Mars biedt hoop

Afgelopen weekend zag ik The Martian, een film uit 2015 met Matt Damon in de titelrol. Astronaut Mark Watney wordt in 2035 voor dood achtergelaten op Mars als zijn team de planeet met spoed moet verlaten vanwege een extreme storm. Maar Mark is niet dood. Als hij bijkomt zijn zijn kameraden al onomkeerbaar op weg naar de Aarde. Bovendien heeft hij geen zender tot zijn beschikking, en naar hij zelf denkt maar voor 30 dagen leeftocht. De eerstvolgende Mars-missie komt pas over drie jaar, dus dat is een probleem.

Mark zit niet bij de pakken neer. Hij offert een deel van zijn rantsoen aardappelen op om een eigen knollenveldje in te richten. Al snel ziet hij zijn overlevingskansen dramatisch toenemen. Bovendien weet hij een oude Mars-sonde uit het einde van de twintigste eeuw op te graven en daarmee het contact met thuis te herstellen. En zo ziet de toekomst er ineens weer rooskleurig uit. Ik zou hier nu een flauwe grap over de Rode Planeet kunnen maken, maar dat doe ik niet.

In de film ben je dan nog niet eens op de helft, dus weet je als kijker dat er nog wel het een en ander mis zal gaan. Dat gebeurt dan ook. Mark blaast per ongeluk zijn groentenkas op — kan iedereen overkomen. Een nieuwe kas bouwen zit er om allerlei redenen niet in, dus het wordt voor Mark de dood of de gladiolen.

Ik zal de uitkomst hier niet verklappen, voor diegenen die de film nog zouden willen gaan zien. Ik vond hem wel spannend, want anders dan bij Apollo 13 (waar ik een tijdje terug over schreef) weet je niet op voorhand wat de afloop zal zijn. Maar net als bij Apollo 13 was ik weer onder de indruk van de menselijke vindingrijkheid.

De mens is per slot van rekening erg vindingrijk. Niet ieder mens, natuurlijk, en met die vindingrijkheid hebben we onszelf en onze omgeving ook behoorlijk wat schade berokkend. Maar grosso modo heb ik wel vertrouwen in onszelf.

We hebben bovendien een voordeel op astronaut Mark: we zitten niet in ons eentje op een andere planeet. Voor de anderhalve meter afstand is dat soms lastig, maar het biedt ook heel veel voordelen. Laten we de voordelen uitbuiten.

Birnam

Het bos rukt op. Gelukkig
is dit niet het bos van Birnam,
zie ik geen dolken voor mij,
en maak ik me niet veel zorgen
over morgen morgen en morgen…
Wat zou ik graag weer eens
wat Shakespeare zien of doen.

Mijn bos. Geen Shakespeare…

De basis

Met Sinterklaas 1984 kreeg ik het Blue Band basiskookboek cadeau, samengesteld door Pieternel Pouwels. Koken kon ik — die basis was allang gelegd door mijn ouders — en ik had ook al wel wat kookboeken. Maar dit was één van die onooglijke schatkamertjes waar je in je leven nu en dan tot je grote vreugde in terecht komt. Van buiten ziet het er niet uit, maar van binnen…

Het Blue Band basiskookboek.

Het basiskookboek is precies dat: alles wat je moet weten om aan de slag te kunnen. Soepen, sauzen, vis, vlees, gevogelte, groenten, aardappelen, rijst, pasta, eieren, nagerechten, gebak. Plus een lijst van basistechnieken, kruiden, specerijen, en keukengerei. Gedrukt op stevig papier dat wel tegen een stootje kan. Niet te groot, niet te dik, in een stevig ringbandje, dus gemakkelijk te hanteren.

Alle basisrecepten en veel ‘gevorderde’ recepten zijn voorzien van duidelijke plaatjes van de diverse tussenstappen. Het belang van plaatjes wordt enorm onderschat in kookboeken. Luxe kookboeken grossieren vaak in prachtige stillevens van het eindresultaat — er zijn fotografen die hun brood verdienen met het fotograferen van eten. Maar zoals het er op die foto’s uitziet, ziet het er bij jou bijna nooit uit. En zelfs het mooiste gerecht kent tussenstadia die er heel wat minder appetijtelijk uitzien. Dan is het fijn om te zien dat wat er in jouw pan gebeurt echt zo hoort.

In totaal zouden er tot 1991 negen boekjes in de serie verschijnen, die ik (en mijn broertje) allemaal kregen. Ik heb ze niet allemaal even intensief gebruikt, ik ben bijvoorbeeld niet zo van het gebak. Maar ik val er nog regelmatig op terug.

Ik durf wel van mijzelf te beweren dat ik goed kan koken. Ik kook ook graag, het is voor mij ook een vorm van ontspanning. Ik hou van de logistiek, dat zal mijn nerdige bètabrein wel zijn. Een topkok ben ik niet, maar ik durf wel een experimentje aan. In mijn langlopende studietijd was het mijn gewoonte om, als er iemand bij me kwam eten, iets te maken dat ik nooit eerder had gemaakt. Dat gaf er wat extra spanning aan. Het is maar één keer misgegaan.

Recepten moet je kunnen ‘lezen’. Natuurlijk moet je de stappen volgen die erin beschreven staan. Maar je moet ook op voorhand een idee hebben van hoe het beschreven gerecht gaat smaken. Op die manier vallen sommige recepten af omdat je op grond van de ingrediënten of de bereidingswijze verwacht dat je het niet zo lekker gaat vinden. En bij andere gerechten begin je al te genieten voor je zelfs maar boodschappen hebt gedaan.

Dit was een pastagerecht uit een Blue Band-boekje dat er op papier wel smakelijk uitzag. Ik maakte het voor twee vrienden. Die hebben er voor zover ik kon beoordelen ook smakelijk van gegeten. Ik had al mijn twijfels onder het koken, en bij de eerste hap wist ik het zeker: dit is gewoon smerig. Dat heb ik ook bij het recept aangetekend: “Dit is smerig. NOOIT meer maken!”

Want dat doe ik ook: ik zet altijd bij een recept voor wie ik het gemaakt heb. Ik wil niemand iets voorzetten dat-ie al eens bij me gegeten heeft. (De oplettende lezer begrijpt dat dat vanzelf goed gaat als je voor je gasten altijd iets geheel nieuws maakt. Maar ik ben ook wat luier geworden in de loop der tijd…)

Mijn topprestatie was een negengangendiner voor vier personen. En dan ook negen echte gangen, niet zes keer van die laffe liflafjes die je in drie minuten in elkaar draait. Na afloop was ik volkomen gaar. En toen moest de afwas nog, want dat is een andere principe van me: een gast hoeft bij mij nooit af te wassen.

Ik kan rustig zeggen dat Blue Band mij gevormd heeft, in de keuken. En dat terwijl ik bij het koken nooit zelfs maar een grammetje Blue Band heb gebruikt…

Ik gebruik ze nog steeds…

Vademij

Een maand geleden, op 17 maart, begon ik met deze serie blogs. Op dat moment was het nog niet erg duidelijk hoe lang we met zijn allen zouden thuisblijven, en hoeveel blogjes ik zou schrijven. Met deze post passeer ik trouwens de 10000 woorden.

We wisten ook nog niet dat we het routinematig over de anderhalvemetermaatschappij zouden hebben. Wat is dat een rotwoord. Nog even los van de discussie over mogelijke spaties is het gewoon een veel te grote mondvol. Maar we zitten er nog wel even aan vast.

Is er geen alternatief voor dat woord? Een acroniem bijvoorbeeld? Als je alleen echte beginletters gebruikt, kom je op ‘amm’. Dat is niks. Met iets meer klinkers krijg je zoiets als ‘ahamema’. Dat klinkt als de heldin uit een fantasy-verhaal. Niets mis mee, maar ik heb er toch een ander beeld bij.

Een vriend van me bedacht ‘vademij’, een samentrekking van ‘vadem’ en ‘mij’.

‘Mij’ is hier de gebruikelijke afkorting van maatschappij. De oude lengtemaat vadem is zes voet, of ruim 1,80 meter. Of, volgens Wikipedia, “de spanwijdte van de armen van een niet te kleine volwassen man.” Daar heb je in ieder geval een goed beeld bij, waarvoor je natuurlijk ook gewoon een niet te kleine volwassen vrouw kunt gebruiken (of de heldin uit een fantasy-verhaal). Met een ruime extra veiligheidsmarge van 30 centimeter voldoet het prima aan de eisen van de tijd.

Het woord ‘vademij’ doet ook wel een beetje aan ‘vademecum’ denken, dat letterlijk ‘ga met mij’ betekent. Zo zit er van alles in: de afstand, de maatschappij, én het gevoel dat we het uiteindelijk toch met elkaar moeten doen.

In metrum en rijmklank past het ook nog eens precies op ‘maatschappij’. In alle slogans waar je ‘maatschappij’ gebruikt, kun je ook ‘vademij’ gebruiken. “De vademij, dat zijn wij.”

Ik zou zeggen: verspreid het woord!

Lineaal?

Het stukje dat ik eergisteren schreef over de rekenliniaal leverde nog een aardige observatie op. Veel mensen schrijven lineaal in plaats van liniaal. Sterker nog: ik had dat in eerste instantie zelf ook gedaan, totdat ik het lemma op Wikipedia opzocht en de dubbele i spotte.

Huh? Ik zou toch zweren…

Maar nee, de Dikke Van Dale, het Groene Boekje, de Taaladviesdienst van Onze Taal (die de witte spelling volgt), ze kennen allemaal alleen de liniaal.

Waar komt dan toch die ‘e’ vandaan?

Ik heb er zo snel niets zinnigs over kunnen vinden, dus ik kan er alleen maar naar raden. Een mogelijkheid is de gelijkenis met een woord als lineair of een woordcombinatie als linea recta. En misschien is het ook een uitspraakding: als je ‘liniaal’ zegt, moet je stem na de stemhebbende medeklinker ‘n’ naar de ‘aa’, en dat gaat denk ik gemakkelijker langs een ‘e’ dan langs een ‘i’. Maar het is allemaal puur giswerk.

Dus: wie kan mij meer vertellen over de herkomst van de lineaal?

Hoofdruimte

Ik heb nog nooit zo vaak in andermans huis rondgekeken als de afgelopen weken. Leefruimte zegt iets over de persoon die erin leeft. Sommige collega’s gebruiken inmiddels een fictieve achtergrond. Dat zegt ook iets over de persoon.

Lang geleden volgde mijn vader in het najaar en de winter een opleiding bij wat toen nog de Technische Hogeschool Twente heette. Eens in de zoveel tijd ging hij daarheen. Omdat Twente toen nog heel ver weg was, ging hij al de avond van tevoren. Mijn moeder en ik brachten hem dan naar de bushalte, waarna we samen terug wandelden naar huis.

Onderweg deden we een spelletje. We keken in de verlichte woonkamers en gaven die een cijfer. Veel woonkamers kwamen er niet zo best van af. We waren het altijd wel redelijk eens, mijn moeder en ik, en we vonden onze eigen woonkamer altijd het mooist.

Hoe je andermans ruimte beoordeelt zegt natuurlijk ook iets over jou.

Liniaal

Ik had het gisteren over de film Apollo 13. Er was me bij het kijken naar die film nog iets opgevallen dat niet meteen met het ongeluk te maken had. Het is maar een heel kort moment, ik zou niet eens meer zeker weten waar het zit in de film, maar vermoedelijk ergens rond het moment dat er uitgerekend moet gaan worden hoe het kreupele ruimtevaartuig naar de Aarde kan komen.

Iemand trekt een rekenliniaal uit zijn borstzakje.

Wie weet er nu nog wat een rekenliniaal is? Mensen die maar een paar jaar jonger zijn dan ik waarschijnlijk alleen nog van horen zeggen. Die hebben het moment in de film gemist, of ze hebben gedacht: wat is dat nou voor ding?

Een rekenliniaal is een apparaatje waarmee je snel berekeningen kunt uitvoeren. Het principe werd in de eerste helft van de zeventiende eeuw bedacht in Engeland. Ik heb er zelf nog eentje, een Ecobra in zeer goede conditie, die naar ik meen van één van mijn grootvaders is geweest. Ik heb op school nog leren rekenen op een liniaal, maar ik zou weer even moeten uitzoeken hoe het ook alweer zat.

(Tekst gaat door onder de foto.)

Mijn rekenliniaaltje van Ecobra.

Het gebruik was bij mij van zeer korte duur. Veertig jaar geleden verschenen de rekenmachines op school. In mijn geval was dat de onvolprezen Casio fx-80. Deze wetenschappelijke rekenmachines hadden veel meer mogelijkheden dan de liniaal, en ze waren ook veel nauwkeuriger, al verloor je er wel het gevoel voor verhoudingen mee. Zelden zal een technologische verworvenheid zo snel het veld hebben geruimd.

Ik heb begrepen dat de rekenliniaal nog hier en daar wordt gebruikt, door een vermoedelijk snel uitstervend groepje van ingenieurs en techneuten. Al is-ie dan minder exact dan een rekenmachine, de rekenliniaal heeft een absoluut voordeel op zijn moderne nazaat. De batterij kan nooit opraken.

Dertien

Vijftig jaar geleden, in de nacht van 13 op 14 april 1970, hoorden drie mannen een luide knal ergens in hun voertuig. De stroomvoorziening haperde en ook andere instrumenten op het dashboard reageerden.

Dat zou al verontrustend zijn als je met je auto ’s avonds laat een eind van huis bent. Deze drie zaten niet in een auto maar in de Apollo 13, en ze waren 330000 kilometer van huis. De dichtstbijzijnde parkeerplaats was de Maan — maar de astronauten beseften al snel dat de landing die daar gepland was een no-go was geworden. Thuiskomen zou al een duivelse opgave zijn.

Van de gebeurtenissen rond het ongeluk is in 1995 een film gemaakt met Tom Hanks in de rol van vluchtcommandant Jim Lovell. Ik heb die film al meermalen gezien, en ik ben telkens weer diep onder de indruk. Dit weekend heb ik hem ook maar weer eens van stal gehaald.

Natuurlijk is het een film, een verbeelding, geen documentaire. Maar ik heb begrepen dat de film heel dicht bij de werkelijkheid blijft. Ik ben vooral onder de indruk van de vindingrijkheid van de bemanning en de mensen van NASA. Er moesten serieuze problemen worden opgelost.

De module waarin de astronauten zouden verblijven gedurende de vlucht naar de Maan en terug, was door een ontploffing in een zuurstoftank beschadigd geraakt. De bemanning trok zich daarom gedurende een groot deel van de reis terug in de maanlander. Dat voertuig was echter niet berekend op een langdurig verblijf van drie personen: bij de maanlandingen daalden er steeds twee astronauten af in de lander, terwijl de derde rondjes bleef draaien rond de Maan. Er was weliswaar voldoende zuurstof aan boord, maar de hoeveelheid kooldioxide liep te hoog op. Er moest dus een filter worden gefabriceerd uit enkel materialen die de astronauten aan boord hadden.

(Tekst gaat door onder de foto.)

De zwaar beschadigde servicemodule van de Apollo 13. (Image by NASAScan by Kipp Teague – Apollo 13 Image Library (image link), Public Domain)

Een ander probleem was de stroomvoorziening. De landing zou moeten plaatsvinden in de neuskegel van de beschadigde module (de maanlander was daarvoor veel te fragiel en moest worden afgestoten). De vraag was of er wel voldoende stroom geleverd kon worden om de boordcomputer weer op te starten.
In de film wordt er een bloedstollende race tegen de tijd van gemaakt. En dat was het in werkelijkheid natuurlijk ook.
Het lukt allemaal. Op 17 april 1970 landt wat er over is van Apollo 13 in de Stille Zuidzee en kan de wereld weer even opgelucht ademhalen.

Voor mij is het een hoopgevende film. Natuurlijk is een kapotte Apollo niet te vergelijken met een pandemie, maar de menselijke vindingrijkheid en het doorzettingsvermogen zijn in beide gevallen van cruciaal belang.

Er is trouwens nog een dunne link tussen het verhaal van de Apollo 13 en onze huidige situatie. Astronaut Jack Swigert, in de film gespeeld door Kevin Bacon, werd op het laatste moment aangewezen als vervanger van Ken Mattingly, die mogelijk besmet kon zijn met rodehond. Aan de vooravond van de lancering neemt de bemanning afscheid van familie en vrienden, door een brede weg en linten van elkaar gescheiden om besmettingen te voorkomen. Historisch niet juist, die afscheidsceremonie werd pas veel later ingevoerd ten tijde van de Space Shuttle. Maar wel herkenbaar.

Paasei

Mijn opa, de vader van mijn moeder, bracht vroeger met Pasen nog wel eens een enorm paasei van chocola voor me mee. Ik was nog klein, dus in werkelijkheid zullen die eieren wel iets minder groot zijn geweest dan ik ze me herinner. Maar een struisvogel zou er niet ontevreden over zijn geweest.

Het waren vaak prachtig versierde eieren, met allerlei gesuikerde tierelantijnen. De droom van ieder kind.

Van mijn opa moest ik zo’n ei ook meteen aanbreken. Het was er tenslotte om op te eten. Maar dat vond ik zonde. Ik wilde er naar kunnen kijken. Leg dat maar eens uit, als je vijf of zes bent.

Ik ben nog steeds niet zo goed in het opeten van chocolade paaseieren. Maar een mens is nooit te oud om te leren.

Papieren badpak

Wandelend door mijn boekenkasten, op zoek naar de boeken die op de een of andere manier van belang waren in mijn leven, stuitte ik op mijn verzameling Bulkboeken.

In mijn herinnering had ik een paar jaar een abonnement gehad op Bulkboek, op school en nog een jaar of wat na mijn examen. Maar ik bleek dat abonnement nog vijftien jaar voortgezet te hebben, tot aan het moment dat Bulkboek er de brui aan gaf, in 1999. Ik heb er 150…

Bulkboeken waren goedkope uitgaven van Nederlandse literatuur door uitgeverij Knippenberg. De boeken werden op een soort krantenpapier gedrukt, op het formaat van een tijdschrift en voorzien van wat achtergrondinformatie over werk en auteur. Vooral gericht op het onderwijs, maar dat was kennelijk geen bezwaar voor oudere abonnees.

Eén van de Bulkboeken die zo’n veertig jaar geleden nieuwe werelden voor me opende is Het papieren badpak van Herman Pieter de Boer, met tekeningen van Pat Andrea. Het is een bloemlezing van korte verhalen met een absurdistische ondertoon, vaak ook een beetje broeierig.

Wat me zo fascineerde aan de verhalen was dat ze zich afspelen in een gemeenschappelijke wereld. Het is alsof je films bekijkt die op zich niets met elkaar te maken hebben, maar die wel allemaal dezelfde decors op de achtergrond hebben. Soms lopen er personages uit andere films door het beeld.

Ik vond het fantastisch, letterlijk en figuurlijk. Dat badpak zat mij als gegoten.

Gelukkig had de openbare bibliotheek een aantal bundels van De Boer op de planken staan, die ik heb verslonden.

En daarna heb ik Herman Pieter de Boer weer helemaal uit het oog verloren. Dus ik denk dat ik binnenkort maar weer eens een papieren badpak aan ga trekken.