Een queeste

Er was eens een koning en die leefde in een beest. Dat was natuurlijk erg vervelend, want als het beest hoestte of galoppeerde dan viel de koning van zijn troon en zijn kroon rolde weg en zijn onderdanen vielen om.

Wim Hofman (tekst en illustraties), Koning Wikkepokluk de merkwaardige zoekt een rijk, 1973

Zo begint het boek Koning Wikkepokluk de merkwaardige zoekt een rijk, waarvoor schrijver en illustrator Wim Hofman in 1974 het Gouden Penseel kreeg. Ik zal dat boek ook wel in de Kinderboekenweek van dat jaar hebben gekregen, er zit een stickertje op dat verwijst naar die prijs.

Koning Wikkepokluk heeft drie onderdanen: de raadsheer Poekaun, Stoomvis, en Keevineen met zijn zwaard Trammelant. Je zou zeggen: met zo’n klein natie moet het niet moeilijk zijn om een rijk te vinden, maar het blijkt in de praktijk toch lastig.

Het viertal betreedt een bos met mooie grote bomen. De eerste de beste boom die wel een goed plaatsje lijkt, blijkt echter al bezet door een koning, en “in sommige grotere bomen zaten zelfs meerdere koningen.” Maar het ergste is wel koning Kolokwint, die vanuit zijn boom zelfs met kastanjes gooit.

De wijze Boe, de Duizendjarige, raadt de koning aan om Kolokwint uit de boom te halen, zodat Wikkepokluk er zijn rijk kan vestigen. Maar hoe dan? Door eens flink aan de boom te schudden, suggereert Boe, en als dat niet helpt, om een windmolen te gebruiken, en als zelfs dát niet helpt, om het dan maar gewoon te vragen. En ja hoor, dat laatste helpt! Kolokwint verlaat zijn boom en Wikkepokluk heeft een nieuw rijk.

Klaar is Kees, zou je zeggen. Maar we zijn dan pas op pagina 12, van 144, dus het moge duidelijk zijn dat de zoektocht van de koning en zijn trouwe onderdanen nog maar net begint. Als Keevineen met zijn zwaard zwaait om die nare Kolokwint definitief te verjagen, doet hij dat zo ruig dat de boom omvalt…

De zoektocht van Wikkepokluk voert hem onder andere naar het eiland Ennud, waar de stad Omvalom letterlijk op zijn kop staat, en de achterbakse Kolokwint onze koning verleidt om een poort open te maken met de sleutel van Mukwit. Achter die poort blijkt een gevaarlijke draak te zitten, die het de koning en zijn gevolg nog knap lastig zal maken.

Ik moet het boekje minstens een paar keer gelezen hebben, destijds deed ik dat met al mijn boeken. Maar het was een beetje weggezakt, dus ik heb het nog eens doorgenomen. Zeer tot mijn plezier, moet ik zeggen.

Eerst moest ik nog even denken aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen, met Trump in de rol van Kolokwint, maar dat is natuurlijk de waan van de dag. Naarmate ik vorderde in het verhaal, drong zich een heel ander beeld op. Dat van Monty Python and the Holy Grail.

Die film werd pas gemaakt nadat Hofman zijn boek in 1973 schreef en tekende, en je zou bijna denken dat het illustere zestal ervan geweten moet hebben. De humor in het boek, toch bedoeld voor kinderen, heeft hetzelfde absurdistische gehalte, de dialogen dezelfde bizarre logica. Maar dan met een boek als drager in plaats van een film.

Als ze op pagina 82 weer eens in de problemen zitten, zegt Stoomvis dat ze eigenlijk naar Boe, de Duizendjarige, zouden moeten gaan. “Die is veel te ver weg,” antwoordt Keevineen, “die zit helemaal op bladzijde 8.”

Als het gezelschap even later honger heeft, blijkt dat Stoomvis een hemd van pannenkoek draagt, dat ze gezamenlijk opeten.

“Heb jij het nu niet koud?” vroeg Poekaun hem.
“Ik heb het nooit koud,” zei Stoomvis.
“Waarom draag je dan een hemd?” vroeg Poekaun weer.
“Ik draag geen hemd,” zei Stoomvis.

pagina 85

De ‘bestorming’ van de grens van het land Pal, die zwaar wordt bewaakt, doet sterk denken aan de scène waarin Arthur en zijn ridders een Frans kasteel proberen te veroveren. Al is het hier de draak, en niet een groot houten konijn, die voor de doorbraak zorgt.

Wat te denken van Furze de Fur, een eigenaardig wezen met een kachelpijp als hoofd, die ook praat als een kachelpijp: “Goon joellie moor euns meu!” Hij brengt de koning en zijn mannen naar koningin Ida Ida Ida de Onheuse. En die geeft de koning, en Kolokwint die inmiddels ook in dat land verzeild is geraakt, een onmogelijke opdracht. Ergens hoor ik dan op de achtergrond de Knights Who Say “Ni!”

En dan is er Bennie de Troh, de roverhoofdman die tot de tanden bewapend is en dus altijd een vervaarlijk mes tussen zijn kaken geklemd houdt. Maar om verstaanbaar zijn — “Kowwa wee!” — moet hij dat steeds uit zijn mond halen: “Kom maar mee!” Als ik het plaatje van Bennie zie, denk ik meteen: daar staat Terry Gilliam!

Ik herinner met dat ik het boek in mijn jeugd een beetje raar vond. Wel leuk raar, spannend ook, maar toch, een beetje raar. Wanneer ik The Holy Grail voor het eerst zag weet ik niet meer, het was op een filmavond op de middelbare school, zeker een jaar of zeven, acht later. Op die leeftijd is dat natuurlijk nog best veel. En of ik bij het kijken naar de film terugdacht aan het boek weet ik ook niet meer. Maar de humor van Monty Python, die ik al kende van de televisie, beviel me best, net als nu de herlezing van het boek.

Jammer eigenlijk dat er nooit een film van is gemaakt.