Mogelijke alternatieven

Trouwe lezers (en mensen die mij een beetje kennen) zullen inmiddels wel doorhebben dat ik bepaalde leesvoorkeuren heb. Strips, science fiction & fantasy, (exacte) wetenschap, geschiedenis, poëzie en literatuur met een grote L — het heeft allemaal op m’n nachtkastje gelegen. Ik heb nooit zo geloofd in een strikte scheiding tussen ‘literatuur’ en ‘lectuur’. Een schrijver als Terry Pratchett, waarover ik hier al eens schreef, kun je in allerlei vakjes duwen: fantasy, humor, literatuur. Maar wat voorop staat als ik hem lees is het plezier dat ik eraan beleef.

Ik kan net zo genieten van Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer als van De Bourgondiërs van Bart Van Loo of Put On By Cunning van Ruth Rendell, drie boeken die ik vorig jaar vrij kort na elkaar las. Drie boeken die letterlijk en figuurlijk heel verschillende werelden ontsluiten.

Sommige kinderen stappen voor het eerst op een fiets en rijden erop weg alsof ze nooit anders deden. Ik leerde lezen en vanaf dat moment las ik alles wat los en vast zat, waar en wanneer ik maar kon. (Fietsen ging me geloof ik ook meteen goed af.) Op woensdagmiddag ging ik naar de openbare bibliotheek zodra die open was en nam daar de maximaal toegestane stapel boeken mee. Dan las ik snel één van die boeken uit, zodat ik nog net voor sluitingstijd terug kon om nog eens de maximale stapel mee te nemen.

Mijn ‘reconstructie’ van het bibliotheek-pictogram
dat voor SF werd gebruikt.

Ergens in mijn tienerjaren ontdekte ik de science fiction. In de bieb hadden die een pictogram dat bestond uit een rijtje in perspectief geplaatste bollen: een aantal planeten. Ik heb er op internet naar gezocht maar het zo snel niet kunnen vinden. Tegenwoordig is het blijkbaar een gestyleerd alien-hoofdje. Ik vind dat oude pictogram veel beter, dat verbeeldt andere werelden en aliens zijn daar maar een heel klein onderdeel van. De beste SF-boeken die ik ken gaan helemaal niet over aliens.

Hoe dan ook: er was een periode dat ik de boekenplanken in de bieb afschuimde op zoek naar dat ene pictogram. De enorme SF-reeks van Meulenhoff heb ik destijds grotendeels gelezen.

Toen kreeg ik met Sinterklaas 1979 de Geïllustreerde encyclopedie van de science fiction samengesteld door Brian Ash. Dat prachtige boek bevatte niet alleen allerhande nuttige overzichten maar ook een groot aantal essays over thema’s in de SF. Ieder hoofdstuk werd geopend met een korte inleiding door een SF-schrijver en afgesloten met een leeslijstje, waar niet zelden titels op stonden die ik zelf al gelezen had. Dan gloeide ik toch een beetje.

(Tekst gaat verder na de afbeelding.)

Dit boek heeft voor mij veel meer betekend dan alleen een indexering van de science fiction. Tot dan toe zag ik SF toch ook een beetje als ‘spannende verhalen’, maar toch vooral als vermaak. Door al die essays begon ik te begrijpen dat een goed boek meer biedt dan alleen maar vermaak. Dat er diepere lagen in kunnen zitten die over heel andere dingen gaan, dat je boeken kunt lezen als metaforen.

Natuurlijk is veel SF inderdaad gewoon ‘een spannend verhaal’. En ook daar is niets mis mee. De schrijvers die kans zien om ook nog diepere gedachten in hun boeken te stoppen vormen een minderheid, maar ze zijn er wel degelijk.

In de Encyclopedie gaat een hoofdstuk over SF als literatuur. De schrijver ervan, George Turner, definieert SF als ‘literatuur van mogelijke alternatieven’. Hij constateert dat wat een verhaal tot SF maakt vooral die mogelijke alternatieven op de voorgrond plaatst, en niet de personages in de vertelling. Dat maakt een literaire waardering lastig, al blijft er wel wat over. Tot mijn vreugde noemt hij één van mijn favoriete schrijvers als hét voorbeeld van een auteur die een geslaagde synthese wist te vinden: Ursula Le Guin.

Nu kun je natuurlijk ook nog een discussie voeren over wat dan precies literatuur is. Turner zwijgt daar over. En ook over de definitie van wat SF dan precies is kun je nog wel een boom opzetten, want ‘literatuur van mogelijke alternatieven’ laat nog een heleboel ruimte voor interpretatie. Turner zelf loopt een hele serie titels af en oordeelt hardvochtig dat een deel ervan feitelijk geen SF is, en dat wat wel SF is vaak hopeloos tekort schiet. Grappig genoeg begint Turner, die in 1916 werd geboren, zelf SF te schrijven ná dit essay uit 1977. Misschien heeft het iets in hem wakker gemaakt. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik nooit iets van zijn werk heb gelezen.

Ergens heb ik het gevoel dat ik destijds, toen ik de Encyclopedie doorwerkte, ook gedacht heb: later, als ik groot ben, ga ik echt goede SF schrijven. Dat is helaas nog toekomstmuziek, maar wie weet. Het zou in ieder geval een mogelijk alternatief zijn om de huidige tijd door te komen.