar. Voor iedere versie van Microsoft Office die er ooit is uitgebracht had hij niet één maar meerdere titels in de kast staan. En dat is dan alleen nog Office… In die collectie heb ik een paar jaar geleden nog in zijn bijzijn het mes gezet, en het kostte toch nog heel wat moeite om hem ervan te overtuigen dat veel van die boeken echt volkomen nutteloos waren geworden. Dat één boek over Word 95 toch wel genoeg moest zijn, in plaats van zeven. Het ging hem aan zijn hart, dat was duidelijk, maar hij nam uiteindelijk genoegen met dat ene boek — let wel, één boek voor elke versie… Die boeken hebben we nu het eerst het huis uit gedragen.

Vorig najaar begon die grote uitdragerij. En iedere keer als ik weer zo’n krat boeken leegkieperde in de container ging het me ook aan mijn hart. Ik stond daar tenslotte toch de schatten van mijn vader weg te gooien, mijn vader die er zelf nog was, ook al was dat dan steeds meer de vorm dan de vent.

Een tijdlang had ik nog een vaag schrikbeeld: wat als de alzheimer op magische wijze van de ene op de andere dag zou verdwijnen? Dat hij weer naar huis mocht? Hoe zouden we dan de inmiddels steeds legere kasten in zijn studeerkamer moeten uitleggen?

Bij leven en welzijn had hij meermalen gezegd dat het hem niet interesseerde wat er met zijn boeken zou gebeuren na zijn dood. “Desnoods zet je maar een container naast het huis waar je alles in gooit dat je niet wilt houden,” of woorden van gelijke strekking. Hij was geen materialistisch man, mijn vader. Die boeken hadden een soort buitenzintuiglijke waarde, het was meer de idee van het boek die hij koesterde dan het boek als fysiek object. Al moest je er dus niet aankomen. Zowel ik als mijn broer waarschuwden vriendjes: kijken naar de boeken mag (maar liever niet te opvallend), aanraken absoluut niet.

Ik moet toegeven dat ik zijn vertrouwen wel had gewonnen, en dus wel boeken mocht lenen en zelfs mee naar mijn eigen huis nemen, toen ik zijn huis had verlaten — op voorwaarde, uiteraard, dat ik ze niet weer zou doorgeven. Misschien heb ik Het verdriet van België ook wel meegenomen, hoewel de periode waarin ik het las rond Pasen lag, dus misschien heb ik die wel in het ouderlijk huis doorgebracht met een boek.

Het was ook een favoriete zinspreuk van mijn vader: “Het gelukkigst ben ik in een hoekje met een boekje,” waarschijnlijk ooit door Thomas a Kempis uitgesproken. En dat was ook zo. Als het gesprek hem niet interesseerde, pakte hij een boek en ging lezen, ook als hij op visite was.

Zelfs in het verzorgingshuis verzamelde hij nog boeken. Bij het uitruimen van zijn kamer kwam er een flinke stapel tevoorschijn die we hem zeker niet hadden meegegeven bij zijn verhuizing. Hij was in de laatste fase van zijn leven nog zeer bezitterig als het om boeken ging, al kwam het lezen er niet meer van.

Het verdriet over zijn vertrek is nog groot. Maar we gaan nu met iets opgeluchter gemoed zijn studeervertrek te lijf. Al kost het nog steeds moeite om al die boeken af te voeren, en moet ik mezelf regelmatig dwingen om niet toch nog dat ene boekje opzij te leggen, en dat andere, en die…