Het Jeroen Bosch-museum

Toen ik studeerde ontving mijn studievereniging een aantal Russische promovendi uit Moskou en Leningrad.  Het was voorjaar 1990, de Muur was net gevallen en voor deze Russen stond een periode van ongekende vrijheden op aanbreken.

De Nederlandse organisatoren van het bezoek hadden de Russen gevraagd wat ze wilden zien.  In cultuur waren ze officieel niet erg geïnteresseerd.  Op de verlanglijst stonden alleen maar bezoeken aan wetenschappelijke instituten.  In de praktijk bleken de bezoekers toch nog wel wat andere wensen te hebben.  Ze wilden vooral shoppen, shoppen, en shoppen.  En naar het red light district.  O, en naar het Jeroen Bosch-museum.

Het Jeroen Bosch-museum?  Daar hadden we nog nooit van gehoord.  Voor de zekerheid belde ik nog even met mijn ouders, maar die hadden ook geen idee.  Bedoelden de Russen soms het Van Gogh-museum?  Nee, nee, njet.  Het moest het Jeroen Bosch-museum zijn.  Waar het lag wisten ze niet, maar dat het bestond, dat wisten ze zeker.  Het nationale Jeroen Bosch-museum.

Het bestond niet, maar de Russen wilden dat van ons niet aannemen.  Ze kwamen uit een cultuur waar de autoriteiten nog bij de ingang van een museum glashard konden ontkennen dat het bestond.  Ten slotte namen de meesten maar genoegen met de enorme prentenboeken met reproducties, waarvan De Slegte er stapels had.

Ik ben geboren in Den Bosch.  Ik had er bijna Jeroen om geheten, heeft mijn moeder me wel eens verteld.  Of het waar is weet ik niet, misschien verbeeld ik me zelfs dat ze me dat heeft verteld.  De ‘familienaam’ won,  ik werd naar mijn grootvader genoemd en niet naar de grootste Bosschenaar aller tijden.

Als kind keek ik graag naar de platen van Jeroen Bosch.  Er viel zo veel op te ontdekken.  De voorstellingen hadden iets magisch en vaak ook iets komisch.  Ik zag er ook wel enge dingen in.  Het was een circus, zoals Boudewijn de Groot zong in Het Land van Maas en Waal, een combinatie van schoonheid, sensatie en slapstick.  De symboliek, de diepere betekenis, ontging me natuurlijk helemaal.

Eind 1975, ik was toen halverwege mijn elfde en twaalfde verjaardag, zond de VPRO het televisiespel Het Grote Gebeuren uit.  Dat was een bewerking door Jaap Drupsteen van een verhaal van Belcampo.  De dag des oordeels breekt aan in een provinciestadje, dat plotseling wordt bevolkt door duivels en demonen.  Die monsters kwamen in de verbeelding van Drupsteen uit de krochten van Jeroen Bosch.  Je zag er mensen met trechters op hun kop, vissen met benen, mannen met enorm uitvergrote messen en schilden.  Ik begreep er weinig van, maar ik vond het fascinerend.

In het daaropvolgende jaar ging ik naar het Christelijk Gymnasium in Utrecht.  Daar kreeg ik voldoende cultuurhistorische kennis ingegoten om Bosch beter te kunnen bekijken en begrijpen.

En nu was er dan eindelijk een grote tentoonstelling van het werk van Bosch, in het Noordbrabants Museum in mijn geboortestad.  Voor even bestond het gedroomde Jeroen Bosch-museum waar die Russen zo graag naartoe hadden gewild.

Wat me vooral opviel was hoe relatief klein de panelen eigenlijk zijn, en hoe gedetailleerd Bosch dus te werk is gegaan.  Het was een druk-bezochte tentoonstelling, veel tijd en ruimte om die details te bestuderen was er niet.  Maar ach, daar heb je tegenwoordig goede reproducties voor.

Van die Russen heb ik er nooit eentje teruggezien.  Hopelijk hebben ze nog vaak in hun prentenboeken gekeken, en zich afgevraagd waarom die rare Nederlanders nooit een nationaal Jeroen Bosch-museum hebben ingericht.