Keurling

Ergens rond deze datum, maar dan in 1982, werd ik gekeurd voor de militaire dienst. Dat gebeurde in de Knoopkazerne aan de Mineurslaan in Utrecht.

Ik had lange haren en was antimilitarist en droeg met trots het gebroken geweertje dat mijn vader ook had gedragen. Als ze me niet zouden afkeuren dan zou ik dienstweigeren. Maar ze zouden me natuurlijk wél afkeuren: ik had ook toen al knap beroerde ogen, ik was kleurenblind, ik had een chronische neusontsteking, en met de ophanging van mijn schouderbladen aan de rest van mijn anatomie was ook iets mis. Kat in het bakkie.

De keuring duurde een hele dag. Bij de oproep zat een brochure en daarin stond dat ik “indien in bezit” de nodige zaken mee moest nemen: diploma’s, doktersverklaringen, en het trouwboekje van mijn ouders. Veel diploma’s had ik niet, ik was nog bezig de vierde klas van het gymnasium af te ronden (en deze keer wel met succes). Dus ik nam mee: mijn zwemdiploma A en mijn diploma LEGO-bouwmeester. Vanwege die neusontsteking was ik officieel nooit verder gezwommen dan A. En dat diploma LEGO-bouwmeester, dat ik jaren eerder had gekregen omdat ik aan een bouwwedstrijd had meegedaan, was natuurlijk vooral om het militair gezag te sarren. Ik verheugde me al op het gesprek dat dat zou opleveren.

De man die de keurlingen ontving en registreerde keek er even naar en zei niets. Dat was jammer.

Hij vroeg naar het trouwboekje van mijn ouders.

“Dat heb ik niet,” zei ik. Werd het toch nog een fijn gesprek!

“Je ouders zijn gescheiden,” constateerde de man.

“Nee hoor, ze zijn gelukkig getrouwd,” zei ik naar waarheid.

Daar keek hij toch even van op.

“Het is niet in mijn bezit, het is in het bezit van mijn ouders. Dus dat hoefde ik niet mee te nemen.”

Hij ging er niet op door. Waarschijnlijk had hij allang geleerd om niet met wijsneuzen in discussie te gaan. Misschien maakte hij een mentale notitie, om ze bij de afdeling communicatie toch nog eens te vragen om de woordkeuze in de brochure nou eens aan te passen, omdat hij zóóó moe werd van al die zogenaamde slimmeriken.

De keuring bestond uit een fysieke keuring, een paar kennistesten, en een gesprek met iemand van de indelingsraad. Van de fysieke testen herinner ik me alleen de gehoortest — ik had een goed gehoor — en de ogentest. Die laatste viel me een beetje tegen. Met één oog afgedekt wat letters oplezen, zouden ze daar echt uit kunnen opmaken dat mijn ogen zo slecht waren? Ze deden wel een test op kleurenblindheid, waar ik zonder enige twijfel met vlag en wimpel voor zakte.

De kennistesten waren te gemakkelijk voor woorden. Je had steeds twintig minuten voor een test, die ik op mijn dooiste akkertje binnen tien minuten af had. Ik wist dat het geen zin had om de testen te verpesten, ze maakten niet uit voor je keuring maar waren wel van belang voor je plaatsing. Dus deed ik gewoon waar ik goed in was. Een mannetje in uniform dat toezicht hield bij de testen wees me erop dat ik de overgebleven tijd beter kon gebruiken om de test nog eens te controleren. Niet nodig, want denkt u wel!

Bij het gesprek met de indelingsraad gaf ik onomwonden aan dat ik zou dienstweigeren. Zo, dat hadden we dan ook maar vast gehad. In gedachten zag ik mijn dossier al belanden op de stapel ‘geen tijd aan verspillen’.

Ten slotte werd de hele groep nog eens bij elkaar gehaald. De meesten zouden per post de uitslag ontvangen. Een paar jongens zouden nog een medisch vervolgonderzoek krijgen. En twee, ikzelf incluis, zouden de uitslag via de huisarts vernemen.

Dat was heel goed nieuws! In de brochure stond immers dat als je werd afgekeurd, je dat via de huisarts zou vernemen. Hoera, de zomer kon beginnen!

Weken later kreeg ik een brief van Defensie. Ik was goedgekeurd.

(Wordt vervolgd…)