De eerste strohalm (een bekentenis)

Afgelopen week was het tien jaar geleden dat Harry Mulisch overleed. Van de Grote Drie (Mulisch, Hermans, Reve) was hij mij veruit het liefst. De aanbidding van Reve heb ik nooit begrepen. De romans en verhalen van Hermans vond ik goed, maar niet per se beter dan van veel andere schrijvers. Maar Mulisch…

Wat de eerste Mulisch was die ik las weet ik niet meer. Mijn leestlijstje ben ik pas systematisch gaan bijhouden toen ik van school was, en daar staat Twee vrouwen als eerste Mulisch op. Maar daarvóór had ik al heel wat van hem verstouwd. In volgorde van aanschaf, in ieder geval: Voer voor psychologen, De aanslag, Het ene (de Huizingalezing 1984, waar ik zelf ook bij was), Het stenen bruidsbed, De versierde mens, Bericht aan de rattenkoning, Hoogste tijd, De zaak 40/61, Symmetrie, Mijn getijdenboek, De verteller, Het zwarte licht, De diamant

Harry Mulisch, archibald strohalm, 1952

En dat ene, eerste boek van hem, dat zo raadselachtig zonder hoofdletters getitelde archibald strohalm. Hij kreeg er in 1951 de Reina Prinsen Geerligsprijs voor, vier jaar nadat Reve de eerste editie had gewonnen met De avonden.

Mijn ouders hadden archibald strohalm in de kast staan, maar ze waren geen fanatieke Mulisch-lezers, vandaar dat ik zelf in mijn behoeften moest voorzien en een flinke ruimte op mijn boekenplankje opgaf aan Mulisch.

Een bekentenis: ik vond het een geweldig boek en ik begreep er geen bal van. Misschien was dit wel de eerste tekst die ik uit eigen beweging las en die ik niet meteen begreep, zonder dat dat erg was. Misschien is dat ook wel de belangrijkste les die ik heb geleerd over literatuur (en meer in het algemeen de kunsten): je hóéft het niet meteen te begrijpen om het toch mooi te vinden.

Ik probeerde er wel touwen aan vast te knopen. De symboliek van een poppenkastspeler sprak me erg aan. Iemand die anderen stuurt en daarmee een verhaal vertelt, prachtig!

In de persoon van de nurkse uitvinder H.W. Frets meende ik een cryptische verwijzing te zien naar W.F. Hermans, die immers cyclisch dezelfde initialen voerde, een voornaam als achternaam had, en er naar ik dacht ook een nogal mechanistisch wereldbeeld op na hield. Pas heel veel later ontdekte ik via anderen dat als je Frets achterstevoren leest, er Sterf staat. Zo eenvoudig, maar ik had ’m zelf gemist…

De duistere toon van het boek, het enigszins verheven taalgebruik, het metafysische (ook in de wat latere boeken), het zou mijn ideeën over schrijven en verhalen lang beïnvloeden. Als ik nu teruglees wat ik in die tijd zelf schreef, dan druipt Mulisch er niet zozeer vanaf, hij staat zich tussen alle woorden door luidruchtig op de borst te kloppen.

Dat Mulisch bepaald geen last had van zelfonderschatting is bekend, het wordt hem ook nu nog wel nagedragen. Een ijdele, arrogante kwast. Vooral Reve-adepten halen hun neus ervoor op, indachtig hun eigen profeet: “Mulles is vulles”. (De ijdele arrogantie van de volksschrijver heet ironie, dat is natuurlijk wél in orde.)

Ja, Mulisch was ongetwijfeld ijdel en arrogant en alles meer wat een middelmatig mens meestal ontbeert om boven het maaiveld uit te steken. Maar dat Mulisch als hij weer eens in het Américain was, een ober rond liet lopen roepende: “Telefoon voor meneer Mulisch!” — zodat iedereen wist dat de Grote Schrijver in het huis was — dat kan ik eigenlijk alleen maar hilarisch grappig vinden.

Mulisch heeft veel geschreven, ik heb daarvan veel gelezen en ook veel geleerd. Maar ergens halverwege de jaren ’90 hield het op. Ik weet ook niet waarom, ik had blijkbaar mijn punt van Mulisch-verzadiging bereikt.

Of misschien was het wel De ontdekking van de hemel. Ik las dat boek uit 1992 pas vier jaar later, en het viel, om eerlijk te zijn — alweer een bekentenis — een beetje tegen. Waar heel Nederland zich juichend op Mulisch stortte, dacht ik: nu weten we het wel hoor. O, het was goed geschreven, met de bekende Mulisch-thema’s en Mulisch-retoriek en Mulisch-humor. Maar het draafde, in mijn ogen, veel te ver door. Daar kwam nog wat bij: er is een belangrijke rol weggelegd voor een sterrenkundige. Ik vermoed dat iedere beroepsgroep er last van heeft dat romanpersonages uit die beroepsgroep zelden overtuigend zijn. “Ja, leuk, maar dat zou een sterrenkundige dus nóóit zeggen.” (Ik ben — bekentenis! — natuurkundige, maar ik ken genoeg sterrenkundigen goed genoeg om mij ook hún eigenaardigheden toe te kunnen eigenen, dank u.)

Na De ontdekking van de hemel was de ontdekkingsreis Mulisch voor mij wel afgelopen.

Ik heb, ook alweer zo’n vijftien jaar geleden, archibald strohalm nog eens herlezen. Gewoon, om te zien of ik er nog wat van mijn jeugdige enthousiasme in kon terugvinden.

Ik zag wel waarom ik het toen zo goed vond. Maar ik zag ook dat ik inmiddels al een lange literaire weg had bewandeld, en langs die route nog heel veel meer en mooiere uitzichten had ontdekt. Mulisch was wel de eerste literaire strohalm die ik aangreep. En daar heb ik nooit spijt van gehad.