Leksikon

Mijn grootouders van moeders kant trouwden 81 jaar geleden, op 24 mei 1939. 41 jaar geleden vierden we dus hun 40-jarige trouwdag. Bij die gelegenheid kregen alle kleinkinderen na afloop ook een cadeau, als herinnering. In mijn geval was dat Wordt vervolgd — Stripleksikon der Lage Landen, samengesteld door Evelien en Kees Kousemaker. Dat was toen net uitgekomen.

Ik was in die tijd helemaal ‘into’ strips. Ik las alles wat los en vast zat. Het Leksikon heb ik ook van voor naar achter en nog een paar keer heen en weer gelezen. Dat is het boek ook wel aan te zien. Het was dan ook een fijn boek om te lezen.

(Wordt vervolgd onder de afbeelding.)

Wordt vervolgd — Stripleksikon der Lage Landen, 1979 (front)

Kees Kousemaker was de eerste die een serieuze stripwinkel begon, Lambiek, in Amsterdam. Ik moet bekennen dat ik daar nooit geweest ben, maar de winkel was legendarisch. En alle kennis over strips die het echtpaar Kousemaker had stopten ze hun Stripleksikon. (Het kost me moeite om dat woord te typen, maar dat was toen nou eenmaal de spellingswijze.)

De eerste honderd pagina’s geven een overzicht van de geschiedenis en thematiek van strips. Daarna volgen er 156 pagina’s alfabetische lemma’s. Met heel veel plaatjes uiteraard.

(Wordt vervolgd onder de afbeelding.)

Wordt vervolgd — Stripleksikon der Lage Landen, 1979 (achterblad)

Het was, denk ik, de eerste keer dat ik een boek zag dat zo rigoureus ging over een onderwerp dat mij boeide maar dat toch een beetje een zweem van trivialiteit over zich had. Bommel, dat kon nog wel, die werd tenslotte ook als literatuur gepubliceerd bij De Bezige Bij — waarbij de plaatjes zodanig waren verkleind dat de nadruk wel erg op de tekst lag. Asterix en Kuifje, daar kon je onder intellectuelen ook nog wel mee aankomen. Maar dan hield het snel op. Suske & Wiske? Plat vermaak. Donald Duck? Kinderstrip, die volgens sommigen ook nog een verwerpelijk soort kapitalisme ventileerde.

Het Stripleksikon ging daar heel anders mee om. Niet zonder kritiek maar toch vooral serieus en opbouwend. Blijkbaar kon je ook serieus over strips schrijven.

Dat bracht me op ideeën.

Op onze school werd bij het vak Nederlands geëxperimenteerd met ‘gericht schrijven’. Daarbij moest je over één specifiek onderwerp materiaal verzamelen. In je ‘map’ formuleerde je een onderzoeksvraag, die je aan de hand van het bronmateriaal moest beantwoorden. De beoordeling van de map ging niet alleen over je behandeling van de probleemstelling, maar ook over de kwaliteit van het materiaal en de manier waarop je het had ingedeeld. Bij het centrale eindexamen was de gewone opstelopdracht bij ons vervangen door een schrijfopdracht naar keuze over een van de twee mappen die je in de voorgaande jaren had gemaakt.

De eerste map die ik aanlegde ging over de vraag of strips onderdeel moesten zijn van het literatuuronderwijs. Ik had er veel plezier in en kreeg er een hoog cijfer voor. Dat ik het serieus aanpakte zal ongetwijfeld zijn oorsprong vinden in het werk van de Kousemakers. En mijn conclusie was natuurlijk: ja, strips zouden ook onderdeel moeten zijn van het literatuuronderwijs.