Een zwerftocht

In 2002 las ik het boek Een deerne in lokkend postuur van Maarten ’t Hart. Ik vond het een mopperig boek. En er was nogal wat om over te mopperen, want het boek ging over 1999 en de op dat moment aanstaande eeuw- en millenniumwisseling1. Die ‘gebeurtenis’ bracht ook allerlei verkiezingen met zich mee, zoals die van het beste boek van de twintigste eeuw. Dat was Ulysses, van James Joyce. Een onbegrijpelijke keuze, volgens ’t Hart. En hij kon het weten: hij had het boek driemaal gelezen en het was telkens een bezoeking geweest…

Ik moest er een beetje om lachen. Als je een boek leest dat je niet goed vindt, waarom zou je het dan überhaupt nóg een keer lezen? Nou vooruit, omdat je denkt dat je hoofd er die eerste keer misschien niet naar stond en je het boek een tweede kans wil geven. Maar als het dan weer niet goed valt, waarom dan in vredesnaam een derde keer? Dat riekt naar masochisme. Of naar overdreven trots: kijk mij eens drie keer een beroemd maar overigens verschrikkelijk boek gelezen hebben!

James Joyce, Ulysses, 1922 (gecorrigeerde tekst Hans Walter Gabler, 1984)

Ik had Ulysses op dat moment nog niet gelezen. Het stond wel in mijn kast, want ik had het in mijn vroege studiejaren als verjaarscadeau van een paar vrienden gehad. Dat hadden ze niet uit zichzelf bedacht, ik had erom gevraagd. En dat had ik gedaan omdat er niet lang tevoren, in 1984, een hernieuwde uitgave van het boek was verschenen. Daarin waren enige duizenden fouten hersteld die waren gemaakt bij het overnemen van het manuscript. Daarmee zou het raadselachtige boek wellicht wat minder raadselachtig worden. Er was veel aandacht voor, in mijn herinnering kwam het zelfs in het journaal voorbij. Een mooie gelegenheid, dacht ik, om er dan zelf ook maar eens aan te beginnen.

In 2002 was het er nog niet van gekomen. Ik had er aan geroken (ook letterlijk), hier en daar wat stukjes gelezen, maar al snel begrepen dat ook deze gecorrigeerde tekst nog niet meteen een toonbeeld van transparantie ging zijn. Ik had intussen wel, in vertaling, Een portret van de kunstenaar als jongeman gelezen, dat me wel was bevallen.

De sneer van Maarten ’t Hart was wat ik nodig had om er mijn tanden in te zetten. Dat duurde toch nog even, maar in de zomervakantie van 2004 was het dan toch zover. Ik maakte er bewust een project van: als ik nu iedere dag tenminste één episode las, dan zou ik het boek in maximaal achttien dagen uit hebben. Minder dan de Tour de France, te overzien.

Het werden dertien etappes. Het viel me mee — en tegen. Mee, omdat ik het lezen van de Engelse tekst minder lastig vond dan ik had verwacht. Tegen, omdat ik het boek toch eigenlijk niet zo goed begreep. Wat wilde de schrijver? Zou ik het nog een keer moeten lezen? Was dat wat ’t Hart over de streep had getrokken om het een tweede en zelfs een derde keer te lezen, om tenslotte te constateren dat het toch eigenlijk gewoon een onleesbaar boek is?

Maar ik vond het geen onleesbaar boek. Ik vond het goed beschouwd niet eens zozeer een onbegrijpelijk boek. Het was een ongrijpbaar boek.

Inmiddels zijn er sinds ik het boek voor het eerst in handen had al meer dan dertig jaar verstreken, ruim meer dan de tijd die Odysseus nodig had om naar Troje te gaan, daar een oorlog uit te vechten, en daarna weer thuis te komen. En zoals de Griekse held veel leerde op zijn zwerftocht, zo heb ik natuurlijk ook het nodige geleerd.

Onder andere dat die gecorrigeerde tekst van Hans Walter Gabler inmiddels allang weer van zijn voetstuk is gevallen. Gabler was blijkbaar nogal enthousiast in het vinden van ‘fouten’ en introduceerde en passant zelf een paar klunzige missers. Verblind door zijn eigen sirene, of met een oog te weinig gekeken — kies maar.

Een boek hoeft niet per se een logisch verhaal te zijn, met een duidelijk gemarkeerd begin, midden, en einde. Ik schreef daar al eens eerder wat over. Dan is het boek zelf het doel geworden van het lezen ervan, zoals een reis een doel op zichzelf kan zijn.

Dat betekent natuurlijk nog niet dat ieder onbegrijpelijk of ongrijpbaar boek per se een kunstwerk is. Maar dat is sowieso het raadsel van de kunst: je kunt geen afstreeplijstjes maken, iets is niet een kunstwerk omdat het voldoet aan ten minste zoveel procent van de mogelijke criteria voor ‘een kunstwerk’.

Maar wat is het dan wel?

Voor mezelf is het belangrijkste criterium, nu, dat ik erdoor geraakt moet worden. Het maakt niet uit hoe, of waarom. Als ik erdoor geroerd word, eraan moet terugdenken, als ik het nog eens zou willen zien of beleven, dan is het al in hoge mate een kunstwerk (de rest wordt dan toch enigszins bepaald door de mening van derden). Voor mij is Jack Vance een groot schrijver en zijn zijn werken van literaire waarde.

Je moet je er wel voor willen openstellen. Als je er op voorhand van overtuigd bent dat iets geen waarde heeft, gaat het die ook niet krijgen — een denkfout die je de laatste jaren bij te veel mensen aan de oppervlakte ziet komen.

Ulysses is al die jaren door mijn hoofd blijven spoken. Niet dat ik ’s ochtends wakker werd en dan als eerste aan Ulysses moest denken, of zelfs maar aan James Joyce. Maar het boek is onderdeel van mijn hoofd geworden, iets dat ik met me meesjouw en dat zich op gezette tijden voorzichtig in mijn bewustzijn aandient. Zoals ook de klassieke verhalen als van Odysseus zich in mij hebben genesteld.

Was het het beste boek van de twintigste eeuw? Welnee. Dat beste boek is een mythe, dat bestaat helemaal niet. Of het bestaat wel, maar dan is het buitendimensionaal en heeft het vele verschijningsvormen in onze wereld, waaronder Ulysses.

Intussen ben ik allang tot de conclusie gekomen dat ik het maar weer eens moet lezen. Ik zou op zoek kunnen gaan naar een andere editie, die niet ten prooi is gevallen aan de zwerftochten van een foutenvinder. Maar ach, het gaat om de reis, en bij geen enkele reis herinner je je elk detail van het landschap. En tenslotte ligt het hier gewoon op mijn bureau, voorzichtig te roepen.

Noten

  1. Ik zou er nu over kunnen mopperen dat de eenentwintigste eeuw en het derde millennium natuurlijk pas begonnen met 2001, maar dat laat ik even — voor nu.