Vertelling

Op het gymnasium was ik niet zo goed in Grieks. Ik was sowieso niet zo goed in talen, ik was een harde bèta. Van de klassieke talen lag Latijn mij meer dan Grieks. Ik vond Latijn logischer, gestructureerder. (Voor de wiskundigen onder ons: Latijn was voor mij algebra, Grieks was analyse — en ik ben nou eenmaal veel beter in algebra.)

Ik was niet zo zeer ‘niet goed’ in Grieks, ik was ronduit ‘beroerd’ in Grieks. Ik was zo slecht in Grieks dat het een bedreiging vormde voor de overgang naar de volgende klas. Dat was een beetje jammer want in die klas kon ik Grieks laten vallen.

O paradox: om me van mijn belabberde Grieks te bevrijden moest ik me erin bekwamen. Epimenides had erom kunnen lachen.

Mijn leraar Grieks was de rector van de school, de formidabele Lucas Berk. Ik vermoed dat hij ook wel inzag dat het nooit wat zou worden tussen Grieks en mij. Hij deed zijn best, maar wat er niet is kun je niet zomaar oproepen.

De laatste repetitie Grieks van het schooljaar diende zich aan. Het was een vertaling van een tekst van zo’n vijftien regels. Ik moest er een voldoende voor halen, dan had ik net genoeg punten om over te gaan. Dat was dan met de hakken over de sloot, maar wel met heel natte billen.

Ik begon aan de tekst. Het ging over een generaal, zoveel begreep ik nog net van de eerste zin. Die maakt een wandeling over… de markt? Ja, het was iets met kramen, en paarden, en veel mensen. Een markt dus. De generaal loopt na te denken over… een veldslag? Dat woord dacht ik toch wel te herkennen. Hm, somber. Maar het is mooi weer, de zon schijnt. De paarden hinniken en er wordt gezongen, en wijn gedronken.

Zoiets.

Meneer Berk gaf mij precies het cijfer dat ik nodig had om over te kunnen gaan.

De tekst ging over een generaal, inderdaad — die aan de vooravond van de veldslag door het legerkamp loopt. Hij denkt aan zijn soldaten die nu nog in hun tenten zingen en wijn drinken, maar morgen in de brandende zon, temidden van de gillende paarden, een zekere dood tegemoet zullen gaan.

Ik had het verhaal mooi opgeschreven, en ik denk dat meneer Berk het net zo lang heeft nagekeken tot ik voldoende punten had. Hij negeerde mijn vertaling en waardeerde de vertelling.

Zoiets.

Toneeltekst

Op het gymnasium had ik een bijzondere rector, Lucas Berk. Ik kreeg een paar jaar les van hem, klassiek Grieks.

Meneer Berk was zeer begaan met zijn leerlingen, en met de klassieke cultuur. Op een dag kondigde hij aan dat hij ons de volgende les een stuk van een Grieks toneelstuk uit het hoofd zou laten leren. Je moest als oud-gymnasiast toch op zijn minst een stuk van een Grieks toneelstuk kunnen declameren in de oorspronkelijke taal. En dan ook nog kunnen vertellen waar het over ging.

Ik was er niet geheel van overtuigd.

De les kwam. Meneer Berk onderstreepte nogmaals het belang van deze kennis en meer. Als een ware tragediespeler bouwde hij de spanning op, zonder ons overigens te vertellen welk toneelstuk wij geacht werden ons leven lang te kunnen citeren.

Ten slotte kwam het moment dat hij het bewuste citaat op het bord schreef:

Βρεκεκεκὲξ κοὰξ κοάξ

In mijn herinnering bleef het even stil in de klas.

Wat stond daar? “Brekekekèx-koàx-koáx” Dat, zo legde meneer Berk uit, was een strofe uit het blijspel Βάτραχοι, van de dichter Aristophanes.

Βάτραχοι, dat is Kikkers. En dat citaat is de tekst waarmee de kikkers in het stuk de god Dionysos tarten.

Met mijn klassieke Grieks is het nooit echt goed gekomen (daarover morgen meer), maar meneer Berk is in zijn opzet geslaagd. Ik kan nog steeds een citaat uit een klassiek Grieks toneelstuk voordragen, en ik denk dat ik dat nog wel een tijdje volhoud.

Los gatos no quieren ducharse

Ik ben al een paar maanden bezig Spaans te leren via Duolingo, een on-line taalplatform. Op school was ik een harde bèta, die alle talen zo snel mogelijk liet vallen als ze niet strikt noodzakelijk waren om de eindstreep van het gymnasium te halen. Achteraf had ik er wel een beetje spijt van dat ik niet wat beter had opgelet bij de taallessen.

Nu merk ik dat er toch een boel is blijven hangen. Ik heb pas na school echt Frans geleerd, vooral in Frankrijk van Fransen en door het lezen van Franse boekjes. Nu zie ik tot mijn plezier de overeenkomsten in structuur, en ook de verschillen, tussen Frans en Spaans.

Waar ik me wel nu en dan over verbaas zijn de oefenzinnetjes die je moet vertalen of uitspreken. Los gatos no quieren ducharse — de katten willen niet douchen. Het is bijna een versje van Annie M.G. Schmidt: de poezen willen niet doezen. Ik vermoed dat ik dat soort zinnetjes niet vaak nodig zal hebben als ik ooit weer eens in Spanje kom.

Inmiddels heb ik El Hobbit op mijn leesplankje gezet. Inderdaad, The Hobbit van Tolkien, in het Spaans. Ik heb destijds The Lord of the Rings in het Frans gelezen, daar heb ik veel van geleerd. Zo goed is mijn Spaans nog niet dus ik begin met iets eenvoudigers.

Ik heb ook Los Altos Mandos in huis gehaald, een vertaling van Marten Toonders De bovenbazen. Dat bleek bij nadere inspectie een vertaling in het Catalaans. Nou ja, de plaatjes begrijp ik toch wel. En er komt een poes in voor, die ook nog doucht — ongewild, dat wel, in het geld van heer Bommel.

Droom

Vannacht droomde ik dat ik weer in mijn oude studentenhuis was, aan de Noorderstraat in Utrecht. Daar droom ik wel vaker over, zo één of twee keer per jaar. Zoals dat gaat in dromen ziet het er zelden uit zoals het er in werkelijkheid uitzag, en toch weet ik altijd zeker dat het mijn oude huis, mijn oude kamer is.

Nu speelde de droom zich vooral buiten af. De Noorderstraat en ook de Van Asch van Wijckskade en de Wijde Begijnestraat waren veel breder en leger dan ik ze gekend heb. Niet alleen was er weinig publiek, ook stonden er veel minder en kleinere gebouwen.

Alle lantaarnpalen, verkeersborden, bomen en andere objecten op de stoep waren op een centimeter of vijf afgezaagd. De overgebleven randjes zagen er rafelig uit. Alsof iemand met een enorme zeis door de straat was gegaan.

Mijn dromen zijn bijna nooit beangstigend. Deze was dat ook niet.

Maar ik zou wel graag willen weten waar die beelden vandaan komen.

Zon dag

Ik had een goed maar ook enigszins vaag idee voor m’n blog van vandaag.

Maar in plaats van te schrijven heb ik twee zeefdrukken opgehangen van werk van Marten Toonder. Ik heb Franse vrienden een mail gestuurd om te vragen hoe het me ze gaat, met hopelijk niet te veel taalfouten. Ik heb op het balkon in de zon gezeten en een Scientific American van een paar maanden geleden gelezen (ik loop een beetje achter). En ik heb nog steeds in de zon naar een aflevering van de podcast Haagse Zaken van tweeënhalve week terug geluisterd (daar loop ik ook een beetje achter).

Het was een welbestede dag.

Pictures at an Exhibition
Les Balcons en Plein Soleil

De Duck-man

Ik ben opgegroeid met Donald Duck. Of eigenlijk met dé Donald Duck, het vrolijke weekblad. Mijn opa en oma hadden daar lang een abonnement op gehad, er lag altijd wel een stapel Ducks in de woonkamer. Toen ik negen jaar was kregen we zelf een abonnement. Wat een genot!

Ik kreeg al snel door dat er goede en minder goede verhalen in de Duck stonden. Sommige verhalen van de titelheld waren briljant, andere op zijn best middelmatig. En die heel goede verhalen, die leken wel van dezelfde tekenaar te zijn. Want dat Walt Disney niet zelf al die verhaaltjes had getekend, dat had ik inmiddels ook wel begrepen. Maar wie was deze mysterieuze Duck-meester?

Het mysterie was in de VS al zo rond 1960 opgelost. Ook daar was het lezers opgevallen dat er één tekenaar met kop en schouders boven de rest uitstak. Hij werd The Duck Man genoemd, en de Good Duck Artist. Achter die eretitels ging Carl Barks schuil. Hij begon al in 1935 voor Disney te werken, in eerste instantie bij de filmstudio. In de jaren veertig verschoof zijn werkterrein naar de tekenstrips.

In een kleine 25 jaar bedacht Barks onder andere Duckstad, oom Dagobert Duck, neef Guus Geluk, de nichtjes van Katrien, uitvinder Willie Wortel en zijn hulpje Lampje, de Zware Jongens, Zwarte Magica, Govert Goudglans, en niet te vergeten de Jonge Woudlopers.

De honderden verhalen die Barks schreef en tekende worden sinds 2011 opnieuw gepubliceerd door de Amerikaanse uitgever Fantagraphics, in min of meer chronologische volgorde. We zijn ongeveer op de helft.

Nu herlees ik de verhalen die ik als kind in de Donald Duck verslond. En wat een genot! Ze hebben niet aan kracht ingeboet, integendeel. Nu zie ik wat een geweldige tekenaar Barks was, wat een enorme visuele kracht hij had, wat een geweldig gevoel voor (komische) timing. Wat Laurel & Hardy deden voor de gefilmde slapstick, deed Barks voor de getekende versie daarvan.

En ik zie nu ineens de soms nauwelijks verhulde cynische knipogen naar snoeverij, hebzucht en machtsmisbruik. Barks deinsde er niet voor terug om de onhebbelijkheden van de Amerikaanse samenleving aan de kaak te stellen. Zijn helden zijn vooral anti-helden.

Ik zie ook de grote liefde die Barks had voor de wereld als een groter geheel. In diverse verhalen waarschuwt hij voor het ongebreideld uitbuiten van natuurlijke bronnen, roept hij op om te beschermen wat kwetsbaar is. En meestal weet hij die boodschap dan zo te verpakken dat je niet het gevoel hebt naar een ecodrammer te luisteren.

Zijn verhalen zijn geen sprookjes, zijn personages lopen krasjes op en trekken niet altijd aan het langste eind. Maar Barks is geen negativist. De humor en de verwondering staan voorop, pas daarna komt de boodschap.

Dat herlezen gaat geen moeite kosten, de komende tijd.

Giegelgak

De laatste tijd luister ik onder het koken weer naar het hoorspel Bommel. Dat werd jaren geleden door Peter te Nuyl voor de NPO gemaakt naar de verhalen van Marten Toonder. Hij deed dat in mijn oren heel goed. De stemmen van Bommel (Mark Rietman), Tom Poes (Jacob Derwig) en Joost (Krijn ter Braak) klopten helemaal bij het idee dat ik daarvan had. Eigenlijk waren er maar heel weinig stemmen die níét klopten met mijn idee.

Koken-op-Bommel is een uitdaging. Elk van de bijna 500 afleveringen duurt ongeveer een kwartier. Het is dus zaak om het kookproces zo uit te kienen dat het 30 of 45 of zelfs 60 minuten duurt. (15 minuten is geen koken, dat is ‘iets klaarmaken’.) Nu is koken sowieso vooral een kwestie van logistiek, dus echt een probleem is dat niet.

Koken-op-Bommel is ook gewoon ontspanning. Ik ken al die verhalen natuurlijk al van achter naar voren, maar het blijft een genot om ze terug te horen. Ook volwassenen willen nog gewoon voorgelezen worden, zeker in deze tijden.

Ik zit nu in het verhaal De giegelgak, dat Toonder schreef in 1956. Heer Bommel wordt door een zonderlinge grijsaard in staat gesteld om zijn Gedachten uit te dragen. Dat kan door middel van een plantje, de gak. Als het plantje uitgroeit blijkt het echter niet de mooie gedachten van heer Ollie te hebben opgepikt, maar de domme giechel van Wammes Waggel (vertolkt door Dick van den Toorn, alweer zo’n stemschot in de roos).

Heer Bommel wil er niets meer mee te maken hebben en laat de gak voor wat het is: een ding met rare sprieten en een holle lach. Helaas blijkt de giegelgak zich exponentieel te vermenigvuldigen. Al snel wordt het stadje Rommeldam overwoekerd. Niemand kan zelfs nog de deur uit…

Klinkt bekend? Ja, dat klinkt momenteel maar al te bekend. Toonder had een scherpe metaforische blik.

De giegelgak loopt goed af. De grijsaard had Tom Poes aan het begin van het verhaal een raadselachtige boodschap meegegeven: “Zoek de kern.” En Tom Poes, schrander als hij is, begrijpt wat hem te doen staat.

Zo eenvoudig is het helaas in de echte wereld niet. We zijn nu allemaal op zoek naar de oplossing van het probleem dat ons min of meer opsluit in onze huizen. Tom Poes bestaat niet, we moeten zelf een list verzinnen, zelf onze kern zoeken.

In de tussentijd trek ik me op aan Toonder en zijn verhalen. Want die gaan gewoon door, en het koken ook.

Zoek Krabbé

Jeroen Krabbé is weer op zoek naar een kunstenaar. Dit keer is het Marc Chagall, een man die in Wit-Rusland werd geboren in diepe armoede, twee wereldoorlogen en de Russische revolutie van dichtbij meemaakte, en een carrière had met enorme pieken en diepe dalen.

Ik kijk graag naar Krabbé. Ook bij zijn vorige zoektochten, naar Van Gogh, Picasso en Gauguin, werd ik blij van zijn enthousiasme. Dat ik het werk dat hij uitvlooit kan waarderen zal vast wel helpen, maar ik kijk toch ook graag naar Krabbé.

Niet iedereen denkt er zo over. NRC-recensent Arjen Fortuin schreef op 18 maart een nogal zurig stukje naar aanleiding van de eerste aflevering over Chagall. Hij verweet Krabbé ijdelheid, met als dieptepunt het tonen van de tekening die de elfjarige Jeroen maakte na een bezoek aan een Chagall-tentoonstelling. Blijkbaar stond Jeroen K centraal, niet Marc C.

Ik geloof onmiddellijk dat Krabbé niet vrij is van ijdelheid. Maar wat is er mis met een verteller die zijn langdurige begeestering met het onderwerp toont? Als de man nou om de drie minuten zijn eigen werk stond aan te prijzen was het een ander verhaal. Ik heb nu vijf afleveringen gezien (op NPO Start Plus vooruit gekeken), en afgezien van die ene tekening heb ik Krabbé niet kunnen betrappen op schaamteloze zelfverheerlijking. Met die tekening had ik trouwens ook geen probleem.

Voor mij had die tekening een functie, namelijk dat een kind zo geraakt kan worden door een kunstwerk.1 Dat thema komt later, in de vijfde aflevering, terug. Dan gaat het over Chagall die, min of meer in ongenade gevallen bij het nieuwe revolutionaire bewind in Rusland, zich terugtrekt in een kolonie voor dakloze weeskinderen. Daar geeft hij schilderles, en aan de foto’s te zien vinden de kinderen het prachtig. Als je Krabbé bij die scènes iets kunt verwijten, is het dat hij níét de lijn terugtrekt naar zijn eigen kindertekening.

Ik vermoed dat we nog wel wat ‘ijdelheid’ gaan krijgen. Want al in de eerste aflevering vertelt Krabbé dat hij een tijdlang genoeg had van Chagall, maar dat hij hem weer heeft teruggevonden. Daar ben ik wel benieuwd naar.

Want ik zie een dolenthousiaste man, die het volgens mij een cadeautje vindt dat-ie met zijn ouwe rode Volvo door Europa mag rijden om daar de meest uiteenlopende plekken te bezoeken. Die bijna tranen laat van vreugde als hij in het restauratieatelier van het Stedelijk Museum oog in oog komt te staan met één van de bekendste werken van Chagall, geschilderd op een tafellaken. Ik zou het ook wel willen — maar ik heb een ouwe blauwe Volvo en helaas iets minder naam dan Jeroen Krabbé, dus laat ik me graag door hem op sleeptouw nemen.

Het zal best dat een deel van het enthousiasme gespeeld is, Krabbé is tenslotte behalve kunstenaar ook acteur. Maar dan speelt-ie het goed, en dat mag — van mij.

Van mij mag-ie na Chagall ook weer op zoek naar andere kunstenaars. Ik teken ervoor.

Noten

  1. Ik wil hier wel even mijn eigen ijdelheid tentoonspreiden: Toen ik nog een stuk jonger was dan Jeroen bezochten wij een tentoonstelling van Karel Appel in het Centraal Museum. Ik was zo gegrepen door dat werk, dat ik thuis ook meteen ‘een Appel’ heb gemaakt. Al moet ik toegeven dat ik toen meer gefascineerd was door de techniek dan door de vorm. Ik wilde ook de verf wel op het doek smijten…

Ontkrassing

Iedere ochtend na het ontbijt
lees ik een gedicht
of twee of drie.

Vaak lees ik een gedicht
twee keer
of drie.

Soms begrijp ik er niets van
soms lach ik
soms juist niet.

Soms zie ik iets anders
staan dan
de woorden die er staan.

Dat gedicht krijgt
in de index
een streepje voor.

Ieder streepje is een
krasje minder
op de ziel.