Nog (n)iets gelezen

Het was midden jaren ’90. Van J.R.R. Tolkien, de halfgoddelijke betovergrootvader van de Fantasy, had ik zo ongeveer iedere letter gelezen die hij ooit had geschreven. Daar hoorde ook de langlopende reeks boeken bij die zijn zoon Christopher had bezorgd, waarin de ontstaansgeschiedenis van Midden-Aarde, met alle ideeën daar omheen, werd uitgeplozen tot op het niveau van een verdwaalde regel in potlood op de achterzijde van een tentamenopgave.

En natuurlijk had ik een heleboel heel wat mindere goden uit het genre doorgeploeterd, met als dieptepunt wel de reeks clichématige spin-offs rond het rollenspel Dungeon & Dragons (waarvan ik ook een tijd lang een enthousiast beoefenaar ben geweest).

Ik zal niet zeggen dat ik wel klaar was met de Fantasy, maar ik had ook niet het gevoel dat er nog erg veel viel te ontdekken.

Hoogmoed, natuurlijk.

Van alle boeken die er ooit in welk genre dan ook zijn geschreven heb ik het overgrote merendeel niet gelezen, zelfs in de genres waar ik heel veel van heb gelezen. Het probleem is natuurlijk niet dat je alles al gelezen hebt, maar dat je niet kunt weten wat er nog de moeite van het lezen waard is.

Toen leende goede vriend Rienk me Nine Princes in Amber, het eerste deel in de reeks Amber van Roger Zelazny.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Roger Zelazny, The Great Book of Amber (omnibus met alle Amber-romans, 1970-1991

Er ging een nieuwe wereld voor me open. Of eigenlijk een hele reeks aan werelden. Al moet ik toegeven dat ik gedurende de eerste hoofdstukken van het boek vooral dacht: wat gebéúrt hier?

Hoofdpersoon in de eerste vijf Amber-boeken, die een afgeronde cyclus vormen, is Carl Corey, die in dat eerste boek ontwaakt in een kliniek met een leeg geheugen, blijkbaar het gevolg van een auto-ongeluk. Al snel krijgt hij de beschikking over een stel tarotkaarten. In de afbeeldingen van de grote arcana (de troeven of trumps in het Engels) herkent hij zijn familieleden. Met de komst van één van zijn broers, en de realisatie dat hij niet ‘Carl Corey’ is maar prins Corwin van Amber, begint een bizarre tocht naar dat mythische land. Een tocht die niet zozeer een reis door de ruimte is als wel een reis door de fantasie.

Gedurende de vijf boeken gaat Corwin allianties aan met een aantal van zijn broers en zussen, in de strijd om Amber en tegen Chaos. Maar de trumps (jaja) zijn weinig betrouwbaar en niet zelden instabiel, variërend van egocentrisch tot megalomaan psychopatisch. Niets nieuws onder de zon…

De tweede cyclus van eveneens vijf boeken gaat over Merle, of Merlin, de zoon van Corwin die zich op ‘onze’ Aarde heeft genesteld als computerexpert. Ook hij wordt meegesleurd in de familieperikelen die zich opnieuw ontrollen in een fantastisch multiversum.

Zelazny schreef de tien boeken tussen 1970 en 1991. Ik zoog ze naar binnen in een half jaar tijd. Ik was hooked. Ik heb er zelfs in zitten lezen terwijl ik de hoofdsurveillant bij een tentamen natuurkunde was. (Ik heb niet de indruk dat de tentaminanten misbruik hebben gemaakt van mijn afwezige aanwezigheid, maar ik kan er m’n hand niet voor in het vuur steken…)

Wat was er zo bijzonder aan deze boeken? Zelazny maakte gebruik van allerhande thema’s en motieven uit de Fantasy-literatuur, maar dreef er ook een beetje de spot mee. De avonturen van Corwin en zijn zoon die zich in onze wereld afspelen, zouden ook uit een detective of een ander genre kunnen komen. Zoals de prinsen van Amber zich verplaatsen over de grenzen van werelden heen, zo overschreed Zelazny al schrijvend de grenzen van literaire genres.

En dat is nu eenmaal iets dat ik wel kan waarderen. Ik vond het ook bij Jack Vance, en bij Ursula Le Guin. Die schrijvers kende ik al toen ik in al mijn dertigjarige wijsheid meende het nu wel een beetje te weten — en struikelde over Roger Zelazny. Een lesje in nederigheid, dat ik overigens met veel genoegen tot me heb genomen. Dat was maar goed ook, want een paar jaar later struikelde ik over Terry Pratchett (ook al dankzij Rienk). Toen wist ik gelukkig in al mijn wijsheid dat er nog heel veel te ontdekken valt.